IN MEMORIAM
Redactioneel Etcetera 182
Zoë Ghyselinck
© Nastia Krasinskaia
In Visies voor het veld vraagt Etcetera aan sleutelfiguren naar hun perspectief op de podiumkunsten van morgen, in aanloop naar de aanvraag voor werkingsmiddelen in december 2026. Wat loopt goed, wat moet dringend anders? Wat zouden ze veranderen als ze morgen een almachtige minister van cultuur waren, met onbeperkte middelen en bevoegdheden? Deze week: Audrey Apers, theatermaker, danser en performer en een zogenaamde ‘jonge maker’.
Ik bevind mij vandaag in het kunstenveld als ‘jonge maker’, gevormd door een traject dat zich grotendeels heeft afgespeeld binnen een netwerk van werkplaatsen, residenties en ontwikkelingsplatformen. Na mijn master Theaterregie aan het RITCS kwam ik terecht in een landschap zonder één duidelijke instap: eerder een opeenvolging van tijdelijke structuren die samen een praktijk mogelijk maken.
Ik weet dat veel makers op zoek zijn naar diezelfde vormen van ondersteuning die ik heb mogen ervaren. Dat besef brengt ook een ongemakkelijke spanning met zich mee: de vraag of je één van de ‘happy few’ bent, en als dat zo is, hoe lang je die positie kan vasthouden. Ik ga vanuit die dubbele realiteit een poging doen om de noodzaken en de valkuilen van dit landschap zichtbaar te maken; wat werkt er, wat draagt me, wat ontbreekt er, en wat zou er meer moeten zijn?
Na mijn afstuderen kreeg ik de kans om mee te doen aan Shake Your Skills, een twee weken durende residentie ter ondersteuning van jonge makers georganiseerd door Kunstencentrum Buda en detheatermaker. Shake Your Skills zet in op uitwisseling: drie Vlaamse makers gaan in dialoog met drie Franse makers. Je luistert naar elkaars ideeën, deelt materiaal, krijgt expertise van verschillende mensen in het veld en de kans om elkaar in te zetten om je werk te verdiepen. Voor de residentie teken je een contract onder cao-normen, krijg je onderdak in Kortrijk, lunch bij Buda, begeleiding door een coach, en ook de organiserende partners zijn aanwezig en betrokken.
Die ingrediënten zorgen voor een omgeving waarbij je je als maker gedragen voelt. Er worden niet enkel sleutels overgedragen van een werkruimte, er wordt zorg gedragen voor uitwisseling. Sommige makers, zoals mezelf, stonden aan de prille start van een nieuw project; anderen zaten in de laatste montagefase van hun werk. Daardoor lagen er verschillende vragen en noden op tafel, wat ervoor zorgt dat niet iedereen met dezelfde paniek naar dezelfde middellen op zoek is.
“Veel makers zijn op zoek naar dezelfde vormen van ondersteuning die ik heb. Het brengt een ongemakkelijke spanning met zich mee: de vraag of je één van de ‘happy few’ bent, en als dat zo is, hoe lang je die positie kan vasthouden.”
Er zijn best wel wat residentieplekken om als jonge maker te werken, maar een plek te creëren die echt ruimte geeft aan onderzoek en uitwisseling vraagt veel middellen.
Dit soort van werken overstijgt op een bepaalde manier het klassieke idee van resideren, waarbij iedereen individueel met eigen ploeg aan de creatie werkt. Het lijkt mij de moeite om meer van zulke collectieve uitwisselingsplekken, laboratoriums, onderzoeksruimtes, te laten bestaan, ver weg van gestroomlijnde productiedruk. Ik denk dat er door deze gedeelde ruimtes spannendere producties zullen ontstaan, waarbij (jonge) makers al spelende kunnen blijven onderzoeken.
Bijkomend heeft deze residentie ervoor gezorgd dat ik mijn project kon voorstellen aan partners die nadien ook daadwerkelijk coproducenten zijn geworden van de creatie. Ik denk oprecht niet dat ik dit had kunnen klaarspelen in één of andere koffiebar met een veel te dure flat white en luide muziek op de achtergrond.
Ik begeef me momenteel middenin een driejarig traject van detheatermaker. Bij de start van het traject tekenen zowel maker als organisatie een overeenkomst waarin bepaalde verwachtingen neergeschreven staan over de artistieke en zakelijke ondersteuning die je krijgt, hoe vaak je daarop beroep kan doen en bij wie, welke residenties er zijn in het traject, welke omkadering er wordt aangeboden in het coproduceren of volledig produceren van een productie.
