Margaret Thatcher, (Foto, Nato)

Tom Lanoye

Leestijd 7 — 10 minuten

Margaret Thatcher wil haar geld terug

BRANDHAARDEN – UTOPIE EUROPA?

Onder de titel ‘Brandhaarden’ lanceert NTGent een aantal smeulende politieke kwesties in de theaterzaal. Theatermakers, schrijvers en dramaturgen nemen de pen ter hand voor een herschrijving van de geschiedenis. Aan het woord: Margaret Thatcher in een toespraak voor de Europese Commissie.

(onverwachts op)

Gentlemen? De naam is Thatcher. Margaret Thatcher.

(de andere politici staan op en snellen op haar toe)

Nee nee, blijft u rustig zitten. No, really!…

(ze drukken haar hand of geven een handkus; zij neemt ongevraagd plaats aan het hoofd van de tafel)

Gentlemen, u bent té goed. Ik had me niet verwacht aan zoveel attenties. Ik had mij verwacht aan argwaan en vooroordelen. Die zouden niet eens misplaatst zijn. Wij gedragen ons niet altijd als het gemakkelijkste lid van jullie unie. En nu kom ik ook nog eens ons geld terugvragen, (rumoer) Ja, het spijt me! We kunnen echt niet meer betalen, het spijt me zeer, echt waar, sorry, we moeten ons geld terugvragen! Laat mij u uitleggen waarom! Please! (rumoer verstomt) Er zijn tal van redenen. Historische en politiek-strategische redenen -en ongetwijfeld ook sentimentele redenen die jullie niet altijd begrijpen. Een oude traditie kan dierbaarder zijn dan een verre vriend. Sorry! Zo steken wij Britten nu eenmaal ineen.
Ikzelf dus ook. Ik ken mijn volk en land. Als geen ander. Ik bén mijn land. Ik bén het Britse volk. De Britse Staat? Die ben ik niet. Als het van mij afhing, bestond er niet eens een Staat. Zelfs geen Britse Staat. Correctie. Uitgerekend de Britse Staat zou ik het eerst en het meest willen afbreken. Tot op het fundament. Al mijn kiescampagnes draaiden om die belofte. Het afbreken van de Staat, ten voordele van het volk en van het land. Mijn verkiezingsuitslagen gaven mij overschot van gelijk. U mag dus niet van mij verwachten, mijne heren, dat ik -gemandateerd om zelfs onze Britse Staat af te bouwen- zonder boe of ba ga meewerken met het uitbouwen van uw Europese superstaat. Een staat, nota bene, waarvan de hoofdstad in België ligt en de ruggengraat mijlenver van mijn hoofdstad. Wat vinden overigens uw eigen kiezers daarvan? Hebt u daar eigenlijk wel zicht op, mijne heren? Pas op, ik wil niet beweren dat u, François, of u, Helmut, géén verpersoonlijkingen zouden zijn van uw volk, en uw land. Maar ik kan het ook niet controleren, begrijpt u? Want ik ken ze niet, uw volk, uw land. Hoe zou ik ze moeten kennen? U zou de eerste zijn om mij te wijzen op mijn misvattingen en u zou daar groot gelijk in hebben.
Eigenlijk kennen zelfs wij mekaar amper, ja: jullie en ik. Wat brengt ons hier eigenlijk samen? Ik begrijp het niet altijd. Ik ben daar eerlijk in. Ik wel. Ik wantrouw fantasieën die zingen van mystieke continentale samenhang en grensoverschrijdende broederschap. Zingen is mijn regel niet, en al zeker niet van broederschap. Ik reken en ik onderhandel. En ik erken daarbij alleen het land dat mij gekozen heeft.
Welk land kan men kennen, écht kennen, tenzij zijn eigen vaderland? En dat land is, tot nader order, niet Europa. En het zal nog lang duren eer Europa een vaderland wordt, van wie dan ook. Laten we eerlijk zijn… Uw Europa heeft geen eigen vorstenhuis, zelfs geen president, en niet eens een eigen delegatie op de Olympische Spelen. Zelfs Luxemburg en Monaco doen dienaangaande beter. Niemand kent de woorden van het Europese volkslied -de oorspronkelijke zijn dan ook in het Duits gesteld. Wiens idee was dat ook weer? En is daar ooit over gestemd, door wie verondersteld wordt dat lied te moeten zingen?

