(A)

Alina Popa

Leestijd 10 — 13 minuten

Niemand spreekt

Nu en dan duikt de discussie over de relatie tussen ‘het politieke’ en kunst weer in alle hevigheid op. Vaak wordt die ongenuanceerd gevoerd: kunstenaars zouden zich te veel afzijdig houden van maatschappelijke onderwerpen. De Roemeense kunstenares en theoretica Alina Popa reageert tegen dit dictaat en schetst andere manieren om over kunst en politiek na te denken. Dit doet ze aan de hand van verrassende bronnen zoals het Xenofeministisch manifest.

Gia’… Ma il problema è ehe voi parlate di ‘altri’ universi come se, in fondo, quello ‘vero’ fosse pur sempre il nostro… E invece, molto probabilmente, questo strano, assurdo mondo è… un sogno di nessuno!

[Maar het probleem is dat jullie praten over ‘andere’ universa, alsof het ‘echte’ universum in se altijd al het onze was… Terwijl deze vreemde, absurde wereld hoogstwaarschijnlijk… een droom van niemand is!]

Storia di Nessuno

[Verhaal van niemand],

Dylan Dog

Een doortrapt excuus

Bij de recente discussies over politieke kunst waaraan ik deelnam ging het over een versterkt bewustzijn van de positie waaruit de kunstenaar spreekt, over de onthulling van de aard van zijn subjectiviteit en het perspectief dat daarmee gepaard gaat. Eind vorig jaar was er een debat in het vroegere Atelier 35, een onafhankelijke kunstruimte in Boekarest, gerund door Larisa Crunteanu en Xandra Popescu.Toen was de belangrijkste beklaagde, wat betreft een niet-emancipa-torische en weinig of niet politiek geëngageerde kunst, de kunstenaar die zijn reële positionering en zijn ware identiteitsperspectief niet problematiseert. De boodschap die moest worden overgebracht door de politiek geëngageerde kunstenaar diende ondubbelzinnig en zo duidelijk mogelijk te zijn. De kunstenaar die zijn perspectief als politiek subject niet terdege aanpakt en tot uitdrukking brengt, werd beschouwd als ‘sprekend vanuit het niets’. De kunstenaar mocht niet ‘in naam van niemand’ spreken, wat tegelijk een geloof onthulde in de mogelijkheid een directe boodschap over te kunnen brengen, onversluierd door enige mediëring.

Sinds Marshall McLuhans uitspraak ‘the medium is the message’ kunnen we onmogelijk nog denken dat we in een esthetische praktijk mediumloze boodschappen kunnen overbrengen. Zeker niet in een kunstsector die zich bezighoudt met mediëringsstructuren en waarvan de economische organisatie een nog sterkere hindernis vormt voor het doorsijpelen van de boodschap doorheen het medium. ‘Politiek geëngageerde kunst’ zou daarentegen bevestigen dat het mogelijk en wenselijk is om de esthetische vervorming te beperken tot geprefabriceerde, ingeblikte boodschappen (symbolen), waardoor kunst wordt gereduceerd tot een soort van transmissie, een wijze van uitzenden, in plaats van de kunst te zien als een productief over en weer bewegen tussen abstracte concepten en concrete percepties dat de structuur van de ervaring en het denken verandert. En dat is politiek, niet louter door de verschuiving van het perspectief maar ook door de verandering van de algehele schaal, wat uiteindelijk kan leiden tot een wijziging van het concept perspectief zelf.

Het bovengenoemde publieke debat over kunst en politiek overtuigde mij nog meer van de relevantie van het Xenofeministisch manifest, bedacht en geschreven door de groep Laboria Cuboniks. De slinks geuite ideeën van de xenofeministen (‘xeno’ in de betekenis van vreemd, afwijkend) zijn radicaal anders dan de gebruikelijke denkpatronen in de activistische, volkspolitieke kringen, die steunen op de herkenbaarheid van subjec-tiviteiten, directe actie, horizontalisme en micro-inter-ventie. Zij veroorloven zich te spreken als niemand, om een grootschalige actie en planning te eisen, om rationaliteit en universalisme te bevorderen. De xenofemi-nistische ideeën verschillen van die van een feminisme gereduceerd tot een op kritiek gebaseerde emancipatie, zij zien vervreemding als productief, in zoverre dat het feminisme vreemd gaat en artificieel intelligent wordt.

