Middenveld, VRT en kunstenveld protesteren voor het Vlaamse parlement op 5 december 2019.

Leestijd 15 — 18 minuten

N-VA wil cultuur als hefboom voor metapolitiek

Reactie op het interview met Joachim Pohlmann in Etcetera 163

Joachim Pohlmann is niet zomaar een kabinetschef. Uit tal van verklaringen in de media kunnen we opmaken dat de voormalige speechschrijver van Bart De Wever zich profileert als een ideoloog die niet alleen een conservatief wereldbeeld koestert maar ook een voorvechter wil zijn van een ‘Gramsciaanse guerilla’, zoals hij het zelf noemde. Toch zijn de gesprekken waarin hij die dialoog open voert schaars, zeker sinds hij het mandaat van kabinetschef toegeschoven kreeg. Het is dus waardevol dat Etcetera dit debat aangaat en ook al blijft dat gesprek schijnbaar op de vlakte, toch komen daarin opmerkelijke vooronderstellingen aan bod over de tijd waarin we leven. Enige discoursanalyse is hier van belang voor het brede kunstenveld om een licht te werpen op de intenties achter – en op termijn misschien ook de consequenties van – de gevoerde Vlaams-nationalistische cultuurpolitiek.

Nieuwrechtse cultuurstrijd

Om eerst even het ruimere plaatje te schetsen: N-VA voert haar identitaire cultuurstrijd op verschillende fronten, van middenveld, media, onderwijs tot cultuur. In elk van deze domeinen probeert de partij in een tango met Vlaams Belang de macht naar zich toe te trekken door een greep te krijgen op de onderbouw, de hardware zeg maar, om zo de weg vrij te maken voor een omslag in de bovenbouw: de wijze waarop wij ons in onze regio de wereld, en hoe wij daarin samenleven, voorstellen en verbeelden. Die institutionele overname voltrekt zich binnen het kunstenveld door beleidsmandaten in de cultuurhuizen te claimen (‘de mars door de instellingen’ dixit Pohlmann) waardoor de Vlaams-nationalisten hun invloed in het lokale veld zelf systematisch willen verankeren. De aanstelling van Siegfried Bracke als voorzitter van het VAF, is daar een recent voorbeeld van. Niet meteen een cinefiel met expertise, voor zover mij bekend. Daarnaast merken we hoe N-VA, nu ze het cultuurbeleid onder haar bevoegdheid heeft, ondanks de coronacrisis ook pertinent aanstuurt op decreetwijzigingen die de beslissingsmacht doorschuiven naar het beleid (via instrumenten als beheersovereenkomsten en uitvoeringsbesluiten). Het stuur komt zo strak in handen van het primaat van de politiek – via de bestuursraden in de organisaties en via de regering van bovenuit – wat de vraag urgent maakt in welke richting de rit op termijn kan gaan.

“De verzuchtingen die Pohlmann drijven maken deel uit van het internationale, nieuwrechtse offensief voor de culturele hegemonie.”

Het interview in Etcetera 163 geeft hierin een vooruitblik: de verzuchtingen die Pohlmann drijven maken deel uit van het internationale, nieuwrechtse offensief voor de culturele hegemonie. Nieuwrechts, dat is een mix van neoliberale en conservatieve politiek die sinds mei ’68 als een reactionaire tegenbeweging op het naoorlogse politieke klimaat opgang maakt. Dat gaat natuurlijk veel verder dan een visie op kunst en cultuur: het gaat over een maatschappijvisie waarin kunst en cultuur een centrale rol spelen om tot een alternatieve, communautaire moderniteit te komen: een autoritair en dus antidemocratisch kapitalisme dat vanuit de multiculturele globalisering een doorstart wil maken naar een wereld waarin verschillende homogene, nationalistische staten met elkaar de concurrentie aangaan in de afbraakpolitiek van de sociale verworvenheden die sinds de Tweede Wereldoorlog zijn opgebouwd. Dat het discours van Pohlmann hierop aanstuurt, blijkt uit een aantal sentimenten de we ook bij veel andere rechts-conservatieve nationalisten terugvinden, hoewel die weliswaar elk soms andere accenten leggen. Toch hebben ze duidelijk eenzelfde project voor ogen: in essentie komt het neer op een verlangen naar het ombuigen van de sociale, emancipatorische strijd die onze samenleving structureert, en die voortkomt uit de sociaaleconomische tegenstelling tussen de werkende mensen en de financieel-economische elite, naar een klassenverzoening. Deze contrarevolutie, zeg maar, dient te gebeuren door het aanwakkeren van cultureel-identitaire tegenstellingen tussen groepen mensen: van etnie, gender, seksuele voorkeur, religie tot culturele achtergrond. Hoe die verdeel-en-heers mondiaal concreet in zijn werk gaat, kan je nalezen in de studie Nieuw Rechts (EPO) van cultuurwetenschapper Ico Maly.

