Sarah Vanagt

Leestijd 4 — 7 minuten

Miniaturen uit de Grote Meren

Sarah Vanagt werkt aan een documentaire waarin het spel centraal staat van kinderen die opgroeien in het grensgebied tussen Rwanda en de Democratische Republiek Congo (productie: Limited Adventures, met de steun van het Vlaams Audiovisueel Fonds).

Juli 2001 Democratische Republiek Congo

1. Goma – 28 juli 2003

In de Congolese grensstad Goma, die in januari 2002 bedolven werd onder een reusachtige lavastroom, ontmoet ik vluchtelingenkinderen uit Ituri (Noordoost-Congo). Tussen de lavabrokken beginnen ze te bouwen aan van wat in de komende dagen zal uitgroeien tot een hele stad.
Deze foto vindt u in kleur op de binnencover achteraan in dit nummer.

2. Goma – 30 juli 2003

Twee dagen later bestaat de stad uit een elektriciteitscentrale, een vliegveld, een begraafplaats en het huis van de gouverneur met tuin en garage. Er zijn auto’s, vliegtuigen, mobiele telefoons, radio’s, schotelantennes en televisietoestellen.

Een stoffen pop luistert naar de radio (een lavabrok) waarop de jonge nieuwslezer beschrijft hoe de oude Congolese vlag overal in de stad vervangen wordt door een nieuwe, één met zes sterren. De nieuwe Congolese vlag waar het kind naar verwijst, kondigt het begin aan van een overgangsregering waarin voormalige rebellenleiders zetelen die tien jaar lang tegen elkaar hebben gevochten. De stoffen pop zegt: ‘Mijn radio vertelt de waarheid.’ De pop wil zijn huis verlaten om naar de nieuwe vlag te gaan kijken bij het vliegveld, maar valt van de trap en sterft, en het verhaaltje is gedaan.

3. Goma – 31 juli 2003

Het grootste gebouw van de stad, het gebouw van de MONUC (Mission des Nations Unies au Congo).

Een jongen speelt dat hij met zijn vliegtuig naar de Verenigde Staten vliegt om hulp te vragen. Aangezien die er niet komt, keert hij meteen terug naar Congo. Het vliegtuig stort neer, de man wordt begraven. Na een luidruchtige begrafenis komen er twee auto’s aangereden, de chauffeurs stappen uit, ze halen de kleren van de overledene van het kruis, graven het lijk op en nemen alle voorwerpen uit het graf mee: geld, eten en een foto.

Op dat moment merkt één van de kinderen dat iemand hen gezien heeft. Zijn compagnon antwoordt: ‘Dan moeten we hem omkopen.’

4. Goma -1 augustus 2003

De kinderen zappen van programma naar programma door telkens een andere prent in het sardienenblik te schuiven. Hiervoor gebruiken ze Rwandese en Congolese telefoonkaarten, voetbalprenten, cassettehoezen…. Zonder enig probleem schakelen ze van een Aziatische gevechtsfilm over naar het nieuws, en daarna naar een voetbalwedstrijd – telkens met een aangepaste commentaarstem.

April 2004 Rwanda

1. Nyamyumba, oude koloniale haven buiten de grensstad Gisenyi, 2-9 april 2004

Het is paasvakantie, een vakantie die volledig in het teken staat van de 10e verjaardag van de genocide. Wanneer de 12-jarige Mubarakmet zijn zelfgemaakte radio het nieuws van de dag uitzendt, roept hij de Rwandezen eerst op om de slachtoffers van de genocide te herdenken, allemaal Rwandezen die door andere Rwandezen werden vermoord. ‘Wij Rwandezen zijn idioten’ weerklinkt zijn stem gewichtig op zijn kleine radio, ‘maar als we willen, kunnen we de oude ethnische verhalen uitwissen.’ Moest president Kagame naar dit nieuwsbericht luisteren, zou hij ongetwijfeld goedkeurend het hoofd knikken. De nieuwsuitzending van de jonge Mubarak sluit immers perfect aan bij de officiële verzoeningsretoriek van het FPR-regime.

