© Marc Domage

Kristof van Baarle

Leestijd 5 — 8 minuten

Moving in Concert – Mette Ingvartsen

Een lichtchoreografie

Negen dansers in spandex maillots vinden op het podium hun weg naar een Tl-buis, die vervolgens begint op te lichten. Als toortsen, of theaterspots richten ze de lampen op hoeken en kanten van de scène. Links op dat podium kletteren er zwart-bruine korrels uit een buis op het podium. Die korrels vormen al een eerste contrast met het slick design van de maillots en tl-buizen. Het versterkte kletteren van de korrels wordt aangevuld met een soundscape van beats en andere elektronische geluiden. Nog zoiets wat eruit springt is die ene danser met een roze in plaats van een oranje outfit en wellicht het meest weerbarstige element is een soort kronkelige staf. Die organische elementen – de houten, bochtige staf tegenover het cleane witte, rechte van de tl-buis – doorbreken de haast steriele, berekende esthetiek die we uit de recente Ingvartsen voorstellingen kennen. De lichtbuizen doen lichamen en gezichten verdwijnen en verschijnen. Ze vormen ook mooie formaties, gaande van de geometrische lijn, tot de kronkel, tot meer grillige, organische structuren.

Nadat ze als fakkels gehanteerd werden, nemen de dansers de buizen tussen twee handen en komen ze tot elkaar om groepsstructuren te vormen. Licht wordt hier de verbindende factor – een stemmetje in mijn hoofd roept: ‘de verlichting!’, een ander stemmetje: fiber optic kabels die het internet vormen, of de lampen uit de eerste transistors. Een cirkel, een trapezium, een rechthoek, en meer hoekige constellaties die dankzij de grafietkleur van de korrels doen denken aan koolstofverbindingen en andere bolletjes-en-staafjes-opstellingen uit de chemielessen van weleer. De balanceeroefening om de vormen vloeiend samen te houden, resoneert met een woord waarover de dansers – reeds in kostuum – in de inkomhal kwamen vertellen aan het wachtende publiek: tensegrity, een samentrekking van tension en structural integrity dat duidt op een stabiliteit van structuren die ontstaat uit continue trek- en duwkrachten. Opnieuw komt deze lichtchoreografie tot stand door een even strakke, vlotte choreografie van de dansers, een nogal letterlijke vertaling van tensegrity van de architectuur naar de scène: de lichtstructuur blijft samen, door het krioelen, doorgeven, en in spanning houden van de dansers. Dan spatten ze uiteen, alsof het atoom gespleten wordt en de elektronen als vrije deeltjes beginnen te spinnen. Het licht wordt hier een beeld van energie, van flitsen en niet-aflatende beweging. De dansers draaien rond hun as met de buis boven het hoofd geheven, tussen beide handen. Een volgende shift brengt weer bochten en beweging en formaties die aan andere lichtfenomenen doen denken: vonken, vuurwerkstokjes, foto’s van verkeer, genomen met trage sluitertijd, …

Naar het einde toe, arriveert de groep dansers en buislampen bij de bruin-zwarte korrels en kruipt onder de continue stroom van materie. De korrels klinken niet meer langer als kiezels die vallen, maar als een regenpijp, opnieuw een organische variant op de anorganische tl-buis (het blijken een soort linzen te zijn). Gevoed door deze versmelting tussen het organische en het artificiële, komt de cluster dansers-lichtbuizen weer samen en beweegt hij naar het publiek toe. Hun gezichten komen weer meer in het licht, de huid, en de ogen die in het publiek turen. Een nieuwe fase lijkt zich te openen, dat vertelt de – iets te letterlijke – soundscape ons. Een vrij danser-lichtbuisdeeltje wint nog aan energie rechts achter op de podium en begint sneller te spinnen en dan: licht uit.

Er zijn twee manieren om naar Moving in concert van Mette Ingvartsen te kijken. Ofwel neem je de voorstelling zoals ze zich aandient, ofwel begin je te kijken vanuit het kader dat Ingvartsen zelf aanreikt in programmaboekjes en zo meer. In het eerste geval doet deze choreografie sterk denken aan het werk van beeldend kunstenaar Dan Flavin, die in jaren zestig bekend werd omwille van zijn minimalistische werk met tl-buizen. Ook toen werd dit artificiële licht al wel eens geconfronteerd met organische materie. Moving in concert is dan een soort ‘Dan Flavin in beweging’. Minimalistisch, even strak als de tl-buis zelf, met variërende kleuren en in variërende constellaties. Flavin creëerde ook ruimtes, enerzijds letterlijk in meer architecturale opstellingen van de lichtbuizen, en subtieler, door de manier waarop hij het licht structureerde in meer sculpturale installaties.