Ondergangsretoriek

Eén van die aandrijvende sentimenten die duidelijk in het interview met Pohlmann aan bod komt, is een onbestemde ondergangsretoriek. De denkwereld van Pohlmann is blijkbaar in de ban van een trauma: sinds de moderniteit zou er iets grondig mislopen. Samen met het gezag van koning, kerk en adel is de hiërarchische leefwereld uit onze maatschappij verdwenen: de knieval voor een hoger gebod, de morele orde eigen aan zowel de klassieke als de feodale samenleving, waarin iedereen nederig zijn plaats kent en zijn onontkoombare rol te spelen heeft in relatie een groter organisch geheel, dat is erfgoed geworden. De moderniteit zou als gelijkmaker een proces in gang hebben gezet waardoor ‘waarden’ en ‘waarheid’ weggevlakt zijn, klinkt het. Onder waarden moet je dan de gemeenschapswaarden begrijpen die we zouden moeten delen binnen een natie, alsof Vlaanderen al een autonome staat zou zijn.

Voor Pohlmann is dus niet alleen ‘de postmoderniteit’ een vaag vijandsbeeld, ongeacht de vele invullingen die je daaraan zou kunnen geven. De moderniteit zelf, met inbegrip van de moderne en de hedendaagse kunst die hiervan als een veruitwendiging worden opgevat, heeft van een klassieke orde waarin de mens nog met overgave gericht stond op het transcendente, plaats moeten maken voor een wereld waarin individuen samen ijveren voor hun vrijheid en gelijkheid.

Hier speelt een aristocratische angst die je bij veel conservatieve denkers terugvindt: de mens is niet langer ondergeschikt aan de natie of de groep want door ‘de opstand der horden’ wil het plebs nu zo gaan leven zoals ze dat zelf gepast vinden. Die ‘chaos’ zou zelfs tot egalitair ‘totalitarisme’ kunnen leiden, het rode gevaar als groot doembeeld. De massa vocht zich vrij van de ‘natuurlijke’ orde, van de mal van de natie waarin de leider als een pater familias het hoofd van het lichaam is en het eengemaakte volk de handen en voeten. Deze angst bracht een anti-verlichtingstraditie op gang die emancipatorische momenten zoals de Franse revolutie, de Amerikaanse en de Russische revolutie of mei ‘68 als een ontsporing en een breuk opvatten. Waarom? Om het met Edmund Burke, de aartsvader van de conservatieven en tevens de huisfilosoof van N-VA, te zeggen: omdat daardoor traditie, autoriteit, law & order, geschiedenis en natie hoe langer hoe minder centraal komen te staan. Dat gaat gepaard met een verlies aan patriarchale macht en privileges.1 ‘Hiërarchie is noodzakelijk’, poneert Pohlmann op zijn beurt, ‘de idee van een horizontale wereld is een illusie.’

De geschiedenis als degeneratie

Een ander sentiment vinden we dus in de verhouding tot traditie en geschiedenis. De passie voor traditie en geschiedenis vertrekt in de denkwereld van Pohlmann niet zozeer vanuit een nieuwsgierigheid naar het verleden dat ons eventueel ook iets kan leren over hoe we vandaag en morgen kunnen leven, maar om het koesteren van iets dat verloren is gegaan en om een restauratie vraagt. Een degeneratie die bestreden moet worden. Deze geleden ‘nederlaag’ veroorzaakt voor conservatieven een identiteitscrisis. De geschiedenis wordt bijgevolg niet opgevat als iets vloeibaar en levend dat evolueert en dat je voortdurend terug in vraag kan en zelfs moet stellen. Het gaat veeleer om iets afgerond waar wij deel vanuit zouden maken en van waaruit we ook zouden moeten vertrekken om ons hedendaags leven en ‘onze manier’ van zijn en leven vorm te geven. Het gaat dus om iets dat in zijn geheel in gevaar zou zijn, een beschaving die verloren dreigt te gaan, ‘het avondland is al ondergegaan’, aldus Pohlmann.