De trajecten zijn individueel, maar door die algemene overeenkomst probeert de organisatie wel een bepaalde transparantie te creëren. Ook als maker word je verwacht om aanwezig en betrokken te zijn in een uitwisseling en je zo te engageren voor deze manier van werken. Die openheid in communicatie zorgt ervoor dat de organisatie minder hiërarchisch overkomt en dat je als maker durft aan te kloppen met vragen, zodat er ook daadwerkelijk ondersteuning op maat kan plaatsvinden.
Er zijn ook werkweken waarbij alle trajectmakers (betaald) worden uitgenodigd en er thema’s aan bod komen als auteursrechten, begrotingen, loonsberekeningen, spreiding: alles waar je als pas afgestudeerde maker vooral niet mee wil bezig zijn, maar wel op je bord krijgt.
Wat detheatermaker uniek maakt is hun engagement over een langere periode — iets wat voor veel startende makers geen evidentie is. Het zorgt ervoor dat er continuïteit kan ontstaan in het ontwikkelen van werk en dat je vertrouwen stap voor stap kan opbouwen. Doordat de structuur helder, langdurig en ondersteunend is, kan ik me concentreren op mijn artistieke praktijk in de breedst mogelijke opvatting van de term.
“Trajecten die echte continuïteit bieden voor startende makers zijn schaars.”
Trajecten die echte continuïteit bieden voor startende makers zijn schaars. Veel jonge makers verplaatsen zich noodgedwongen van plek naar plek, telkens opnieuw aanknopend bij tijdelijke initiatieven. Dat gebeurt vaak binnen de vele work-in-progress formats, waar fragmenten van werk getoond worden, of binnen trajecten die éénmalig de kans bieden om een productie te maken. Die kansen zijn wel waardevol, maar brengen ook hun eigen problematiek met zich mee: de prestatiedruk is soms te groot, waardoor het maken zelf onder spanning komt te staan en het proces een alles-of-nietsgevoel krijgt.
Er bestaat vandaag een breed landschap aan presentatie- en ontwikkelingsplatformen. Samen vormen ze geen doorlopende lijn, maar eerder een gefragmenteerde en soms precaire infrastructuur waarin jonge makers zich een weg proberen te banen. Het zijn langs de ene kant noodzakelijke bouwstenen: ze maken ontwikkeling zichtbaar, creëren eerste ontmoetingen met publiek en bieden ruimte voor experiment. Maar die momenten van zichtbaarheid zijn vaak kort en geïsoleerd, en worden vaak voorafgegaan door een aanzienlijke hoeveelheid onbetaald werk. Wat ontbreekt zijn duurzame trajecten die makers toelaten om verder te bouwen, structuren die de potentie van makers ook op langere termijn kunnen dragen.
Dit geldt ook voor productiehuizen zoals Kunstenwerkplaats, dat zich als één van de weinige zelfstandige productiehuizen engageert om makers te ondersteunen binnen het professionele kunstencircuit, voor zowel ontwikkeling als productie. Het gevolg van de schaarste aan ondersteuning is dat deze organisatie met een team van vijf de productielast van heel veel jonge makers draagt en daardoor onder grote werklast bergen werk verzet.
Schaf het woord ‘talent’ af. Of toch minstens de manier waarop we het vandaag gebruiken: opkomend talent, aanstormend talent — alsof een kunstenaar een tijdelijk fenomeen is dat snel moet doorbreken voor het weer verdwijnt. Die terminologie legt een enorme druk op beginnende makers om zich meteen te bewijzen, om zichtbaar te zijn, om te ‘landen’ nog voor ze de tijd hebben gehad om te zoeken. Het veld lijkt daardoor op een marktplaats waar het ene talent het andere opvolgt.
Maar theater ontstaat niet uit geïsoleerde talenten. Ze groeit in dialoog, in samenwerking, in tijd. Door te blijven focussen op het individu als drager van potentieel, blijven we een achterhaald beeld van de kunstenaar als alleenstaand genie reproduceren. Misschien moeten we het idee van talent verschuiven: weg van het individu, meer richting wat er ontstaat tussen mensen. Niet het talent vieren, maar de bondgenootschappen die werk mogelijk maken.