Moving in concert is dan werkelijk een lichtchoreografie. En dat zie je ook in de bewegende patronen, de lijnen, vormen. Een sculpturale blik werkt hier ook, wanneer je puur naar het materiaal zou kijken: tl-buizen, een houten stok, linzenkorrels, lichamen, spandex pakjes. Zo komt het neer op de heldere tegenstelling tussen artificieel licht en kunststof maillots en organische lichamen, linzen en hout. De voorstelling is dan een verkenning van die verhouding, van afstand tot versmelting. De vergelijking met en de vertaling naar de scene van de lichtsculpturen van Flavin leidt evenwel tot een ambigue resultaat. Het risico is dat je snel uitgekeken bent op deze choreografie omdat de principes meteen vrij duidelijk zijn en de variaties niet onverwacht. Anderzijds – en dat is ook telkens weer mijn ervaring bij het werk van Flavin – is dit duidelijk goed gemaakt en daardoor aangenaam om naar te blijven kijken. Ingvartsen verstaat de kunst om een heldere choreografie en opbouw in elkaar te steken, maar ook dat is opnieuw ambigu. Die gladde esthetiek biedt weinig weerstand en neem je dus gemakkelijk tot je, is dat ook niet dat waar Apple en consoorten een patent op hebben?

Dat brengt me bij die andere lezing, vanuit de gecommuniceerde intenties. Moving in concert is, na een reeks over artificial nature en een over seksualiteit, een eerste deel van een reeks rond technologie vandaag. Wanneer je zo begint te kijken naar de voorstelling, dan zie je de lampen nog iets meer als beeld van technologie, en roept de groepschoreografie beelden op de van peer-to-peer netwerken, of van machines die bewegingspatronen van reptielen en insecten reproduceren, of de ‘hive mind’. De relatie tussen de danser en de lamp en bij uitbreiding tussen het organische en het kunstmatige, zou dan metaforisch kunnen worden voor de relatie tussen mens en technologie. Dan evolueert de lamp inderdaad van werktuig (belichting), naar verbindende technologie die dominanter wordt, maar toch niet in die mate dat het de mensen onzichtbaar maakt (bijna het internet, maar zeker niet het internet der dingen) en dan loopt het toch een beetje spaak. Veel verder brengt het frame van een onderzoek naar technologie je als kijker niet. Als je de voorstelling puur op basis daarvan zou beoordelen, zou je zelfs kunnen zeggen dat er weinig of geen onderzoek te bespeuren valt. De vraag is dan: is dat wel fair, heb je het dan wel werkelijk over de voorstelling die je gezien hebt? De spanning tussen discours en het werk zelf is interessant bij deze voorstelling, omdat ze deel uitmaakt van het dubbele gevoel waarmee je na Moving in concert achterblijft.

Je komt in een bizarre situatie terecht als toeschouwer die graag kritisch naar de wereld kijkt en tegelijk kunstwerken graag op basis van de parameters die zelf aanreiken probeert te lezen. Dit werk biedt geen kritiek, maar het vraagt er ook niet om. Het is een soort reproductie – niet enkel van Flavin, maar ook van een bepaalde consumptieverhouding. En toch kan ik het niet zomaar afdoen als een betekenisloos product, daarvoor zit deze voorstelling te goed in elkaar en vooral te dicht op de lichtheid waarmee zoveel mensen omgaan met technologie, met consumptie, sociale media, data, of met binge watching. In zijn gladheid en kwaliteit toont Moving in concert de afwezigheid van kritiek in het grootste deel van de maatschappij, hoe zoveel dingen gewoon ‘aanvaard’ worden. Wat verwart en kan afstoten, is dat Ingvartsen dat schijnbaar doet zonder zelf die kritiek te leveren. Dan komen we toch weer bij Dan Flavin: mooi, duidelijk, goed gemaakt, maar zonder randje.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#158

15.09.2019

14.12.2019

Kristof van Baarle

Kristof van Baarle schreef recent een doctoraat aan de Universiteit Gent over het posthumanisme in de podiumkunsten. Momenteel is hij verbonden aan de Universiteit Antwerpen, werkzaam als dramaturg voor Kris Verdonck 
(A Two Dogs Company) en deel van de kleine redactie van Etcetera. 

recensie