Opmerkelijk is dat we de schuldige voor het verlies aan tradities en de wijze waarop de historische evolutie de voorgaande decennia verloopt volgens Pohlmann niet moeten zoeken in de ontwrichtende werking van het kapitalisme op alles wat van waarde is. Of in de pletwals van de Amerikaanse ‘westerse’ cultuur. Of in de commerciële eenheidsworst van Studio 100, in de mediapulp van HLN en het door Bart De Wever zo geliefde ‘volkse’ blad Dag Allemaal. Of in de morele en esthetische lompheid van zijn eigen politieke vrienden. Nee, de zondebok moeten we zoeken bij die ‘postmoderne linksen’, bij de multiculturele kosmopolieten (ook bekend als yogasnuivers, bakfietsbobo’s en moslimknuffelaars). Hier zie je opnieuw dat willen ombuigen of verschuiven van de focus van de economische tegenstellingen die ons bestaan bepalen (de werkende mens versus kapitaal zeg maar) naar culturele tegenstellingen (nationalist versus globalist).

“De passie voor traditie en geschiedenis draait in de denkwereld van Pohlmann niet zozeer om een nieuwsgierigheid naar het verleden, maar om het koesteren van iets dat verloren is gegaan.”

Zo wordt de angst van de aristocraat zoals zonet beschreven, gekanaliseerd naar een haat voor ‘de ander’. Het onbehangen dat sowieso speelt in elke maatschappij wekt een woedepotentieel op en dat willen nieuwrechtse ideologen afleiden. Het artificieel eengemaakte volk waarvan men droomt zou alvast geen schuld treffen, integendeel, het probleem zou buiten ‘ons volk’ liggen: er is iets dat ons klein houdt en ons ervan weerhoudt te excelleren, trots te zijn op onszelf. Dat probleem moeten we ook niet bij de financieel-economische elite zoeken, zij zouden een bondgenoot van het volk zijn. De focus wordt verschoven naar de progressieven, naar de ‘culturele elite’ werkzaam in de universiteiten de cultuurhuizen en de media. Niet de winstverslaafde markt zou verantwoordelijk zijn voor de globalisering en de migratiestroom die erop volgde. Nee, de schuld ligt bij een gedegenereerde groep ‘goedmensen vol zelfhaat’ waardoor ‘onze mensen’ bedreigd zouden worden door omvolking en ‘soumission’. Onze samenleving zou ziek zijn, ontaard, en het nationalisme kan dit genezen. In het herscheppen van een collectief conservatief-identitair bewustzijn, daarin zou de hoop zitten. De heilsweg is die van de hergeboorte van ‘de’ Vlaming, als Europeaan onder de Europeanen.

Dan hebben we het voor alle duidelijkheid niet over ‘het volk’ als al de mensen die op een bepaald grondgebied leven en die bepaalde grondrechten hebben (de Jakobijnse betekenis) of over het volk als de werkende klasse, de mensen die dus moeten werken om te kunnen leven (de marxistische betekenis), maar over de constructie van een morele orde: een identiteit die wij ons als inwoner van onze regio eigen zouden moeten maken. De identiteit die jij en ik zelf doorheen de jaren ontwikkeld hebben, die zou niet volstaan. Vlaams-nationalisten willen een andere identiteit aan ons opdringen zodat wij confirmeren aan hun project waarin zij de macht naar zich toe kunnen trekken. Noem deze identiteitscreatie gerust een beleidsmatige vorm van ongewenst gedrag.