“Het klassieke ensemble lijkt verdwenen, maar er ontstaat vandaag een andere vorm van continuïteit: een informeel netwerk van artistieke bondgenoten.”
Want in de praktijk zijn het precies die relaties die het verschil maken. De mensen met wie je terugkeert naar de studio, met wie je een taal ontwikkelt, met wie je kan zoeken zonder onmiddellijk resultaat. Het klassieke ensemble — een vaste groep met structurele verankering — lijkt verdwenen, maar er ontstaat vandaag een andere vorm van continuïteit: een informeel netwerk van artistieke bondgenoten.
Binnen een gefragmenteerd en projectmatig veld probeer ik bewust te bouwen aan zo’n artistieke gemeenschap. Niet als vaste structuur, maar als een collectief waarin samenwerking, vertrouwen en herhaling centraal staan.
Dat staat haaks op een systeem dat vooral beurzen aanbiedt aan individuen en projecten, en zelden langdurige relaties ondersteunt. Toch is het precies in die relaties dat een artistieke praktijk zich kan verdiepen. Misschien moeten we stoppen met het benoemen van ’talent’, en beginnen met het erkennen van wat zich tussen mensen afspeelt. Want duurzaamheid in de kunsten zit niet in wie er maakt, maar in hoe we samen blijven maken.
Ik had laatst een gesprek met een collega-maker en we botsten beiden op dezelfde barrières als het gaat over de spreiding van ons werk. We hebben beiden een praktijk die zich situeert tussen theater, beweging en beeldende kunst, en creëren universums die een bepaald onderwerp met gelaagde beelden op scène vertalen. Kortom: werk dat zich niet in één hokje laat vangen zowel niet in vorm als inhoud.
“Ik stel me soms de vraag: voor wie maken we werk als herkenbaarheid belangrijker wordt dan verbeelding?”
Na het insturen van de registratie van de voorstelling naar een cultuurcentrum kreeg deze collega te horen dat ze dit theaterseizoen enkel nog maar ‘publiekstrekkers’ kunnen programmeren. Dit hoewel de programmator het een kwalitatieve voorstelling vond en vele lovende reacties had gehoord. Maar wat bedoelt men eigenlijk met ‘publiekstrekkers’? Dat er minstens één, maar liever twee bekende Vlamingen op scène moeten staan? Dat een voorstelling onmiddellijk leesbaar en behapbaar moet zijn? Of dat men enkel gevestigde makers kan programmeren die, toen er nog wel ruimte was voor experiment, wel hun publiek bij elkaar hebben kunnen sprokkelen? Want ik stel me soms de vraag: voor wie maken we werk als herkenbaarheid belangrijker wordt dan verbeelding?
Als maker moet je niet alleen creëren, maar moet je je ook zo snel mogelijk weten te ‘positioneren’ in het veld, een logica waarin je, als je wil touren buiten de grootstedelijke context, steeds minder ruimte hebt voor experiment. Maar als we als sector blijven inzetten op een constante herhaling van herkenbare formats en gezichten, creëren we een soort algoritmische programmatie die vooral bevestigt wat we al kennen. Terwijl theater net een plek kan zijn voor het samen betreden van werelden die we nog niet begrijpen.
Ik weiger te geloven dat mijn werk te complex, te moeilijk of onleesbaar zou zijn voor het publiek van de Vlaamse cultuurcentra. Telkens wanneer ik — met mijn eigen werk of als performer in dat van anderen — de kans kreeg om buiten de centrumsteden te spelen, ontmoet ik een opvallend open en genereus publiek dat net de meerlagigheid van het werk omarmt.
“Als maker moet je niet alleen creëren, maar moet je je ook zo snel mogelijk weten te ‘positioneren’ in het veld, een logica waarin je, als je wil touren buiten de grootstedelijke context, steeds minder ruimte hebt voor experiment.”
Een voorbeeld van hoe het wel kan: mijn voorstelling Under Your Spell werd onlangs geprogrammeerd in theater Antigone het kader van de West-Vlaamse samenwerking Mainstream. Mainstream is een platform dat “elf unieke theatermakers onder de loep neemt die eigenzinnig, prikkelend en ontroerend werk brengen over de positie van de vrouw* in deze tijd”.
