‘Oedipoes’ (Reizend Volkstheater) Foto Kreoon

Erwin Jans

Leestijd 3 — 6 minuten

Oedipoes

Reizend Volkstheater, Antwerpen

Het spelen van een ‘klassiek’ stuk, in de betekenis van de grote Griekse tragedies, blijft voor de moderne theatermaker een uitdaging. De enscenering van een klassiek stuk is altijd en noodzakelijkerwijze een bezinning op de eigen theaterpoëtica : een klassieke tragedie stelt teveel vormproblemen om die poëtica onaangedaan te laten.

Het Reizend Volkstheater (RVT) heeft met de Oedipoes van Sophocles een opvallende voorstelling gemaakt, een ongewone voorstelling ook binnen het circuit dat het RVT bespeelt. Niet dat de voorstelling voor honderd procent geslaagd is, maar zijn het niet de sporen, de aanzetten die in een opvoering oplichten en die een bewust gezocht parcours aanduiden, die veel interessanter zijn dan een afgewerkt resultaat dat zijn werkproces achter zich uitwist ?

Het RVT heeft met deze Oedipoes (regie : Ignace Cornelissen, artistiek leider van Het Gevolg uit Turnhout) voor zichzelf een aantal vragen gesteld, ook al zijn de antwoorden niet altijd even glashelder. De voorstelling begint heel rustig, alsof er van een voorstelling eigenlijk geen sprake is. De ruimte is een soort van repetitielokaal : in het midden van de scène een tafel met stoelen, achteraan een lange zitbank, tegen de achterwand foto’s van acteurs, op de grond liggen affiches van de voorstelling. Een acteur komt op, doet zijn jas uit, neemt notie van het publiek en gaat koffie zetten : een handeling die ieder van ons dagelijks stelt en die precies door de volstrekte afwezigheid van iedere theatraliteit op een scène bijna ‘dramatisch’ wordt. Jazzmuziek speelt luid en gejaagd uit een cassetterecorder. Hier zal een tragedie opgevoerd worden, de tragedie der tragedies, de oerscène van het westers bewustzijn : Sophocles’ Koning Oedipoes, de man die op de vlucht voor zijn noodlot precies zijn noodlot mee voltrekt. Toch is de openingsscène geen detail, integendeel : de vanzelfsprekendheid van de pruttelende koffiezet en de speelsheid van de jazzmuziek zetten de hoge norm waarnaar deze voorstelling mikt.

Zes acteurs komen op, groeten mekaar en nemen plaats aan de tafel met een tekstboek en een koffie. Een groep mannen die mekaar kent. Er moet niets gezegd worden. De verstandhouding zit in de blikken, de geconcentreerde aandacht voor mekaars aanwezigheid. Uit die rust en dat wederzijds vertrouwen, die de rust en het vertrouwen zijn van de acteurs, niet van de personages, groeit deze Oedipoes-enscenering. De voorstelling begint met de eerste koortekst. Het probleem van het koor is meteen opgelost : de koortekst wordt in groep voorgelezen, van het papier afgelezen. Geen mythisch discours, maar een citaat in de vorm van een stemoefening van een groep acteurs. Uit die collectiviteit begint het spel. Een spel dat minimaal blijft, zowel in de mise en scène als in het acteren.

De RVT-enscenering gaat geen dialoog aan met het tragische van Oedipoes, wel met het dramatische. Ik wil dit duidelijker maken. Het RVT doet geen expliciete uitspraken over de waarde van het tragische voor ons, laat- twintigsteëeuwers. Er is geen sprake van actualisering van het gegeven. Dat wil niet zeggen dat deze RVT-enscenering een louter formeel experiment is. Integendeel, die momenten waarop de afstand tussen tekst en spreken zo dun wordt dat er van een personage spelen bijna geen sprake is, krijgt de tragedie opnieuw een heftigheid die de zware mantel van eeuwen interpretaties van zich afwerpt : voor ons voltrekt zich geen mythisch verhaal, maar een wanhopig gevecht tussen hen die niet weten en willen weten en hen die weten en zouden willen vergeten. De scène waarin Oedipoes de blinde ziener Tiresias beschuldigt en uitdaagt, waarop Tiresias, beledigd en in zijn eer gekrenkt, Oedipoes de vreselijke waarheid openbaart, is van een grote spanning. De toon is niet die van helden tegenover mekaar, maar van mannen die mekaar plots wantrouwen. Dat wantrouwen wordt niet vormgegeven in theatrale tekens die een acteur zoekt wanneer hij een personage gestalte wil geven, maar in tekens (bewegingen, gebaren, stembuigingen) die nog dicht bij de acteur zelf liggen.

Niet alle acteurs maken dit waar. De meeste vallen erg snel terug op de manier van spelen die haaks staat op het uitgangspunt : het repeteren wordt gespeeld, en wanneer je als toeschouwer dat merkt, valt iedere spanning weg. Sommige acteurs beginnen hun personages zowel fysiek als emotioneel erg te kleuren. Waarom wil de acteur die Iocaste speelt persé in zijn houding zoveel vrouwelijkheid suggereren ? Hij is nu eenmaal geen vrouw en de theatraliteit die hij op dat ogenblik opbouwt is een vals masker waarachter hij zich verbergt en waarachter de tekst verloren gaat. Naarmate het stuk zich ontwikkelt, wil men doen vergeten dat het uitgangspunt een soort van repetitie was. Er worden steeds meer rekwisieten verplaatst, het algemene licht gaat uit, een spot wordt op de blinde Oedipoes gericht. Het contrast met de beginscène is groot. Terwijl aanvankelijk een stoel een stoel is, het repetitielokaal een repetitielokaal, een repeterend acteur een repeterend acteur, wordt naar het einde van de voorstelling de stoel een troon, het repetitielokaal Oedipoes’ paleis en de acteur een personage : het theater slaat toe. Precies op de momenten dat de voorstelling kiest voor een te nadrukkelijke theatralisering, zowel in het acteren als in de mise en scène, verliest ze de spanning die ze voor zichzelf in den beginne had uitgezet.

Gezelschap : RVT;

tekst : Sophocles in vertaling van Stefan Van Den Broecke;

regie : Ignace Cornelissen;

dramaturgie : Bart Meuleman;

spel : Rik Hancké, Dries Smits, Bob Snijers, Kurt Defrancq, Arnold Willems en Rikkert Van Dijck.

Gezien in de Vrije Val te Antwerpen op 20 december 1990.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

Erwin Jans

Erwin Jans is dramaturg bij het Toneelhuis (Antwerpen). Tevens publiceert hij over theater, literatuur en cultuur in onder andere De Morgen, De Tijd, Eutopia, Etcetera, DW B, rekto:verso, nY, De Reactor, De Leeswolf en Theatermaker.

recensie