© Luk Monsaert

Leestijd 11 — 14 minuten

Mein Gent — Alain Platel, Frank Van Laecke & Steven Prengels

Gelaagd portret van een stad en samenleving in beweging

Alain Platel en Frank Van Laecke brengen een eerbetoon aan de schuunste stad van ‘t land – maar niet echt. Mein Gent gaat niet (enkel) over Gent, maar over het vormen van een gemeenschap, als een onophoudelijk en onaf proces. Het is geen hervertelling van een geïdealiseerd verleden van één welbepaalde stad, maar een herschrijving daarvan voor een mogelijke toekomst. Eén vraag blijft in het midden: hoe verhouden we ons, in afwachting van de komst van deze gedroomde stad, tot het concrete nu?

De prelude van Mein Gent zet ons op het verkeerde been. Een zwierig geschilderd voordoek – zo een met een deurtje in het midden – sluit de bühne af van de zaal. Op dit frontdoek worden oude DASKA-filmpjes geprojecteerd: de zwart-witte archiefbeelden uit de collectie van chocolatier Jean Daskalidès, die naast de stichter van een praline-imperium een hartstochtelijk chroniqueur met de camera was. De DASKA-reportages vatten de Gentse actualiteit tussen 1975 en 1988. Voor de wat oudere Gentenaars in de zaal is dat een feest van herkenning: ‘Het bezoek van Boudewijn, in 1976!’ ‘De gecrashte luchtballon tegen de toren van Sint-Jacobs!’ ‘Freddy Horion!’ En natuurlijk, wanneer de man met de snor in beeld verschijnt: ‘Romain!’

Romain is Romain Deconinck (1915-1994), een van de boegbeelden van het Vlaams volkstoneel, die met zijn gezelschap een vaste stek had in de Gentse Minardschouwburg en een theatervisie huldigde die vandaag door velen wordt beleden maar door weinigen bedreven: theater voor en door ‘het volk’ – houd dat begrip even vast – met laagdrempelige en toegankelijke humor als koevoet voor soms scherp-kritische samenlevingsanalyses. Zowel choreograaf Alain Platel als regisseur Frank Van Laecke verklaarden zich meermaals artistieke erfgenamen van hun roemrijke Gentse voorvader. In het geval van Van Laecke, de artistieke alleskunner die in zijn omvangrijke oeuvre werk voor Studio 100 (de musicals Red Star Line, ’40-’45) combineert met opdrachten in het gesubsidieerde circuit (van de twee Gardenia’s bij NTGent tot opdrachten in operahuizen), is die lijn duidelijk traceerbaar. Maar ook Platel, die soms willens nillens lijkt te worden opgetakeld tot een van de iconen van het ‘ernstige’, postmoderne theater, laat geen gelegenheid onbenut om zijn liefde te bezingen voor dit theater ‘voor en door de mensen’. Wie Platels oeuvre van op een afstandje overschouwt, kan er trouwens niet omheen dat ook hij al zijn hele carrière lang werkt rond het veelkoppige begrip ‘gemeenschap’. Gemeenschap, niet: volk. En als Mein Gent iéts bezingt, meerstemmig en uit volle borst, dan is het de kracht van het ondergeschoven kindje dat ‘volkstoneel’ heet – de artistieke pendant van dat gemeenschapsbegrip. 

“Als Mein Gent iéts bezingt, meerstemmig en uit volle borst, dan is het de kracht van het ondergeschoven kindje dat ‘volkstoneel’ heet. “

Het misleidende aan de DASKA-filmpjes is dat ze verkeerdelijk de indruk wekken dat Mein Gent een trip down memory lane wordt – een genoeglijke afdaling naar het Gent van toen, naar een geïdealiseerd verleden van een (artistieke scene in een) geïdealiseerde stad. Niets is minder waar: Mein Gent gaat over de toekomst – en niet alleen over die van Gent. 

