Aggressively Modern Times – Ferre Marnef
Het clowneske geluid van de productiviteit
Klaas Tindemans
© Illias Teirlinck
Met Marshmallow BBQ slaat het acteurs- en makersduo Maxim Storms en Lobke Leirens een vijfde keer de handen in elkaar. Deze keer zijn ze niet alleen. Samen met Marjan De Schutter, Maliqa Fye en Emma Browaeys brengen ze een pastiche van B-horrorfilms waarin alle clichés en plot devices vol ironie en overgave worden uitvergroot. Maar hoeveel is te veel?
Een luide knal, onheilspellend gelach, en dan: totale duisternis. De donkere theaterzaal vult zich tellenlang met kleverige, krioelende geluiden, alsof we een mierenhoop aan het afluisteren zijn. Een bleke schijnwerper strijkt neer over de scène en focust op de bonte, vijfledige groep die lusteloos aan de rechterkant van het podium ligt. De figuren zien er gehavend uit, gedesoriënteerd, alsof ze net door een grote golf zijn uitgespuugd. Stuiptrekkingen doen hun lichamen onvrijwillig schokken en met een lege blik kijken ze elk een andere kant op. Ze dragen allemaal witte kleren die wel functionaliteit uitstralen (witte regenlaarzen, tuinhandschoenen en meerritsige buideltjes waar je op reis cash in verstopt), maar die momenteel niet praktisch zijn. Integendeel: in die outfits lijken ze wel etalagepoppen die na een ruw verkleedpartijtje rommelig zijn achtergelaten. Wie zijn ze? Waar zijn ze? En hoe zijn ze hier beland?
In Marshmallow BBQ volgen we vijf opvallend onvoorbereide kampeerders die zich wagen aan the great outdoors. Het plot komt je misschien bekend voor. Menig horrorfilm volgt namelijk een groep nietsvermoedende jongeren die het bos intrekken en daar stelselmatig worden afgeslacht door een bloedlustig(e) moordenaar/monster/spook/demoon die hen hunkerend opwacht. De kern van Marshmallow BBQ is deze herkenbare formule: de voorstelling is opzettelijk een afkooksel van een afkooksel van een (waarschijnlijk bootlegged) B-horrorfilm, waarin alle genre-eigen clichés in al hun absurditeit worden getoond. Zo vraagt Marjan De Schutters Leila zich luidkeels af of “Something/someone is watching us?”, zien we hoe een woeste krabpartij ervoor zorgt dat Jenny (Lobke Leirens) de rubberachtige huid van haar rechterarm pelt en vinden de kampeerders na hun tweede nacht in het woud een gigantische drietenige voetafdruk. De makers hebben duidelijk een veelheid films verslonden en tijdens hun watchparty naarstig notities genomen, met deze groteske parodie als resultaat.
Niet alleen de herkenbare plotpunten maken van Marshmallow BBQ een karikatuur. De voorstelling leunt flagrant op de pathetische, overdreven acteerprestaties die doorgaans in dit soort slasher flix te zien zijn. De personages spreken allemaal hun tekst zangerig en zeurderig uit met aangedikte Engelse accenten die fluctueren tussen dat van een southern-belle, een afgewezen Geordie Shore-deelnemer en Steve Irwin op een slechte dag. De constante wisseling van regionale accenten benadrukt niet alleen hoe het stuk een theatrale collage is van heel veel films, maar is ook verantwoordelijk voor de meest vermakelijke momenten van Marshmallow BBQ. De overdreven articulatie van de cast (De Schutter lijkt bijna een spier te verrekken bij het overenthousiast uitblazen van “NATURE!” en na afloop hoor ik een groep tieners in de foyer Maxim Storms’ Andy om de beurt nadoen: “I’m burrrrrrrning, Jenny!”) is even efficiënt als een close-up: het vestigt niet alleen de aandacht op de doordachte absurditeit van de tekst, maar ook op de onmiskenbare passie en gretigheid waarmee de acteurs haar brengen. Alsof ze niet kunnen wachten om hun tanden in de volgende scène te zetten.
