Leestijd 6 — 9 minuten

Miniatures théoriques

Boek

Ach, daar hebben we ze weer, die bolhoeden en die versleten bottines! Die (al dan niet lege) stoelen! Hups, daar gaan de spelers uit de kleren! In chique opvoeringen mogen de natuurelementen niet ontbreken: regen, sneeuw, mist, of een onder water gezet toneel… Te pas en te onpas verschijnen ze: de gemeenplaatsen van de hedendaagse enscenering. Het zijn stereotypes of clichés die door de Frans-Roemeense theaterdeskundige Georges Banu besproken worden in een prikkelend boekje met de titel Miniatures théoriques. Er zou nog een hele reeks aan toegevoegd kunnen worden: tot de onmisbare rekwisieten behoren onder meer ook reiskoffers (immigranten, nomaden), ouderwetse typemachines (bureaucratie), rolstoelen (seniliteit, impotentie). Of maffiosikostuums (voor alles goed, maar voornamelijk voor booswichten). Over de trends in de kostumering heeft Banu het overigens nauwelijks – nochtans een rijk gebied voor gemeen- plaatsen in de hedendaagse regie, denk maar aan al die ‘tijdloze’ kleding (meestal geïnspireerd door de mode uit de jaren dertig of vijftig!) die paradoxaal genoeg de ‘actualiteit’ van een opvoering dient te benadrukken.

Zijn het modeverschijnselen? Of tics, zo je wil? Volgens Banu hebben ze net als in de mode een beperkte levensduur: vijf tot vijftien jaar. Nu zijn bijna alle voorbeelden die hij aanhaalt en analyseert veel ouder: vele, zo niet alle, kenden hun glorietijd al tijdens de jaren zestig. Recent daarentegen is de alomtegenwoordigheid van video. Het schimmige beeld kan nog voor een tijdje de dienst uitmaken.

Het eten van spaghetti op scène, een voorbeeld dat de bestsellerauteur David Kehlmann gaf in zijn beruchte lezing tijdens de opening van de Salzburger Festspiele als aanklacht tegen het hedendaagse regietheater 1, is sinds Dario Fo en co al lang niet meer in. Nog erg en vogue daarentegen is het rennen over toneel (jeugd) of het op de vloer neerzijgen en kruipen (ellende). Banu schetst terloops ook scherp de invloed van moderne dans op theater. Onder meer in een treffend hoofdstukje gewijd aan het blootsvoets acteren. Het zou een langere studie waard zijn. Want doorgaans bekijkt men dit vanuit het tegenovergestelde standpunt: men heeft het dan over de invloed van het theater op de moderne dans, het zogenaamde danstheater.

De theaterdeskundige die Banu is, laat zich door deze clichés minder snel irriteren dan de gewone toeschouwer die ik ben. Integendeel, hij neemt ze au sérieux. Ze worden bij hem, in een meer positieve of alvast meer neutrale zin, ‘figuren’ genoemd. Terloops wordt ook – niet toevallig – aan Barthes’ Mythologieën gerefereerd. En in plaats van ze als een statisch en vermolmd gegeven te beschouwen – wat gemeenplaatsen nu eenmaal zijn! – schetst hij fijntjes hun evolutie en wijziging, hun functie en betekenis door de jaren heen. Onrechtstreeks zijn het dus telkens ook korte historische beschouwingen over een bepaald verschijnsel die je te lezen krijgt. Hij doet dat erg knap aan de hand van talloze goed gekozen voorbeelden die hij uit zijn rijke kennis van het internationale toneel put.

Wat misschien snel een soort opeenstapeling van miniaturen of vignettes had kunnen worden, krijgt – zonder dat Banu daarbij theoretisch wordt (de titel is misleidend!) – een extra dimensie. Bijvoorbeeld in zijn opstel over de schermen, over de aan- of afwezigheid van coulissen. Door het benadrukken of wegmoffelen van coulissen ontstaat telkens een heel andere filosofie over theater en het theatrale: de aan- of afwezigheid van de buitenwereld, verschillende manieren om theaterfictie op te bouwen.

Banu onderstreept graag culturele eigenheden. Zo vergelijkt hij de bijzondere aanwezigheid van licht en belichting in het Franse theater, en de Franse voorkeur voor een leeg toneel, met de overvolheid aan voorwerpen in het Duitstalige theaterlandschap.

Erg treffend zijn Banu’s beschouwingen over de obsessie met het ‘lelijke’ en de ‘trash’ in het Duitse theater, die tot een soort academisme heeft geleid. Het academische – Banu noemt het ergens de ‘esthetical correctness’ – is overigens wat heel veel van deze verschijnselen ook bedreigt. Of wat ik elders de voorspelbaarheid van zoveel hedendaagse theaterensceneringen noemde. Is dit ook niet wat het door Banu aangehaalde motto van Nietzsche betekent, ‘ik zoek een extreme veelvuldigheid, die het omgekeerde is van chaos’? Het ontbreken van diversiteit in het theater leidt tot voorspelbaarheid. En in het theater wil je als toeschouwer toch altijd uitroepen, zoals ooit Diaghilev tegen Cocteau: ‘Etonnez-moi!’ Wat ook betekent: ‘Ontroer me!’ ‘Prikkel mijn geest!’