In die toekomst speelt het collectief de hoofdrol, niet het individu. Dat wordt nergens met zoveel woorden gezegd maar eenvoudigweg gedaan – bij Platel was vorm altijd al inhoud. Wie over gemeenschap wil spreken, moet vooral gemeenschap maken. Nog terwijl het publiek plaatsneemt druppelen gaandeweg ‘gewone’ mensen vanuit de zaal het podium op, om via het deurtje te verdwijnen achter het frontdoek. Mein Gent wordt gedragen door vier professionele acteurs (Steve De Schepper, Ineke Nijssen, Gorges Ocloo en Pascale Platel) maar vooral door een koor van zestig niet-professionele Gentse spelers. Aanvankelijk zal dit koor de handeling van de ‘protagonisten’ bijstaan en ondersteunen, gaandeweg zal het zelf steeds sterker de bühne opeisen terwijl de protagonisten verworden tot bijfiguren. Dit alles vindt plaats binnen het onverbloemde kader van de theatermachinerie – de zaal kijkt naar theater én theaterconstructie. Hier tonen Van Laecke en Platel zich óók kinderen van de jaren 1980: het realisme van volkstheater of operette is in Mein Gent ver te zoeken. Het postmodernisme eist net zo goed zijn deel van de koek. 

De handeling zelf is minimaal. Wanneer het voordoek verdwijnt, verschijnt een draaiend platform met daarop een basaal volkshuisje, anno de jaren 1970. We kijken binnen in het schamele interieur (keuken, toilet, living) van twee zussen – hun dementerende moeder (Steve De Schepper) ligt buiten het draaitoneel in een bed te vegeteren. De ene zus is een verlepte diva (Platel), de tweede een androgyne figuur met een drankprobleem (Nijssen). Het derde personage (Ocloo) heeft een wat mysterieus statuut – is hij een broer of een huishoudhulp? Daar begint al het schuren met onze verwachtingen: is het toevallig zijn donkere huidskleur die ons in de richting van de tweede interpretatie duwt? Feit is dat Ocloo moederziel alleen in de keuken zit, luisterend naar een bandje waarop hem Gentse uitdrukkingen worden voorgekauwd. Moedig probeert de Limburger ze te herhalen, struikelend over zijn tong. Een kleintse mee andalouze is grappig, maar het minder onschuldige Der weunt ier van soorten – de Gentse manier om te spreken over ‘vreemdelingen’- is raak: om te integreren moet Ocloo zich racistische frasen eigen maken. De motor van de actie ligt besloten in Nijssens wanhopige uitroep bij het begin van Mein Gent: ‘We liggen boaten!’ De familie moet weg, wordt uit huis gezet. Maar wie of wat moet precies wijken? De volkse familie, of de nostalgische hang naar een homogeen Gent van toen? 

De rolverdeling is wat dat betreft duidelijk. Waar Pascale Platel en Ineke Nijssen – devolderiaans gegrimeerd, in een eerbetoon aan de overleden Gentse regisseur Eric De Volder – het verleden representeren, zowel van een ‘geleefde’ stad als van een artistieke scene, is het Ocloo die Mein Gent steeds weer terugtrekt naar een toekomst die nog te vormen is. Niet toevallig is hij degene die de dementerende moeder verzorgt, in bed steekt en toedekt, in een diep ontroerend dansant duet. Broer of huishoudhulp? De zorg voor onze ouderen komt straks neer op de schouders van zij die roots hebben in andere landen. Het scherpst is Mein Gent als het de stad – eender welke provincialistische stad – dwingt om kritisch in de spiegel te kijken. Wanneer Ocloo zich een in de microgolf opgewarmde koffie wil toe-eigenen, vindt hij Nijssen op zijn pad. Haar verontwaardigde: ‘Dat ès van maa!’ krijgt bijval van het koor, dat zich met een ritmisch gescandeerd ‘Dat ès van heur!’ tegen Ocloo keert. Steeds dreigender stuwt de massa heen om de verschrikte Ocloo, de vingers beschuldigend in zijn richting gepriemd, tot hij verslagen eindigt op de grond – de scène is even hilarisch als verschrikkelijk. Ze illustreert de postkoloniale angst voor de Ander-die-iets-komt-afpakken en natuurlijk is die angst niet exclusief Gents. Toch wordt in één beweging ook de zelfgenoegzaamheid doorprikt van Gent, dat zich maar al te graag laat voorstaan op zijn progressieve en verdraagzame cultuur. Dezelfde gelaagdheid krijgt de re-enactment van een sketch van Romain Deconinck, met als punchline ‘Wie heeft er eu gezeid dat ge eu moogt zetten?’ Deconinck blafte het een witte collega-acteur toe, maar wanneer Nijssen zich tot Ocloo wendt, krijgt het een onversneden koloniale lading. Wie mag er zich, wie zal er zich in de toekomst mogen zetten in dat Gentse huis?

