Mark Deputter

Leestijd 3 — 6 minuten

Mark Deputter

Geruchten doen snel de ronde. Vooral als ze lachwekkend en dus leuk om te vertellen zijn. Zo kwam het dat ik een paar dagen geleden een Belgisch kranteartikel van de hand van Jack Van Gils onder ogen kreeg dat anders voorzeker al gauw in zijn middelmatigheid vergeten zou zijn geraakt. Want wat voor fraais daar allemaal te lezen stond…

Bijvoorbeeld: “Geen toeschouwer die zich niet wrevelig voelt, geïrriteerd, beetgenomen misschien, als hij uit een voorstelling komt en niet weet waarover het stuk ging. Als het al ergens over ging uiteraard. Bij De Stoel kan daar geen twijfel over bestaan.”

Er dient dus onderscheid te worden gemaakt, weet de heer Van Gils te vertellen, tussen voorstellingen die ergens over gaan en voorstellingen die dat niet doen. Een theaterrecensent hoorde toch beter te weten. Zelfs de meest rudimentaire communicatietheorie – en dat theater communicatie is, daar kan geen twijfel over bestaan – gaat uit van de premisse dat betekenis en zintoekenning gebeurt ter hoogte van de ontvanger, weze dat een lezer, een theaterbeschouwer, een televisiekijker. Hoe is het anders te verstaan dat Dada-poëzie gretig gelezen en geanalyseerd wordt? En “dat hun stukken nergens over gingen” hebben zo uiteenlopende theatergroten als Jarry, Artaud, Pirandello, Ionesco, Beckett, e.v.a. te horen gekregen van enggeestige criticasters. Is men dan nooit geleerd?

Het hoort nu eenmaal tot het wezen van experiment en avant-garde dat ze de geijkte, algemeen aanvaarde theatercodes openbreken en op zoek gaan naar andere methodes en kanalen om communicatie tot stand te brengen. Dat de toeschouwer daarbij een inspanning moet doen, bij een eerste contact misschien in verwarring wordt gebracht, is goed mogelijk, aangezien hij niet of slechts gedeeltelijk op zijn vertrouwde verstaansmodi kan terugvallen. De enige zinvolle vraag die je je daarbij kan stellen, is die naar de kwaliteit en de relevantie van de manier waarop de theatermaker zijn medium heeft bespeeld. Dichtklappen op onbegrip is luiheid, de toneelwereld verdelen in produkties die ergens over gaan en produkties die nérgens over gaan, je reinste ketterij.

Maar er is meer. Het toeval wilde dat ik bijna gelijktijdig hier in Wenen, op meer dan duizend kilometer van huis, een heel andere klok kon horen luiden over dat Belgische “publiek dat zich in snobisme en stompzinnigheid verenigt”. In de programmabrochure van Achim Freyers nieuwste produktie Metamorphoses des Ovid oder die Bewegung von den Rändern zur Mitte hin und umgekehrt (Burgtheater, 26 maart 1987) – voor mijnheer Van Gils vast ook één van die produkties die nu eens echt nérgens over gaan – stootte ik namelijk op een hoogst relevante bijdrage van Pierre Klossowski: “De Italianen zoeken geen verklaringen, bekijken een scène zoals ze ze vinden, zonder ze te bevragen, zonder te willen weten in welke tijd ze gesitueerd is of gelijkaardige vragen te stellen. Een dergelijke verwijzing naar een vertelling, naar een boodschap of een beschrijving wordt, me dunkt, steeds minder als een noodzaak ervaren. Dat geldt ook voor het publiek van Parijs of België. De in het beeld gegeven directe ervaring voldoet hen, ze zoeken niet het prentje bij de tekst, niet het mogelijke illustratieve karakter van het beeld. Zoals men een kijkspel beleeft: men weet niet wat er gebeurt, maar wordt door het detail gegrepen. Is de intensiteit groot genoeg, dan hoeft men de beweegredenen en motieven van de gebeurtenissen niet te kennen. Men ziet genoeg.”

Wie had ooit gedacht dat het Belgische eliteclubje van theatersnobs – Stoel– auteur Van Meir: “een geweldig geëlitiseerd en zich tot een snobistisch publiek richtend theater” – nog eens tot voorbeeld zou gesteld worden in één van de grootste schouwburgen van Europa? Klossowski is vast een uitstekend detective dat hij het handvol Belgische theaterterroristen moeiteloos heeft weten op te sporen in hun duistere bastion in de O.L.V. van Vaakstraat. Of was hij misschien onder de indruk van de vele theaterliefhebbers die zich om de twee jaar verzamelen op het Kaaitheaterfestival of Klapstuc? Of is Klossowski tot de constatatie gekomen ‘ dat het tiental medewerkers van Etcetera en hun groepje geflipte geestesgenoten onmogelijk toereikend kunnen zijn om dagelijks de zalen te vullen van de Beursschouwburg, De Singel, De Warande, het Stuc, Limelight, e.d., de voorstellingen te bevolken van De Keersmaeker, Fabre, Decorte, Cassiers, Peyskens, Vanrunxt, e.v.a.

Daarenboven wil Klossowski ook nog geweten hebben dat dit publiek niet noodzakelijk zo stompzinnig is als boze tongen wel eens beweren – Van Meir: “Want wat die slikken, dat is ongelooflijk”. Voor hem is het geen teken van idiotie als vele toeschouwers eens een ander theaterzitje uitproberen en daarbij ondervinden dat dat waarachtig lekkerder zit dan de stoel van wijlen Stanislawski. De toeschouwer die bereid is bijwijlen zijn intelligentie en verbeeldingskracht te investeren in minder conventionele manieren van vertellen, getuigt veeleer van openheid en moed. Zo’n theater én zijn publiek verdienen dan ook een ernstige behandeling: als je je dan toch geroepen voelt om “te spitten in de dorre grond waarop hedendaagse Vlaamse theatermakers (moeten) werken”, doe dat dan met een stevige spade, in plaats van met een krabbertje wat los zand bijeen te scharrelen.

(Uitgezonderd de tekst van Pierre Klossowski, stammen alle citaten uit een interview van Jack Van Gils met Guido Van Meir en Walter Tillemans, afgedrukt in De Morgen van 3 maart 1987.)

column
Leestijd 3 — 6 minuten

#18

15.06.1987

14.09.1987

Mark Deputter

column