Ik heb bewust één aspect uit de discussie die plaatsvond in Atelier 35 geïsoleerd, waardoor alle andere perspectieven buiten beschouwing blijven, door het feit dat de heftigheid van het spreken-vanuit-het-niets-argument werd omgezet in een productieve taal, die alle zure kritiek overstijgt, zoals de opmerking oorspronkelijk bedoeld was. Ik ben geïnteresseerd in de manier waarop deze kritische intentie werd gesaboteerd door het medium, door de taal waarin ze werd geuit, en hoe deze mediatieke sabotage iets positief kan worden, zodat spreken vanuit de ether iets s

şmecher (Roemeens voor listig, red.) zou kunnen worden. Een voorbeeld van deze positivering vond ik, behalve in andere bronnen, in het ‘Xenofeministisch manifest’, met daarin de opeising van ‘het recht om te spreken als niemand in het bijzonder’. Spreken als niemand in het bijzonder lijkt een ketterij voor een normatieve benadering van politieke kunst, die recepten heeft ontwikkeld voor hoe men zich moet positioneren als een subjectiviteit in de kunstproductie. Tegelijkertijd is het evenzeer verontrustend kunst te transformeren in een uitzendsysteem van filosofische ideeën, hoe aantrekkelijk ze ook mogen zijn. Daarom interesseert ‘spreken als niemand’ mij meer als een strategie die in de artistieke praktijk kan worden ingezet, veeleer dan als een boodschap op zich. Als we spreken over spreken als niemand, vervaagt ‘iemand’, totdat het spreken spreekt namens ‘niemand’.

Bedrieglijke fictie

Kants a priori transcendentale structuren, die we als soort delen maar die dicteren en inperken wat mogelijk is, vormen de voorwaarden die het raamwerk van de ervaring reguleren en beperken. Op het politieke niveau kunnen ze ook worden beschouwd als de structuren die de politieke actie en de macht om te handelen vormen en daardoor beperken. Zij zijn de structuren die samenzweren op vele niveaus (ervaring, intuïtie, taal, denken) om ‘het mogelijke’ te verstrakken en verarmen, wat leidt tot de onmogelijkheid om bepaalde strategieën te hercon-textualiseren en ideeën over politiek, esthetiek en de mens te herdenken. Op het gebied van de taal hebben we als zeer duidelijk voorbeeld de succesvolle terminologie van de aanvragen voorfinanciering van emanciperende projecten en zelfs het academische jargon, dat leidt tot een soort van denken, ervaringen en politieke actie gereduceerd tot formules en recepten voorgeschreven door de staat, de bedrijven en het kunstsysteem. Politieke kunst maakt in het algemeen gebruik van een soort taal die niet verschilt van de taal die nodig is voor de aanvraag van fondsen voor gemeenschapskunst met geprefabriceerde boodschappen. Deze taal, als een goed gepolijst en perfect glas waardoor men naar verluidt een onverstoord zicht op de werkelijkheid zou hebben, sluit de vaagheid uit van een bevuild en troebel glas van de taal 2.0, waarvan de scherven meerdere perspectieven doorsnijden, met als gevolg een fragmentering en verwarring van het zicht en de zintuigen. Wat als deze overheersende taal zich zou mutileren tot een ‘horror-spraak’ die alle deadlines mist en alle fondsen mis loopt? Een taal die zichzelf zodanig verminkt, dat ze uiteindelijk spreekt, schreeuwt, huilt als niemand in het bijzonder.

Het ‘Xenofeministisch manifest’ is een moeilijke, soms militante, bijna cryptische tekst, waarbij de taal binnenstebuiten wordt gekeerd, met poëtische slaloms, filosofie en slang, coderingen en decoderingen, hack-tivisme dat wordt gehackt, gedachtenbochten in een topologische storm, met betekenissen die donkere neurowetenschappelijke effecten in het brein teweegbrengen. Het manifest is onderdeel van een bredere stroming van het herdenken van de linkerzijde door te kiezen voor vervreemding en acceleratie, geassocieerd met een strekking genaamd ‘links accelerationisme’.