Geef toe… Wat smeedt die roemruchte Europeanen van jullie samen? Waarvoor lopen ze en bloc écht warm -tenzij voor Britse popmuziek en Amerikaanse films? En oh ja, toegegeven: voor het Eurosongfestival- waar de voertaal van de meeste liedjes afgrijselijk namaak-Engels is… Ik zou het niet erg vinden als daar eens een wet tegen komt. Desnoods een Europese wet. Maar tja! Wié maakt die wetten? In godsnaam… (lacht) De ‘Europese Commissie’ wordt –sorry dat ik het zeg, hoor- samengesteld zoals een raad van stamhoofden in Centraal-Afrika. Kliek per kliek, achter de schermen, en zonder dat iemand van buitenaf er zicht op heeft. Zelfs de Europese verkiezingen vinden in ieder land plaats op een andere dag, met andere lijsten, andere partijen en andere programmapunten. Noem je dat samenhang? Is dat harmonie? Mijn God! De meeste Europeanen weten niet eens wanneer er in een ander land Europese, of überhaupt verkiezingen zijn. Is dat een toonbeeld van wat onze grootste bijdrage aan de mensheid heet te zijn -de democratie? De Grieken vonden haar uit, akkoord. Maar wij Britten hebben haar geperfectioneerd. Zo zie je maar. Als iets goed is, dan zijn we niet te beroerd om het over te nemen en er nog iets beters van te maken. Desnoods tot nut van heel de wereld.

Uw parlementen? Uw grondwet? Het geweeklaag van uw oppositie? Ze zijn terug te brengen tot een imitatie van wat wij, sinds de Magna Charta, tot ontwikkeling hebben gebracht. Pas op, we vinden het niet erg, dat jullie dat hebben geïmiteerd. We beschouwen dat als de eerbetuiging die het, grotendeels onbedoeld, ook is. Maar het punt is… Hebben wij ü daarvoor ooit een rekening gepresenteerd? Nee. Jullie hebben ingezien dat wij verstandig bezig waren, en jullie waren zo verstandig om onze innovaties en onze manier van leven over te nemen. Blijft alleen de vraag, waarom jullie niet ineens alles hebben overgenomen. Dat had de zaken aanzienlijk vergemakkelijkt. We zouden hier om te beginnen niet hebben moeten zitten om onze verschillen proberen te ontkennen. En de hoofdstad van Europa zou niet in België hebben gelegen, maar daar waar ze hoort te liggen. Aan de oevers van de Thames.
We zouden daar nog in het lang en het breed over kunnen discussiëren, mijne heren, zonder dat we -naar aloude traditie- een consensus bereiken, vrees ik. Misschien is dat wel de echte kern van uw Europese Gedachte. Haar enige kern. Haar structurele gebrek aan consensus. Dat is het handige van een begrip als ‘identiteit’. Het is een noemer waaronder je werkelijk alles kunt samenbrengen. Zelfs een gebrek.
Wij Britten hebben ook gebreken, beste vrienden. Ons belangrijkste gebrek op dit moment? Gebrek aan geld. Probeert u dat alstublieft te begrijpen! Wij hebben al zoveel geld in uw Europa gepompt, dat wij -so to speak- eindelijk ook eens wat willen terugpompen, (rumoer, gepruttel) Ja, hoor eens: voor wat hoort wat! Zo zijn wij, beste vrienden. Dan hadden jullie ons er niet bij moeten vragen, in the firstplace! Sorry, hoor! U mag het ons kwalijk nemen zoveel u wilt, maar wij zijn zo. Wij kunnen niet anders! Ik mag dat zeggen. Geen mens kan dichter dan ik bij de verpersoonlijking geraken van mijn volk en mijn land. Wie van jullie kan hetzelfde zeggen? (rumoer verstomt)