Wat Mainstream bijzonder maakt is een drieledige aanpak:
1. Voor-gesprekken (begeleid door podcastmaker Anke Van Meer en schrijver, maker en denker Carolina Maciel de França) waarbij makers de kans krijgen om het publiek te ontmoeten en zo thematieken te bespreken of om over bepaalde vragen in dialoog te kunnen gaan.
2. Een sterkere inhoudelijke omkadering, waarbij voorstellingen via gedeelde thematieken — zoals vrouwelijkheid — met elkaar worden verbonden, zodat nieuwe makers mee gedragen worden binnen een groter geheel.
3. Een samenwerking tussen verschillende culturele partners in de regio (CC De Steiger, Schouwburg Kortrijk, Antigone en Avansa Mid- en Zuidwest) die door hun samenwerking de zichtbaarheid vergroten en zo ook publiek tot in de zaal krijgt.
Mainstream probeert daarmee een omgeving te creëren waarin nieuw werk niet geïsoleerd blijft, maar kan groeien, resoneren en ook een niet-grootstedelijk publiek werkelijk bereikt.
Bij het lezen van eerdere Visies voor het Veld is spreiding een problematiek die al door zowat iedereen is benoemd, en uitgebreid door Wouter Hillaert die daar ook tal van geweldige fantasieën rond heeft. Hij stelt ook voor om met alle partijen een weekend het bos in te trekken en ik ga dan ook graag in op deze uitnodiging.
Ten slotte wil ik graag een klein eerbetoon houden voor plekken zoals Decoratelier, Bodies in Space, Volta, ANAL Pompidou en zovele andere initiatieven in Brussel die essentieel zijn om een kunstenveld levend te houden. Elk op hun eigen manier beheersen ze als geen ander the art of hosting art. Het zijn geen klassieke podia, maar tussenruimtes waar werk nog niet vastligt, waar iets kan ontstaan zonder dat het zich meteen moet bewijzen.
Wat mij ooit naar het veld lokte was het onverwachte, de ‘what the fuck heb ik net gezien?’-ervaring. Dit soort werk ontstaat zelden binnen grote structuren, maar leeft in deze marges, op plekken waar het resultaat nog niet vooraf bepaald is en waar de relatie tot publiek directer, rauwer en minder voorspelbaar is. En wees maar zeker dat het publiek aanwezig is. Anal Pompidou is sinds de start afgelopen zomer 2 à 3 keer per week uitverkocht — en neen, daar zitten niet enkel een paar collega’s uit de kunstensector te navelstaren naar elkaar, maar een gevarieerd publiek die met een glas wijn in de hand graag mee de internationale Brusselse performancescène komt ontdekken.
“Zonder plekken als als Decoratelier, Bodies in Space, Volta of Anal Pompidou verschraalt het landschap tot wat al werkt, al verkocht raakt, al begrepen wordt. Dan verdwijnt de ‘what the fuck heb ik net gezien?’-ervaring, en daarmee ook de mogelijkheid tot echte verschuiving.”
Deze plekken zijn vaak ondergefinancierde initiatieven, maar ze nemen een enorme verantwoordelijkheid op. Niet alleen omdat ze experiment mogelijk maken, maar omdat ze een ander soort vertrouwen belichamen. Hier zijn er mensen die durven kiezen voor wat nog niet bewezen is. Die risico nemen zonder garantie op succes.
Zonder deze plekken verschraalt het landschap tot wat al werkt, al verkocht raakt, al begrepen wordt. Dan verdwijnt de ‘what the fuck heb ik net gezien?’-ervaring, en daarmee ook de mogelijkheid tot echte verschuiving.
Dus graag meer van dat. Naar een veld waarin het mogelijk is om iets te maken waarvan je zelf nog niet weet wat het is. Waar de vraag ‘werkt het?’ even mag wijken voor ‘wat gebeurt hier?’, omdat enkel daar, in dat onzekere en radicale, de toekomst van de podiumkunsten ligt.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.
Wat is de toekomst van cultuurspreiding in Vlaanderen? De nieuwe Strategische Visienota Kunsten van minister Caroline Gennez wil expliciet meer inzetten op spreiding in landelijke gebieden en een breed bereik.
Moderator: Ciska Hoet. Panel: onder andere Wouter Hillaert (cultuurjournalist), Rolf Quaghebeur (kabinetsadviseur bij Minister van Cultuur Gennez)? Andere namen worden snel bekendgemaakt.