In zijn columns sprak Pohlmann weliswaar zijn afkeer voor de commercialisering van de kunst uit – waarbij hij Marcel Duchamp tot Jeff Koons op één hoop gooit – maar dat valt eerder te begrijpen als poging om de legitimiteit van de hedendaagse kunsten, die inderdaad gebukt gaat onder de logica van de kunstmarkt, cynisch onderuit te halen als ‘ballonnenhondjes kunst’. Zo’n uithaal ziet N-VA blijkbaar als een culturele expertise waardoor je in aanmerking kan komen voor het mandaat als kabinetschef. Deze kritiek op de commercialisering lijkt nochtans eerder een kunstmatige geste van cultuurpessimisme aangezien Jambons cultuurpolitiek toch duidelijk vol inzet op vermarkting (u denkt ‘cultuurambassadeur’ en havenbaas Huts er zelf maar even bij) en via overheidssteun allerhande het publieke karakter van onze cultuursector net verder wil openbreken. In zijn visienota Cultuur omschrijft de Cultuurminister de kunstenaar als ‘een ondernemer an sich’ en decreteert: ‘subsidies ontslaan niemand van de verplichting marktconform te zijn’. Hier laat team Jambon dus weinig ruimte voor ‘meerstemmigheid’. Een tegengewicht tegen de sluipende commercialisering die Pohlmann aanklaagt, is dat alvast niet.

Erfgoed als hefboom

De nieuwrechtse flirt met onze geschiedenis door politici van Baudet tot Trump, dient dus om de cultureel-identitaire as te kunnen claimen, daar de aandacht op te kunnen vestigen en zichzelf zo als antisysteempartij in de markt te kunnen zetten. Terwijl ze op de sociaaleconomische as een radicaal rechtse, systeemversterkende politiek voorstaan. Kunst en cultuur komen zo als een speelbal in een ideologisch krachtenveld terecht, waardoor dan plots politici opduiken die zich willen laten opmerken via radicale uitspraken waarin kathedralen en klassieke stijlen vurig verdedigd worden, alsof daar onze identiteit zelve in vervat zou zitten, terwijl hedendaagse architectuur als iets ontheemd, zelfs identiteitsvernietigend wordt gebrandmerkt. Daarmee mag duidelijk zijn dat we het hier niet meer hebben over een smaakverschil, een discussie over esthetische voorkeur binnen de diversiteit die kunsten is. Het gaat om cultuurstrijd waarbij ons voorbestaan zelf op het spel zou staan. Belangrijk hierbij is dat het om een politiek project gaat dat van buiten de cultuurwereld komt en er zich aan opdringt, want deze nieuwrechtse verzuchtingen leven binnen de kunstensector zelf helemaal niet. Het is bijgevolg iets heel anders dan de emanciperende dialectiek binnen het culturele veld, zoals de dekoloniseringsbeweging, die van onderuit aanstuurt op een bezinning en heroriëntatie. Nieuwrechts grijpt die mediagenieke polemieken – Zwarte Piet, de kerstmarkt, Pipi Langkous, Antwerpse handjes, enzovoort – aan om zich te positioneren als de tegenpool van deze ‘cancel culture’ en die ‘weg-met-ons’ aspiraties, in de hoop om zo het ongenoegen te kunnen recycleren en zichzelf in de markt te zetten.

Volgens Theo Franken bijvoorbeeld, zouden jongeren vandaag onwetend zijn over ‘de geschiedenis van onze beschaving’ vanwege ‘een zelfdestructieve tendens’ in onze samenleving en met name aan onze universiteiten, zo schrijft Francken in zijn artikel ‘De kathedraalbouwers’ in het boek Identiteit, diversiteit en ‘Culture Wars’ (2019). In dat boek vinden we overigens een bijdrage terug van de nieuwrechtse ideoloog Sid Lukkassen, waarmee Pohlmann ook graag mee in gesprek ging in Cafe Weltschmerz. In zijn artikel schrijft Francken dat hij met heimwee terugdenkt aan de kloosterordes en kathedraalbouwers van duizend jaar geleden. Hij beschouwt ze als door het christendom geïnspireerde pioniers van een culturele omwenteling die een economische en maatschappelijke ontwikkeling op gang bracht. Maar daar maakten de barbaren een einde aan, aldus Francken. Volgens hem zitten we vandaag in een vergelijkbare situatie, eentje waarmee hij zich alvast wil identificeren. Nu zou het ‘identitaire nihilisme’ van mei 68 — een ‘bedreiging van binnenuit’ dus — ons ontworteld hebben. Daarom is een terugkeer geboden naar onze tradities en naar het ‘katholieke cultuurideaal dat onze ouders meegekregen hebben’.