In zijn essay over het Duitse theater ontbreekt naar mijn gevoel de indirecte maar ware grond voor deze esthetiek van het lelijke, met name het feit dat de Duitse theaterregie werkt binnen een zeer strak repertoiresysteem. Seizoen na seizoen worden dezelfde klassiekers opgevoerd: tot vervelens toe Faust en Kabale und Liebe, Nathan der Weise, Emilia Galotti, afgewisseld met Tsjechov, en de laatste seizoenen veel Horvath. In deze context is het begrijpelijk dat men naar afwisseling en oorspronkelijkheid zoekt, zonder daar natuurlijk altijd in te slagen. Ja, zoveel verschillende facetten kan Faust bij een opvoering hebben!

Naast de al vermelde trends gaat het bij Banu ook nog om: de alomtegenwoordigheid van video bij vele hedendaagse opvoeringen; het naakt op het toneel; de betekenis van stoelen; geschoren schedels en behaarde mannenborsten; afgedragen schoenen en bolhoeden; het vertolken door eenzelfde acteur van verschillende personages; het lege toneel, enz.

Schijnbaar zijn de thema’s die Banu aanvoert banaal: de reeds vermelde schermen, het al dan niet stipt beginnen van een voorstelling (naargelang de culturen, erg verschillend), de toeschouwers die plaatsnemen op de bühne, het eindapplaus en het groeten van de vertolkers, en – in een mooie korte eindtekst – de plek van de opvoering, die van de ruimte van de niet-opvoering wordt gescheiden door in feite niet veel meer dan een conventionele grenslijn.

Het meest wezenlijke van het theater wordt hier vanuit verschillende, blijkbaar triviale invalshoeken beschreven – zonder dat er theorie bij te pas komt (ikzelf heb er destijds een theoretisch proefschrift aan gewijd): de afspraken rond ruimte en tijd die in samenspel tussen toeschouwers en vertolkers gemaakt worden om het spel van een fictief universum te construeren.

Nog geen 150 pagina’s, en zoveel prikkelende ideeën, aantekeningen en inzichten. En een nooit opdringerig neerschrijven van theaterervaringen. Wat een genot dit te mogen lezen. Mine de rien, zegt men in het Frans.

Terwijl Banu in zijn korte essays helder en spits, soms zelfs briljant aan het woord is, blijft hij in zijn voorwoord eerder ongeïnspireerd en somt hij braafjes op. Alsof hij met enige schroom de diepere betekenis van zijn tekstjes uit de weg wil gaan. Hij stelt zijn thema’s voor als losse aantekeningen van iemand die een heel leven in de schouwburg heeft doorgebracht.

Dit is vreemd. Banu beschikt natuurlijk over een grote deskundigheid en kennis van het theater, maar daarnaast heeft hij ook veel… ervaring. Als je levensparcours samenvalt met een in graad wisselende, maar toch constante fascinatie voor het verschijnsel ‘theater’, ontstaat op de duur een vreemd gevoel. (Fascinatie gebruik ik hier niet zozeer als ‘houden van’, eerder als ‘iets hebben met’. Houd ik van theater? Neen, ik heb er iets mee!) Er ontstaat een balance act tussen enerzijds verzadiging en anderzijds een soort opluchting of bevrijding. De meer prettige kant van wat je tenslotte alleen maar… ervaring kunt noemen. Heel veel hoeft dan niet meer; je houdt over wat voor jou belangrijk is. Ervaring, besef je, heeft weinig te maken met kennis. Integendeel, goed gebruikte ervaring is geen optelsom (wat kennis meestal is), maar een filter. Te veel ervaring kan een last zijn, het kan omslaan in zeurderigheid en verzuring. Maar het kan ook, zoals dat het geval is in de teksten van Banu, verfrissend werken. Ontmaskerend, op een positieve manier.

Georges Banu, Miniatures théoriques, Actes Sud, Arles, 2009

1Daniel Kehlmann, ‘Wo heute Lärm ist, war einst Magie’, Frankfurter Allgemeine Zeitung, 27 juli 2009. Deze lezing heeft in de Duitse media voor de zoveelste keer de controverse rond ‘Regietheater’ versus ‘Texttreue’ doen oplaaien. Zie ook Die Zeit van 6 augustus 2009.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#118

01.09.2009

30.11.2009

Eric De Kuyper

Eric de Kuyper (1942) is de auteur van talloze artikelen over dans, opera en film, en van een reeks autobiografische boeken, waaronder Bruxelles, here I come (1993). In 2007 verscheen Het teruggevonden kind.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!