“Occupe-toi d’Amélie” (NTG)

Johan Thielemans

Leestijd 4 — 7 minuten

Occupe-toi d’Amélie – NTG

KRONIEK – ONDER EEN BEZIELENDE LEIDING WEL HOOGTE HALEN

Het einde van een theaterseizoen wordt best gekenmerkt door een komedie. Dat is de traditie en aan deze traditie heeft het NTG zich ogenschijnlijk heel stipt gehouden: Occupe-toi d’Amélie is een boulevardstuk, het is dus, naar de algemeen gangbare opinie, luchtig, plezierig, smaakvol. Geestigheid in Franse stijl. Een niemendalletje.

Maar noch Jean-Pierre De Decker, noch Herman Gilis, het regisseursduo dat deze Amélie in Gent onder haar hoede had, staan bekend als mensen die zich aan gangbare opinies houden. Ze hebben de traditie dan ook resoluut overboord gegooid en ze hebben de tekst van Feydeau met de ogen van de jaren tachtig bekeken. In de traditie van het huidige Vlaamse theater hebben ze geweigerd om zich zand in de ogen te laten strooien. De sleutel tot hun verrassende interpretatie staat in het programmaboekje: een cocotte is een hoer. Geen doekjes erom gewonden, dat is de waarheid. Amélie kan dus geen beroep doen op ons medeleven. Haar minnaars zijn slechts exponenten van de kleinburgerij, en daar hebben De Decker en Gilis al altijd een hekel aan gehad. Het is een wereld van schijnwaarden, maar helaas is het dit hypokriet systeem dat een groot gedeelte van ons gedrag beheerst (en in een provinciestad is dit des te scherper voelbaar). Amélie is dus geen stuk over niets, integendeel, het is nog razend hedendaags.

De verwerpelijke kleinburger moet dus in zijn hemd gezet, en in zijn hemd staat hij – letterlijk, zelden zijn er zoveel mannelijke onderbroeken te zien geweest in één vertoning. De vraag is of Feydeau zoveel ontmaskering verdraagt. Op zekere punten van de avond voelt men wel dat de mathematische vorm van de tekst botst met de opvattingen van de regisseurs. Vooral als wat mindere acteurs te veel tekst hebben (wat het geval is voor Bob Vanderveken) gaat de vertoning slepen. Maar die zwakke plekken komen vooral in het eerste bedrijf voor. In de latere bedrijven verandert de schriftuur van Feydeau, en dan is er een merkwaardige harmonie tussen de beeldenstormende aanpak te Gent en de oorspronkelijke tekst. Het geheel gaat naar een hoogtepunt tijdens het derde bedrijf. Het gaat dan om een burgerlijk huwelijk, maar tegen deze ceremonie heeft Jean-Pierre De Decker wat: getuige zijn enscenering van Canettis Het Huwelijk, of de karikaturale aanpak in Maat voor Maat van de laatste scène. Maar hier heeft hij zich pas uitgeleefd; wat hier te zien is grenst soms aan het ongelooflijke. Alle remmen zijn los. Wat voor Franz Marijnen de katholieke kerk is, dat is voor Jean-Pierre De Decker het huwelijksceremonieel. Dat alles mondt uit op een laatste scène – gespeeld in een schitterende ruïne van decorateur Marc Cnops – waarvan de laatste stemming algehele onthutsing is. Het niemendalletje is omgetoverd tot een bittere pil. De vraag blijft of de operatie helemaal gelukt is. Als men hierbij enige twijfels heeft, dan komt dat omdat de gebruikte methode van subversie op zichzelf gevaren inhoudt. De redenering gaat een beetje als volgt: de kleinburgers, met hun schijnheiligheid en hun jacht op geld, hebben slechte smaak. Deze slechte smaak zal het wapen zijn waarmee ze genadeloos afgestraft worden. Maar daarmee zetten de regisseurs een andere stap: zijzelf produceren zoveel slechte smaak, dat het dansen wordt op een erg slappe koord. Op de zwakste ogenblikken is er erg veel medeplichtigheid met de getoonde mentaliteit en dan voelt het publiek zich wel wat ongemakkelijk: is dit slechte smaak in de eerste of in de tweede graad? Een wat subtiele vraag en daar de hele vertoning weigert subtiel te zijn, komt er geen duidelijk antwoord. Dit is Feydeau à la Kamagurka.

Dat de troep zelf zich graag aan dit bad modder heeft overgegeven, is overduidelijk. Het merkwaardige is dat doorgaans zwakke acteurs – zoals Els Magerman, Herman Coessens en zeker Willems – hier een opdracht krijgen die ze waar kunnen maken. Nooit was Els Magerman beter dan als de vulgaire Amélie, en Herman Coessens kan, hoe weinig waarschijnlijk het ook klinkt, de vertoning met overtuiging dragen. Het is merkwaardig dat beide acteurs tot op dit niveau geraakt zijn vanaf het ogenblik dat Herman Gilis in het gezelschap verschenen is.

Deze vertoning is in vele opzichten belangrijk: ze geeft aan dat in een officieel gezelschap als het NTG ook tegendraads theater gemaakt kan worden. Ze maakt nog eens duidelijk hoe ernstig de beleidsgroep van het gezelschap het meent. Dit seizoen hebben uitstekende vertoningen zoals de Tartuffe van Hugo Van den Berghe, de Bouwmeester Solness van Herman Gilis en deze Amélie van De Decker-Gilis een herkenbaar profiel aan het gezelschap gegeven. Een vertoning als Peter Pan kwam daarbij aangeven dat er bij de opstelling van het repertoire naar een gezond evenwicht werd gestreefd. Tot slot toont deze vertoning hoe zeer het gezelschap Herman Gilis nog nodig heeft. In Gent kan men slechts met lede ogen aanzien dat hij nu naar Groningen uitzwermt. Acteurs en publiek zullen Herman missen.

Zo gezien lijkt het NTG een vrij gezond gezelschap. Op het einde van het seizoen komt een vreemd conflict tussen de raad van beheer en het gezelschap roet in het eten gooien. Allemaal voor erg onduidelijke redenen, en naar het zich laat aanzien niet direct om het artistieke klimaat gunstig te beïnvloeden. Het lijkt ons niet dat de raad van beheer de beschermende rol speelt, die hij hoort te spelen. Het zag er allemaal goed uit, maar nu stapelen zich donkere beheerderswolken aan de horizont af.

 

OCCUPE-TOI D’AMÉLIE auteur: Feydeau; regie: Jean-Pierre De Decker en Herman Gilis; met Els Magerman, Herman Coessens en het ganse gezelschap. Decor: Marc Cnops.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Johan Thielemans

Johan Thielemans stond mee aan de wieg van Etcetera. Hij doceerde aan de tolkenschool Gent en is nu gastprofessor theatergeschiedenis aan het Conservatorium van Antwerpen. Hij schreef boeken over Hugo Claus en Gerard Mortier, creëerde twee operalibretto’s en maakte uitzendingen over Amerikaanse cultuur voor Radio 3. Hij was ook voorzitter van de Theatercommissie en van de Raad voor Kunsten.

recensie