Maar de jongeren worden nu aldus Francken op een dwaalspoor gezet. Op onze universiteiten leren zij niet meer hoe ze trots kunnen zijn op ‘onze beschaving’, maar dat ze die integendeel moeten zien als ‘een bron van schaamte’. ‘Onze beschaving dient gedeconstrueerd te worden en “gedekoloniseerd” en wat nog meer.’ Francken jammert nog even door:

‘Die ontwikkeling toont zich uitstekend in de wereld van de kunst en architectuur. De romaanse en gotische kunst vormen een synthese van oud en nieuw, maar hedendaagse kunst belichaamt net de overwinning op al wat eigen is. Onze hedendaagse architectuur wordt gebouwd zonder enige referentie naar het verleden, zonder identiteit. Het resultaat bestaat uit enorme, onherkenbare gebouwen waar we als vreemdelingen doorheen dwalen. Altijd tijdelijk, zonder verleden, ontworteld, thuisloos.’

Gelukkig is er aldus Francken nog de Notre-Dame van Parijs die — zoals de Vlaamse kathedralen en kerken — ‘een cultureel tegengif’ vormt. In een zoveelste Twittertirade deelde Francken weliswaar verkeerdelijk foto’s van het interieur van de Notre-Dame in … Montreal. ‘Kunnen we opnieuw iets achterlaten dat de tand des tijds kan overwinnen en dat mensen binnen duizend jaar zullen bezingen?’ mijmert Francken afsluitend, in koor met de traditie van het christelijke millennarisme. Wat die nieuwe synthese is, zullen we volgens hem ‘pas in 3019 weten’. De Bijbelse profetie van het duizendjarige rijk na de terugkeer van Christus en de versie die de nazi’s van dat rijk wilden maken, moet u er zelf maar even bij denken. Maar als N-VA het over erfgoed heeft, gaat dat duidelijk veel verder dan een conserverende zorg.

Gezagscrisis, voor wie?

Een ander opvallend sentiment in het denken van Pohlmann is de wijze waarop hij over autoriteit denkt. Dat zou vandaag als iets verdacht beschouwd worden, iets dat er niet meer mag zijn. Hij voelt zich geroepen die autoriteit terug te rehabiliteren. Via een canon bijvoorbeeld. Maar autoriteit is nochtans iets dat ontstaat vanaf het moment dat mensen iets naar waarde weten schatten en het gezag toedichten. Tekstgetrouwheid (en dus bij uitbreiding de canon) vereenzelvigt Pohlmann daarentegen met het aanvaarden van autoriteit, wat volgens hem gezag en hiërarchie betekent. Autoriteit is dus niet iets wat je krijgt en verdient, maar iets wat je oplegt of eenvoudigweg hebt. Maar als er vandaag in onze regio nog geen culturele canon als dusdanig in omloop is, dan moet je afvragen hoe dat komt. Dat gezag voor het opstellen van een toonaangevende verzameling binnen de lijnen van de Vlaamse regio is er blijkbaar niet. Nu wil N-VA vanuit een politieke intentie een canon laten opstellen om zo gezag te kopen en daarmee een Vlaamse identiteit te construeren. Opmerkelijk is ook dat de kabinetschef niet wil aangeven wat van die canon hij precies wil verdedigen. Er zou bij het repertoire immers een hogere macht als selectiecriterium in het spel zijn, namelijk een overlevering door de generaties heen, een wijsheid van de traditie zeg maar, en dat mythische beginsel zou op zich gezag scheppen ongeacht waar de inhoud van de canon voor staat. Canonieke teksten zijn dan interessant, niet om wat er in staat, maar ‘omdat ze schragend zijn geweest voor het natiebesef’, klinkt het. Door die finaliteit te benadrukken, maakt Pohlmann duidelijk waar het hem om te doen is. Zo blijft een pijnlijk gegeven buiten beeld, namelijk dat de meeste waarden van ‘onze’ culturele canon niet die van de N-VA zijn. De leeuw van Vlaanderen kwam er met steun van Koning Leopold en Conscience was een verdediger van de Belgische culturele identiteit waarin Vlamingen een gelijkwaardige behandeling moesten krijgen. Pieter Daens van Boon en de film Daens van Coninx gaan over de opgang van de arbeidersbeweging en het belang van syndicale solidariteit. Met de recente stakingsdag voor een beter loonakkoord op 29 maart 2021 werd helaas weer duidelijk dat de Vlaams-nationalistische partijen het sociale overleg en strijdbare vakbonden liever gewoonweg zien verdwijnen. Daens zou boos en verontwaardigd zijn.