“Storms en Leirens hebben duidelijk een veelheid B-horrorfilms verslonden en tijdens hun watchparty naarstig notities genomen, met deze groteske parodie als resultaat.”
Deze doeltreffende speelsheid doordringt ook Musia Mwankumi’s scenografie. Met minimale rekwisieten en een griezelige geluidsband wordt de omgeving waarin de kampeerders zich bevinden een personage op zich. We krijgen geen monsters te zien, maar horen ze wel dreigend brullen wanneer de avond valt. Ook de aftakelende emotionele en psychische staat van de personages wordt creatief en efficiënt gevat aan de hand van groene lichten die bij momenten op rood springen en dan weer terug op groen. Grijze zeilen worden uitgevouwen tot slappe tenten of picknickdekentjes en feloranje schijnwerpers vormen geïmproviseerde kampvuren zonder dat er hout of vlammen op het podium worden gestapeld.
Marshmallow BBQ is een joyride die scheert langs, in en door de krochten van een genre dat meegaandheid en goedgelovigheid van haar publiek verwacht. Meer nog: de voorstelling vertrekt vanuit het idee dat horror vaak op een verdoken manier kitscherig is, iets dat de makers bewust willen uitvergroten tot over-the-top camp. Maar net die doelgerichte poging tot camp slingert me ook uit de voorstelling: hoe doelbewust kan je iets camp maken voordat het ophoudt camp te zijn? In zijn honger om elk cliché te ontleden, verliest Marshmallow BBQ zo nu en dan precies datgene wat de B-horrortraditie en campiness zo onweerstaanbaar maken: het absurde dat nog net serieus wordt genomen.
“Marshmallow BBQ is een joyride die scheert langs, in en door de krochten van een genre dat meegaandheid en goedgelovigheid van haar publiek verwacht.”
Volgens Susan Sontag is camp een esthetische gevoeligheid die plezier vindt in kunstmatigheid en overdrijving, waarbij vorm en exces belangrijker worden dan inhoud. In haar essay Notes on ‘Camp’ benadrukt ze dat camp vaak ontstaat wanneer iets in volledige ernst en met overtuigde passie wordt gemaakt, maar door zijn overdaad of mislukking onverwachts een ironisch genot oplevert. Ofwel: het moment dat iets bijna per ongeluk ‘zo slecht is dat het goed wordt’. Camp draagt dus een ontwapenende oprechtheid in zich. Het gelooft, al is het maar voor even, in zijn eigen goedheid, zelfs als dat geloof misplaatst is. Precies dat maakt het zo verleidelijk: de combinatie van ernst en exces, van pathos en overdrijving, van naïeve overgave, ook al is het ‘mislukt’.
Maar wanneer die oprechtheid ontbreekt, blijft vooral de pose over. Camp waarbij de maker al te opzettelijk camp probeert te zijn, vindt Sontag vaak minder geslaagd: “Probably, intending to be campy is always harmful […] they want so badly to be campy that they are continuously losing the beat.” Dat naast ‘het ritme’ slaan lijkt hier helaas het geval: waar is de oprechte ernst? Marshmallow BBQ lijkt haar eigen campiness voortdurend te willen onderstrepen, alsof ze bang is dat we het anders niet zouden zien. Daardoor voelt het geheel soms te geconstrueerd aan, berekend, als een stuk dat te bewust slecht wil zijn dat het goed wordt.
“In zijn honger om elk cliché te ontleden, verliest Marshmallow BBQ zo nu en dan precies datgene wat de B-horrortraditie en campiness zo onweerstaanbaar maken: het absurde dat nog net serieus wordt genomen.”
Toch blijft het een aanstekelijke, energieke komedie, gedragen door een zichtbaar spelplezier en een inventieve vormgeving. Storms, Leirens en hun medespelers tonen zich scherpe kenners van het genre en nog scherpere uitvoerders ervan. Alleen had je af en toe gewenst dat ze, net als hun onfortuinlijke kampeerders, iets minder voorbereid het bos waren ingetrokken.
De speellijst van de voorstelling vind je hier.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.