Bij wijze van ontkrachting van de beschuldiging van elitarisme, die meestal wordt geuit tegen een speculatieve tekst die de kaart van het activistische terrein verstoort, geef ik een aantal redenen aan waarom het Xenofeministisch manifest door zijn soms cryptische taal, ongewild het hele idee van een manifest verstoort en verdraait. In het experiment van spreken en schrijven kan een tekst ontkiemen uit zijn eigen genre en zich articuleren als zichzelf, gecamoufleerd in zijn eigen stijl, zoals niemand gecamoufleerd is als iemand.

Het manifest begint met de ondertitel Zero, en hoewel de tekst een pleidooi is voor een rationalistische, representatieve en simulatieve wending van het feminisme, staat ‘zero’ voor de onmogelijkheid om gerepresenteerd te worden: nonrepresentatie-of de vrouw als ‘zero’, gereduceerd tot onzichtbaarheid in het dominante patriarchale systeem. Rationalisme is meestal gebaseerd op het feit dat alles kan worden gefunctionaliseerd, uiteindelijk worden teruggebracht tot mathematische functies (functionalisme), of op het meer algemene idee dat alles representatie is. Wanneer we ‘zero’ confronteren met rationalisme, graaft het manifest onbedoeld gaten (0) in zichzelf en verscheurt het zichzelf in productieve twijfels.

De cyberfeministen hebben de positie van de vrouw geassocieerd met ‘zero’ (nul), als leidster van de nonrepresentatie, en haar status met ‘niemand’, bedreven in camouflage en imitatie, met de machine en het cybercircuit of de matrix (Sadie Plant, Zeroes and Ones), met het abstracte geslacht van bacteriën die noch ego noch copyright kennen (Luciana Parisi, Abstract Sex) en met de afschaffing van het subject in het algemeen: ‘De niet-representeerbaarheid van de vrouw, haar status in de spiegeleconomie als niemand wordt positief begrepen als een “onuitputtelijke neiging tot nabootsing” waardoor ze “het levende fundament wordt voor de hele enscenering van de wereld”‘ (Amy Ireland, Black Circuit). Maakt niet die neiging van de vrouw het feminisme precies tot iets wat de schrijvende hand, van eender wie die probeert te schrijven als iemand, zou moeten verstoren, en elke impuls om zichzelf te manifesteren door middel van een manifest zou moeten ontluisteren?

Matrix-Mum

Schrijfster en filosofe Sadie Plant anticipeerde aan het eind van de jaren 90 al op een concept van de werkelijkheid als een verweving van virtualisaties en simulaties, waarbij perspectief bedrog is en de waarheid een truc. Maar Plant klaagt niet over simulacra, zoals de filosoof Jean Baudrillard. Het verschil tussen Baudrillards benadering van representatie of simulatie en Sadie Plants xenofeministische visie ligt in de positie ten opzichte van de begrippen werkelijkheid en waarheid.Terwijl Baudrillard betreurt dat de simulatie de werkelijkheid heeft begraven, dat nep en fictie de notie van waarheid hebben ondermijnd, ziet Plant mogelijkheden in het nonsubject als cyber-complicator van een gesimuleerde wereld, ontstaan uit nul (zero) en niet uit één.