De worsteling van Pohlmann met de veronderstelde gezagscrisis heeft alles te maken met de behoefte aan een houvast waaruit een machtspositie van witte suprematie kan opgetrokken worden. Als de kabinetschef over de geschiedenis praat, dan heeft hij het bijvoorbeeld duidelijk al meteen over ‘onze geschiedenis’ waarmee wij Vlamingen ons zouden moeten vereenzelvigen. Want aldus Pohlmann in het interview zouden niet alleen de minderheidsgroepen (lees = zij) pijn lijden door de confrontatie met reactionaire elementen uit ons erfgoed. Het zou ‘voor de meerderheidsgroepen in de zaal’ (lees = wij, witte mannen) even pijnlijk zijn om geconfronteerd te worden ‘met de zwarte bladzijden van onze geschiedenis.’ Op dezelfde manier zijn traditie en cultuur voor nieuwrechtse ideologen iets waar zij een identitaire claim op willen leggen om ze te kunnen inlijven in hun politiek project en om zo een demarcatie of ‘muur’ te kunnen optrekken tussen wij en zij.

“De worsteling van Pohlmann met de veronderstelde gezagscrisis heeft alles te maken met de behoefte aan een houvast waaruit een machtspositie van witte suprematie kan opgetrokken worden.”

Pohlmann zal je evenwel niet horen zeggen dat er geen multiculturele uitwisseling was in het verleden. Maar hij beschouwt onze cultuur wel al meteen als ‘onze’ homogene eigenheid via dewelke wij geworteld in de wereld zouden staan. Dat is voor hem een vertrekpunt. Een culturele traditie is voor hem niet iets dynamisch in tijd en ruimte, integendeel: het ‘heeft wortels en een vaste voedingsbodem, je kunt die niet zomaar afdoen als een sociale constructie’. Maar als cultuur en identiteit voor ons vandaag een sociale constructie is, iets wat Pohlmann en De Wever wel enigszins erkenden in krantenopinies, waarom zouden tradities dan geen constructies kunnen zijn van vorige generaties? En is een traditie ook niet iets dat de generaties nadien verder construeren?

Kortom, cultuur is voor de kabinetschef niet iets veelstemmigs buiten ons als individu, een gegeven iets dat wat wij zomaar onderling kunnen delen, uitwisselen of mee aan de slag kunnen gaan. Iets dat zich aandient als iets inclusief, een dialoog, iets dat een aanleiding voor bildung kan zijn. Hij ziet het niet als uitnodiging om gedeelde gevoelens en ideeën in te kunnen ontdekken die dan weer een aanzet kunnen zijn om andere mensen te ontmoeten. Cultuur dient daarentegen om een identificatieproces en unificatieproces mogelijk te maken. De inhoud ervan doet er niet echt toe, het gezag van het geheel wel. Dat zie je ook in de houding van N-VA ten aanzien van de ‘Vlaamse’ meesters: dit erfgoed moet dienen als pasmunt om de Vlaamse regio commercieel op de kaart te zetten, om een identiteit van ‘de’ Vlaming vorm te geven. Interesse voor de eigenlijke artistieke waarde ervan is er amper. Dat N-VA haar minister van Toerisme stuurde om de grote Jan Van Eycktentoonstelling in het MSK in Gent te openen hoewel de partij met de Minister-president ook de Cultuurminister levert, dat gebrek aan respect zegt op zich genoeg. Overigens, Rubens kwam uit Duitsland, Breugel uit Breda en Van Eyck uit het prinsdom Luik.