Maar in diezelfde nieuwsuitzending roept de jonge reporter de bevolking ook op om zich te bewapenen omdat de Congolezen Rwanda hebben ‘verrast’ en het land zijn binnengevallen. Feitelijk is dat laatste niet correct, maar het is wel het enige ‘nieuwsbericht’ dat ik tijdens mijn verblijf in Rwanda hoorde waarin de almaar groeiende spanningen tussen de twee landen open en bloot op tafel werden gelegd.

Die openheid ontbreekt volledig in Kagame’s uitspraken over het conflict alsook in de officiële pers. Wanneer Kagame het over het grensconflict heeft, verwijst hij steeds naar de gewapende Hutu-rebellen die sinds het einde van de genocide in de Congolese grensstreek verblijven en effectief nog steeds een gevaar voor Rwanda betekenen. Over het eigen Rwandese aandeel in het slepende conflict in Oost-Congo -dat in tegenstelling tot Rwanda rijk is aan goud, coltan en diamant- rept hij met geen woord.

2. Mont Cyangugu, 14 april 2004

Venuste (rechts op de foto) en zijn vrienden Damascene en Alphonse spelen ‘grenspostje’ in één van de vele ‘kinderdorpen’ die Rwanda telt sinds de genocide.

Een kinderdorp is een groep huizen waarin oorlogswezen van verschillende leeftijden samen opgroeien en voor elkaar zorgen. Venuste is de jongste van het kinderdorp; hij was een baby toen zijn voltallige familie werd vermoord. Hij is ontegensprekelijk de baas van de kinderbende. Het gaat er hard aan toe aan hun grenspostje. Venuste controleert de paspoorten en beslist wie de grens mag oversteken en wie niet. Er is opvallend veel sprake van corruptie in hun spel.

3. Tussen Cyangugu en Gafunzo, 15 april 2004

Alphonse op weg naar de begrafenis van onlangs opgegraven genocide-slachtoffers op één van de heuvels aan het Kivu-meer. Tien jaar na de genocide worden er nog steeds overal in het land beenderen en schedels gevonden. Bovendien beginnen meer en meer gevangenen de gevangenissen te verlaten; zij kunnen dikwijls precieze aanwijzingen geven bij de opgravingen.

Op die manier werden de overblijfselen van de voltallige familie van één van de oudere wezen uit het kinderdorp in Cyangugu gevonden. Tijdens de begrafenis bleek dat het gedolven graf niet groot genoeg was voor de 10 kisten (telkens met 5 à 10 slachtoffers). Dus werd er urenlang gezongen en gekapt. Een van de wezen uit het kinderdorp haalde zijn schouders op en zei: ‘Le stockage est plein.

4. Grenspost tussen Cyangugu (Rwanda) en Bukavu (DR Congo)

Twee maanden na mijn verblijf aan de grens ontvang ik een e-mail van de 20-jarige Marcel, één van de oudere wezen uit het kinderdorp in Cyangugu. Marcel werkt in een klein internetcafé op tien meter van de grenspost. ‘En ce qui concerne l’insécurité, c’est juste, il y en a. Nous risquions nous-même de mourir, plus particulièrement moi parce que le jour du commencement de la guerre j’étais au travail. Ca commençait le 28/05/2004 vers 17h30min.

Je vous dis la vérité. A cause des bombes qui traversaient le pays, j’avais fuit sans déconnecter l’ordinateur. C’était très dangereux de façon que vos collègues, je dis les blancs, avaient aussi fuit le Congo sauf les gens de la MONUC (Mission des Nations Unies au Congo, SV). Mais pour le moment ça commence à aller, car les gens continuent à circuler à Bukavu. Mais entretemps nous avons beaucoup de réfugiés ici à Cyangugu, de façon que le prix sur le marché augmente beaucoup, et pourtant que vous connaissez notre vie. Je continuerai à vous informer. N’aie pas peur; la guerre ça termine vite.’

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#93

15.10.2004

14.01.2005

Sarah Vanagt