Ik bén Groot-Brittannië. Of u dat nu leuk vindt of niet. En ik bezit dan ook, mijne heren, als geen ander de gave van: het realisme. Dat is geen opschepperij. Die gave is me met de paplepel ingegeven. Mijn ouders baatten een kleine buurtwinkel uit. Voedingswaren, conserven, huishoudspulletjes… Kleinheid is een goede leermeester, en de mens wordt getekend door zijn jeugd. Zeker als ie het later ook nog eens tot huisvrouw en politica schopt, in een natie die handel heeft gedreven op de zeven zeeën en die het grootste wereldrijk heeft mogen leiden dat de mensheid ooit heeft aanschouwd. Noem een droom, en wij Britten hebben hem in vervulling zien gaan.
Dat heeft zijn nadelen, akkoord. Een mens die geen dromen overhoudt is niet per se een gelukkig mens. Zeker als hij moet leven in een klimaat als het onze. Maar er zijn ook voordelen. Nuchterheid is er maar één van. Wij Britten hebben alles minstens een keer gezien en meegemaakt. Ons maak je niet snel iets wijs. Wij houden rekening met de werkelijkheid zoals die is. Niet zoals ze wordt bijeen gefabuleerd door politicologen en filosofen, en bureaucraten die azen op nog hogere lonen.
Voor hun praatjes koop ik niets. Voor mij geldt maar één devies. Een dubbeltje is een dubbeltje. En als dat dubbeltje niet in je hand ligt, of in je zak zit, dan heb je niets. Ik hoor het mijn moeder nog zeggen -of was het Winston Churchill? ‘Op de belofte van cake kun je niet kauwen, laat staan overleven.’ Ook niet in dit gezelschap, (koket lachje) Vooral niet in dit gezelschap. Ik ben niet gek, mijne heren…! Ik niet.
Daarom zeg ik u: als wij, politici, aan iéts nood hebben? Dan is het: nood aan nederigheid en zelfbeheersing. Mijn God! Politiek bedrijven? Dat is als het bakken van een vis. Meer niet. Je hebt een pan nodig en gloeiend hete boter. En een vis natuurlijk. Liefst een verse. Die leg je in je gloeiende boter, en je draait hem één keer om. De kunst is te weten wanneer. Zo luidt de definitie van staatsmanschap: men moet weten wanneer men zijn vis moet omdraaien. Al de rest is propaganda en misleiding, die voert naar drama’s, faillissementen en economische crises, al dan niet verergerd door wilde stakingen, een beurscrash en een heropleving van het socialisme.
Daarom herhaal ik, zonder verdere omwegen en recht door zee, slechts één ding aangaande heel die Europese gedachte van jullie. Wij willen óns geld terug. Een billijke restitutie en een aanzienlijke vermindering van onze jaarlijkse bijdrage. Vanaf nu. Nee, dat is geen daad van verraad. We geven Europa niet op. Integendeel. Ik zou hier niet zitten in the first place, toch? Maar wij hadden van in het begin zo onze twijfels, dat is waar. Geef ons eens ongelijk. Wij hebben, beste vrienden, de lokroep van een verenigd Europa al eerder het Kanaal horen overwaaien. Een paar jaar later was het weer eens oorlog en stond het continent andermaal in lichterlaaie. Wij hebben honderdduizenden, nee, miljoenen van onze jongens zien sneuvelen op uw slagvelden. Onze hoofdstad heeft in puin gelegen onder de terreur van uw bombardementen. Vergeef ons ons geheugen, beste vrienden. Zoals wij u het gebrek eraan vergeven.
Al bijna een volledig millennium is geen buitenlandse mogendheid er nog in geslaagd om ons te komen bestrijden op ons eigen grondgebied. The Battle of Hastings, in 1066… Denkt u werkelijk, dat dat toeval is? Kijk eerst naar uw eigen geschiedenis, voor u mij antwoord geeft, in alle eerlijkheid. Misschien zult u tegenwerpen, dat wij Britten gemakkelijk praten hebben, omdat wij een eiland vormen, en zodoende door de natuur gezegend zijn met een moeilijk doordringbare grens. Maar daar gaat het nu juist om. Onze toestand en onze geschiedenis bewijzen het nut van sterke grenzen. Indien Groot-Brittannië geen eiland was, zou ik ernaar streven om er zo snel mogelijk een eiland van te maken.
Ik kan u alleen maar hetzelfde aanraden. Waarom zou Europa per se een centralistisch kluwen moeten worden? Het stalinisme en de klassieke multinational hebben, bekeken door onze nationale bril, twee zaken gemeen: een onderdrukkende bureaucratie en een korte levensduur. Het is zoveel efficiënter wanneer, binnen een en dezelfde structuur, de onderdelen met elkaar kunnen blijven concurreren. Dat hebben het moderne kapitalisme en het aloude Groot-Brittannië met elkaar gemeen. Onze vlag heet niet voor niets the Union Jack.
Ik, mijne heren, sta model voor beide. Het roemruchte Groot-Brittannië, en het herboren kapitalisme. Dus geloof mij. Europa moet geen monolitisch blok worden, maar een groep van eilanden. Europa zal een archipel zijn, of niet zijn.

Zo. Dan laat ik u nu, mijne heren. In alle vriendelijkheid, hoffelijkheid, en dankbaarheid zelfs. Omdat jullie ons verzoek tot bijdragevermindering zo gul aanvaarden, zonder al te veel woede en xenofobische wanklanken. Ik ben u daar zeer erkentelijk voor. Ik wens u een prettige voortzetting van uw vergadering. Wat ook het onderwerp moge zijn.
Ta-ta!
I’m off…

(af)

theatertekst
Leestijd 7 — 10 minuten

#101

15.04.2006

14.07.2006

Tom Lanoye

theatertekst