Cultuur als identitaire hosanna

In vraag stellen van wat waardevol is aan de canon, datgene waar Pohlmann blijkbaar voor huivert, is overigens eigen aan die canon. Dat proces gebeurt binnen die canon zélf en niet door ‘pomo linksen’ die alles zouden gelijkschakelen. Bijvoorbeeld Heiner Müllers Hamletmaschine die Shakespeare’s stuk herschrijft. De talloze Antigone’s die er in de loop van geschiedenis verschenen zijn, enzovoort. Het is ook veelzeggend dat de kabinetschef het postdramatische theater gratuit op de korrel neemt, zonder die kritiek concreet te maken op basis van voorbeelden. Daaruit leren we dat hij dat soort theater opvat als een veruitwendiging van het filosofische postmodernisme dat de klassieke teksten zou willen deconstrueren. Nochtans gaat het postdramatische theater over theater dat in zijn verhouding naar het publiek toe slechts de shift maakt van tekst naar affect, van woord naar beeld, van het opvoeren van een dialoog naar het voor de geest roepen van de inhoud van de tekst of een verhaal via een zintuigelijke beleving. Die esthetische ontwikkeling, waar bijvoorbeeld excellerende theatermakers zoals Jan Lauwers onze Vlaamse regio toch internationaal mee in de kijker hebben gezet, impliceert automatisch helemaal geen ‘gezagscrisis’ van de klassieke teksten. Integendeel, ze zijn er een extensie van, ze voegen er een hedendaagse vertaling aan toe. Ze verrijken de traditie, zetten die voort.

“Pohlmann wil de geschiedenis als iets afgerond conserveren om het vervolgens te kunnen herinneren als een bakermat. De klassieke teksten krijgen zo een functie in een hedendaagse identiteitsvorming van exclusie.”

Pohlmann wil ook de indruk wekken dat hij de Europese cultuur niet wil beperken tot een wit verhaal door te benadrukken dat hij het onderscheid tussen westers en niet-westers relativeert. Want we zouden niet in een vacuüm leven, ‘we zijn toch beïnvloed door het niet-westerse’ nietwaar? Het westen is inderdaad al eeuwen geobsedeerd door de exotische ander (de Arabier, de Chinees, de Afrikaan, …), wat niet betekent dat het erdoor beïnvloed wordt of zich er voor open stelt, integendeel. Pohlmann draait die verhouding liever om door het ‘universeel’ karakter van ons cultureel erfgoed al meteen te benadrukken ‘waar Japanners zo gefixeerd op zijn.’ Maar door het onderscheid tussen westers en niet-westers wat te relativeren en dus de interactie tussen culturen te erkennen, dat betekent natuurlijk nog niet dat je open staat voor een multiculturele interactie. Pohlmann wil de geschiedenis als iets afgerond conserveren om het vervolgens te kunnen herinneren als een bakermat, iets van waarde dat ons als nietige sterveling overstijgt, tevens een basis voor toekomstige segregatie. De klassieke teksten krijgen zo een functie in een hedendaagse identiteitsvorming van exclusie. Vandaar ook zijn kritiek op wat hij als een whitewashing van de geschiedenis omschrijft: een aantasting van de bakermat als statisch uitgangspunt. Maar als we de geschiedenis in functie van het heden terecht in vraag stellen, dan is dat iets anders dan ze herschrijven of opschonen of ‘het zinloos moraliseren van het verleden.’ Dan zoek je eerder naar de betekenis ervan in een hedendaagse context: hoe het verleden zich verhoudt tot het heden en wat dat expliceert inzake ons tijdsgewricht vandaag. Whitewashing, dat is eerder de selectieve omgang met onze voorgeschiedenis, waarbij we bijvoorbeeld de collaboratie en kolonisatie negeren of relativeren, en de aandacht zoveel mogelijk willen vestigen op de grootsheid van ‘ons’ verleden. Alsof wij daar eigenlijk persoonlijk verdienste aan hebben of aanspraak op kunnen maken. Pohlmann omschrijft de canon in het interview daarom als ‘houvast’, iets ‘ontstoffelijk, organisch gegroeid’. Hij vereenzelvigd zich er duidelijk persoonlijk mee, want morele bezwaren gaan maken bij het westers repertoire mogen we niet aanvaarden. ‘Dan heffen we onszelf op’, klinkt het. Hoezo, onszelf?