Baudrillard verwijst naar een historisch en cultureel proces, dat van het modernisme, dat geleidelijk de werkelijkheid en de waarheid versluierd heeft, met als gevolg een verwarring tussen representatie en werkelijkheid. Er zijn evenwel wetenschappelijke theorieën die beweren dat deze verwarring productief is, en dat we zonder de verwarring een niemand zijn die niets weet. Simulatie is volgens deze theorieën iets fundamenteel dat voortkomt uit biologische processen, terwijl ze in Baudrillards visie uitsluitend voortkomt uit historische processen. Als we kijken naar het recente onderzoek in de filosofie van de geest en de neurowetenschappen, dan kan de subjectieve werkelijkheid het karakter hebben van de simulatie. De filosoof Thomas Metzinger bijvoorbeeld stelt in zijn twee boeken Being No-One en The Ego Tunnel, en ook in zijn recente studies over dromen, het bewustzijn gelijk met een simulatie of een droom. Het zelf blijkt een simulatie te zijn, een illusie, of een fenomenaal model, en de wereld toegankelijk via een tunnel die is uitgegraven in de werkelijkheid, die gevaarlijk groot is voor de menselijke ervaring. De transcendentale structuren, die het raamwerk van de ervaring bepalen, beperken ons niet alleen, maar het ontbreekt ze ook aan de ervaring van de horror van de werkelijkheid, onrepresenteerbaar door de beperkte spectra van de menselijke zintuigen. Stel dat we ons niet kunnen ontdoen van die tunnelvisie en mens blijven, dan kunnen we er in elk geval gaten in graven, listig graven, schuddend aan de fundamenten, met een schop vol concepten die het licht aan het eind van de tunnel niet zoeken maar de ‘tunnel aan het einde van het licht’ blootleggen, zoals SwampThing uit het gelijknamige stripverhaal wijselijk adviseert.

Als illusie en farce onontkoombaar zijn, kunnen we ze alleen maar strategisch blijven gebruiken en misbruiken. We kunnen ons bijvoorbeeld laten inspireren door de şmecheria (sluwheid) van de Roemeense manele-muziek-een muziekgenre uit de Balkan, waarvan de teksten niet zelden sluwheid prijzen. Als we graven in de ‘outer-nationale’ conceptuele en artistieke productie (‘outernationaal’, een term bedacht door de Roemeense kunstenaar Ion Dumitrescu, betekent wat globaal genomen niet zichtbaar is als gevolg van de structureel ongelijke systemen van zichtbaarheid), kunnen we kunstmatig geconstrueerde subjectiviteiten vinden. Een kunstmatig geconstrueerde subjectiviteit geeft haar herkenbaarheid op door zichzelf te verbergen in collectiviteiten en te werken onder verschillende namen, waarbij het concept en de belangen of de sociale groep de identiteit ontwortelen, tot op het punt dat de bestaande personen en stemmen ontraceerbaar worden. Dat is bijvoorbeeld het geval bij projecten zoals de publicatie Bezna [consistent darkness+diffuse fear], de collectiviteiten Postspectacle en het Bureau of Melodramatic Research, Unsorcery, Black Hyperbox, Romanian Dance History en nog veel meer. Deze projecten zijn op ontransparante wijze met elkaar verbonden door kunstenaars die op sluwe wijze wisselen van identiteit. Voorbij de specificiteit van deze voorbeelden zal de complexificatie van de gegeneraliseerde list op grote schaal komaf maken met ieder essentialistisch idee over subjectiviteit en menselijkheid. Niemand zal begrijpen wanneer we verder zullen gaan, naar buiten, waar de volledige automatisering zal leiden tot een wereld-zonder-ons, zoals in Dimension X, het radioprogramma uit 1950, in de aflevering There Will Come Soft Rains’ door Ray Bradbury. Voorbij de grens zal niemand nog een vrouwelijke stem uit het verleden horen, die elke ochtend het gedicht van Sara Teasdale uit 1920 ten gehore brengt: ‘No one would mind, neither bird nor tree. If mankind perished utterly’ (Niemand zou erom malen, noch vogel noch boom, als de mensheid compleet ten onder zou gaan). Maar hoe kunnen we ondertussen het kapitalisme verschalken zonder nostalgisch terug te gaan naar de noties waarheid en werkelijkheid, zonder kritiek en oppositie, maar door het dynamiseren van listen, door het instrumentaliseren van simulacra, door het opzetten van valstrikken en het ontketenen van de ‘zero’?