De muziek, voedende humuslaag onder Mein Gent, lag opnieuw in handen van componist Steven Prengels, die ook tekende voor Gardenia (2010) en En avant, marche! (2015). In zijn eclectische mix passeert elk genre de revue: van Dana Winner over Schubert en Satie tot Skrillex. Het mooist zijn echter de momenten waarop de spelers (en het koor) hun eigen lichaam inzetten als individueel of collectief instrument. Het tikken van Ocloos hoge hakken op het ritme van Tsjaikovsky’s Vioolconcerto. Een heuse symfonie van teenslippers – tienslètsen, zoals ze in het Gents zeggen – aangevoerd door een geniaal sloffende Ineke Nijssen. En dan is er nog de muzikaliteit van de taal zelf. ‘t Es van de hond zijn kluute. ‘t Schoap is de preut af – zestigkoppig gezongen met de sérieux van een kerkzang. Elke Gentenaar weet dat het Gents kom van ‘t Frans en het Frans kom van ‘t Gents, en dat levert een unieke mengelmoes op van talige vulgariteit met een scheutje bourgeoisie. Pascale Platel is er de ongeslagen kampioene in, wanneer ze een van haar ondeugende diva-verhalen vertelt: ‘On commençait juste un peu a tripoter langs ier en langs ginter.’ Deze muzikale taal kan en mag alles, ze is vrij van pretentie, van dedain. In deze omarming van wat in ver vervlogen tijden ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur werd genoemd, maar ook in het ongegeneerd morrelen aan wat ‘de traditie’ of ‘de canon’ behoort te zijn tonen Van Laecke en Platel zich de universalisten en utopisten die ze zijn. Bij hen geen heilige huisjes: Pierke Pierlala is van kleur, de Gentse krachtpatser John Massis een vrouw. Vroeger was het beter? ‘Da kunde nie wete want ge waart er niet bij’, sneert het koor. 

“Belangrijker nog dan wat er in Mein Gent te zien is, is wie er te zien zijn, en hoe ze te zien zijn. En dat hoe druist regelrecht in tegen de tradities van zowel burgerlijk toneel als musical en opera.”