‘Onze hele Europese erfenis zit in de cultuur’, aldus Pohlmann. Het is ons ‘gedeeld referentiekader als Europeaan’ – zo wil hij dat we er tegenover staan, met de blik op het verleden, onze heimat, ‘een vaste voedingsbodem’ die moet dienen om Vlaanderen en Europa vorm te geven. Onze kabinetschef wil ons divers erfgoed zien als één transgenerationele culturele identiteit die vertrekt van onze Europese voorvaderen en waar patriotten doorheen de eeuwen voor gestreden hebben, van de Romeinen tot de Oostfronters. Pohlmann wil die erfenis niet alleen gebruiken voor een hedendaagse contrareformatie waarmee wij ons internationaal zouden moeten profileren – ‘want als er ergens een idee bestaat van de verbeelde gemeenschap Europa, dan is het in de cultuur’ – hij wil zich ook als beschermer opwerpen tegen de hedendaagse culturele elite die onze cultuur in gevaar zou brengen, ‘omdat ze alles gelijkschakelt’. ‘In de kunsten wil men zich eenvoudigweg niet meer verhouden tot macht en gezag, men wijst die begrippen per definitie af.’ Als generalisatie van de dag kan dat tellen. Veel kunst wil eerder de autoritaire invulling van macht en gezag tegen het licht houden, wat helemaal niet betekent dat ‘de kunsten’ die begrippen wil afwijzen, alsof het een of andere barbaarse, nihilistische meute zou zijn. Cultuurscheppers zijn voor zover mij bekend net heel intensief op zoek naar het creëren van waarde, van authentiek zeggenschap. Van invloed, reputatie, geloofwaardigheid en dus ‘gezag’ maar dan op basis van inhoud.

Dat de kabinetschef het belangrijk vindt erop te wijzen ‘dat theater en literatuur vandaag geen dominante verhalende krachten meer zijn’ illustreert andermaal dat hij niet bezig is met de inhoudelijke scheppende kracht ervan maar wel in de eventuele maatschappelijke impact van het medium. Anders gezegd, de ‘emanciperende potentie’ zoals hij het omschrijft, als propaganda-instrument. Pohlmann acht het blijkbaar essentieel dat kunstwerken ‘een breder elan’ hebben, dat ze aan massacommunicatie doen. En dan komt het: dan pas ‘…gaan ze een groter besef teweeg brengen van wat Vlaanderen is’. Het zal aan mij liggen, maar ik ken werkelijk geen cultuurmaker die met die finaliteit bezig is. Cultuur en onze identiteit mogen geen hefbomen worden om mensen te verdelen, zodat economische elites zonder veel weerwerk hun agenda kunnen uitrollen. Nieuwrechtse politici, die kunst en cultuur als een identiteitsmachine willen exploiteren voor de creatie van een homogeen volk waarvan zij dan de stem willen zijn, zetten vandaag complexloos de lijnen van onze cultuurpolitiek uit. Het zou niet alleen menig kunstliefhebber zorgen moeten baren.

1Of om het met de woorden van Bart De Wever te zeggen: ‘De Europese cultuur lijkt uitgeput. De hardware is er nog — grootse bouwwerken, kunstobjecten en instellingen als universiteiten vind je in elke grote Europese stad — maar de software hapert. Onze cultuur is doordrongen van een metafysische onrust. Het besturingssysteem crasht en Edmund Burke kan ons helpen te rebooten.’

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

opinie
Leestijd 15 — 18 minuten

#163

15.03.2021

31.05.2021

Robrecht Vanderbeeken

Robrecht Vanderbeeken is filosoof en vakbondsverantwoordelijke cultuurwerkers, ABVV-ACOD Cultuur. Samen met Ine Hermans (ACV Puls) redigeerde hij het protestboek Vlaanderen Excelleert!? dat uitkwam bij Epo Uitgeverij.

opinie

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!