Niemand spreekt

Afrofuturisme, een reeds gevestigde esthetica binnen de culturele productie, eist op een sluwe manier de zwarte subjectiviteit op. De Afro-Amerikaanse (of Braziliaanse enz.) subjecten, de eerste levende handelswaar die werd vervoerd op slavenschepen via de Middenpassage tussen Afrika, Europa, Amerika en de suikerrietplantages op de Caraïbische eilanden, hebben als essentieel kenmerk de historische conditie van de vervreemding. In de Afrofuturistische producties wordt deze conditie geradicaliseerd, in zoverre dat de zwarte subjectiviteit zichzelf herconceptualiseert als een avant-gardistische, vreemde subjectiviteit, als de pioniers van de ruimte en het denken, die concepten en betekenissen naar de grenzen van het onbekende brengen, tot in het diepe, kosmische zwart. Op dezelfde wijze hebben feministen hun vrouwelijke conditie geradicaliseerd, als het niemand, het ‘zero’, dat wat zich buiten de symbolische orde plaatst die historisch telt, degene die imiteert, simuleert, nabootst en echoot in plaats van te spreken, die herhaalt in plaats van zich uit te drukken. Als de vrouw wordt gereduceerd tot het nulpunt van de nonrepresentatie, dan kan ze zich verheffen tot de conditie van dit nulpunt, tot de hoogten van het non-subject. Halfsynthetisch, half-menselijk, zoals te zien op de affiche van de tv-serie Humans (2015), de niemand-robot die het tweede protocol met het verbod op zelf-modificatie doorbrak, zoals in Gabe Ibanez’s film Automata (2014), of als een ‘replicunt’, zoals in Sadie Plants conceptuele constructie. Feminist is degene die zich kan veroorloven om in een list het subject op te geven, zoals Sadie Plant suggereerde in haar essay ‘Cyberfeminist Simulations’, in navolging van Luce Irigaray: ‘Als “elke theorie van het subject altijd wordt ingepalmd door het mannelijke’/ vóór de vrouwen in de buurt kunnen komen, kan alleen de vernietiging van dit subject volstaan.’ In deze radicale verwerping van het subject verliest ook het feminisme zijn naam feminisme en zijn identiteit.

No-one-ism (niemandisme)

Het neutraliseren van het subject en het vervreemdingsproces zijn nauw met elkaar verbonden, en geen van beiden hebben iets gemeen met essentialisme. In navolging van de Ierse beoefenaarvan MMA (Mixed Martial Arts) Conor McGregor, die een parasitaire manier van worstelen toepast, kunnen we zeggen: ‘Ik heb geen strategie. Als ik een strategie had, zou ik verliezen.’ Het ontbreken van een strategie en het niet herkenbaar zijn, wat een ramp is voor een artistieke carrière, is een soort van ‘creëren van een mist om je heen’ (Carlos Castaneda), rond iemands subjectiviteit, en impliciet rond iemands unieke perspectief.

Door te schuiven tussen strategieën wordt men een multiperspectivist in plaats van één enkel centraal perspectief aan te nemen, zoals bij het valse universalisme dat wordt gepromoot door de eenvormige, Europese, blanke, mannelijke visie. Door het verschuiven van de schaal wordt iemand (one) niemand (no one). Als je niemand bent, ben je niet gelokaliseerd, maar ben je zoals Ann Lee, het manga-personage ontworpen door een Japanse privéstudio en gekocht door de kunstenaars Philippe Parreno en Pierre Huyghe: een bot-performer zonder pupillen, buiten het bereik van iris-scandetectie, een omhulsel zonder geest. Beter Ann Lee voordat we de hedendaagse kunst binnentreden, dan Wonder Woman, liever nul dan één, spiegel eerder dan realiteit, echo eerder dan geluid, liever niemand dan iemand.

Het Xenofeministisch manifest kan je hier lezen: www.laboriacuboniks.net

Dit artikel verscheen oorspronkelijk, in uitgebreidere versie, op de website van het online magazine Revista Arta. Vertaald door Joris Wouters.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 10 — 13 minuten

#145

15.06.2016

14.09.2016

Alina Popa

Alina Papa laveert in haar kunstpraktijk tussen beeldende kunst, hedendaagse dans, theorie en tekst. Samen met Florin Flueras richtte ze Unsorcery op en met Irina Ghearghe The Bureau of Melodramatic Research. Ze neemt deel aan projecten zoals Black Hyperbox, Bezna. Postspectacle en Robin Hood Minor Asset Management.

artikel

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!