Dit is precies waar Van Laecke en Platel het verschil maken, ten aanzien van commerciële producties of de meer entertainende varianten van volkstheater: in hun weigering om binnen één stijl, één register, één boodschap te blijven. Altijd is er weer een hoek af, worden conventies doorbroken, verwachtingen op hun kop gezet. Nog het meest radicaal gebeurt dat in de manier waarop het koor wordt ingezet. Dat koor is samengesteld uit een diverse groep mensen, niet alleen in etnisch-culturele zin, maar ook qua leeftijd, met en zonder beperking, … Belangrijker nog dan wat er in Mein Gent te zien is, is wie er te zien zijn, en hoe ze te zien zijn. En dat hoe druist regelrecht in tegen de tradities van zowel burgerlijk toneel als musical en opera. Waar de vier protagonisten aanvankelijk de aandacht opeisen – als de individuele ‘sterren’, ‘solisten’ of ‘main characters’ – maken ze gaandeweg steeds meer plaats voor collectieve scènes, tot het draaitoneeltje uiteindelijk werkeloos aan de kant wordt geschoven. Theaterjournalist Wouter Hillaert verwoordde die dramaturgische inzet ooit mooi: ‘Gemeenschapstheater begint daar: waar de dramaturgie van de menigte consequent wordt doorgedacht, maar nooit ten koste van de enkeling. Waar het Westen het collectief herontdekt als een kracht in plaats van een zwakte – of erger nog: een instrument.’ In plaats van ‘kussenvulsel (Hillaert) ter meerdere eer en glorie van de protagonisten wordt het collectief zelf de main character. Het laatste half uur van de voorstelling bestaat bijgevolg uit een aaneenschakeling van zang- en dansnummers waaruit eigenlijk alleen nog maar die ene boodschap spreekt: de toekomst is meervoudig, de toekomst is collectief. Het is een artistieke keuze die klopt, maar dubbele gevoelens oproept. Enerzijds is het een genot om deze niet-professionele spelers te zien schitteren in hun kracht. Anderzijds zijn een pak van deze laatste scènes gewoon flauw of melig en verliest Mein Gent in dit collectieve halleluja de kritische scherpte waarmee het begon. We zijn definitief in de toekomst beland, met het koor als drager van de utopie. Want Mein Gent roept geen geïdealiseerd verleden op, maar wél een geïdealiseerde toekomst.

De vraag blijft dan: waar is het heden in dit verhaal? We moeten van A naar B, zoveel is duidelijk, maar intussen staat vandaag het huis op instorten, zoals Nijssen vaststelt. Hoe verhoudt Mein Gent zich tot het nu? De fictieve gemeenschap van koorleden is op dit moment niet bepaald representatief voor de reële verhoudingen tussen de diverse burgers. En laat het ons nu we toch bezig zijn ook eens hebben over dat échte Gent, het reële Gent, het Gent dat Gorges Ocloo adresseert wanneer hij bij het begin van Mein Gent voor de zaal gaat staan met een pertinente vraag: ‘Gentenaars, waarom ontvluchten jullie Gent? Durven jullie ergens niet over te praten? Is Gent misschien te af? Te af-gelekt?’ 

Dit is het Gent van nu, het Gent van burgemeester Matthias Declercq: het Gent dat er ondanks zijn sympathiek-rebelse imago de afgelopen vijf jaar niet in slaagde de kinderarmoede terug te dringen, het Gent waar wonen nog steeds onbetaalbaar is, waar de dakloze ‘zakkenman’ die Platel en Van Laecke in een gimmick opvoeren nog steeds slaapt op de Korenmarkt, het Gent waar onlangs een kinderlijk werd gedumpt in het Houtdok en een hek verrees rond een openbaar recreatiedomein. Het Gent waarin beleid de laatste vijf jaar vooral lijkt te worden gemaakt voor de welstellende witte middenklasse, die onbetaalbare koffies drinkt in koffiebars met Swedish design. Klink ik als de lokale afdeling van de PVDA, en dat terwijl ik toch zelf tot het geprivilegieerde publiek behoor dat in die koffiebars vertoeft? Tiens tiens

Van Laecke en Platel hebben gekozen voor Romain: in de beste traditie van zijn volkstheater loopt Mein Gent uit op een happy end. Misschien had tussen het liefdevolle afscheid van een gekoesterd verleden en de hoopvolle sprong naar een nieuwe toekomst nog een kritische analyse kunnen liggen, een erkenning van het problematische nu. Het zou van Mein Gent niet minder een hommage hebben gemaakt – misschien zelfs integendeel. Want wie zijn stad liefheeft, spaart de roede niet.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 11 — 14 minuten

#172

01.06.2023

14.09.2023

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!