Ivan Grubanov

Ivan Grubanov

Leestijd 5 — 8 minuten

‘Mapping myself into complex social situations’

Ivan Grubanov en Anne Dekerk

Slobodan Milosevic

De politieke carrière van Slobodan Milosevic (1941, Pozarevac-2006, Den Haag) kent haar opkomst en neergang in een tijdsspanne van iets meer dan een decennium.

In 1989 roept Slobodan Milosevic een miljoen Serviërs op het historische Merelveld in Kosovo toe: ‘niemand zal ooit nog een haar op jullie hoofd krenken.’ Milosevic maakt geschiedenis met deze uitspraak, waarna een hele reeks etnische conflicten losbarsten die de Balkan tien jaar lang in hun bloedige greep houden. In 1988 wordt hij leider van de Communistische Partij van Servië. Na het instorten van het communisme sleept hij het volk mee in een ongebreideld nationalisme. Op dat moment is Servië de machtigste van de zes Joegoslavische republieken. Twee jaar later wordt hij tot president van Servië verkozen.

Terwijl West-Europa een unificerende beweging tracht te maken, tekenen zich na het verdwijnen van de machtige Sovjetunie en onder invloed van een sterk opkomend nationalisme steeds meer verscheuringen af. Sommige republieken scheuren zich zonder veel moeite af, maar bij andere leidt een complexe verscheidenheid onder de bevolking tot bloedige burgeroorlogen.
In 1997 wordt Milosevic president van Klein-Joegoslavië, dat op dat moment enkel nog uit Servië en Montenegro bestaat. Na een zoveelste vuurhaard in Kosovo, de internationale economische boycot en de NAVO-bombardementen, leven de Serviërs tijdens de verkiezingen van september 2000 in een gebroken land.

Als Milosevic de verkiezingsoverwinning van zijn tegenstander Vojislav Kostunica niet wil erkennen, leidt dit tot een massale opkomst op straat (de zogenaamde Bulldozerrevolutie). Er breekt een algemene nationale staking uit en het parlement en de staatstelevisie worden belegerd. Kostunica spreekt een juichende menigte toe: ‘Servië heeft de weg van de democratie betreden; en waar er democratie is, is er geen plaats voor Slobodan Milosevic.’

Milosevic wordt in april 2001 door de Servische politie gearresteerd om nationaal berecht te worden voor ambtsmisbruik en verduistering. Pas na grote internationale druk wordt hij uitgeleverd aan het International Criminal Tribunal for Former Yugoslavia (ICTY). De aanklacht luidt dat Slobodan Milosevic de centrale figuur en de verantwoordelijke is voor de oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid begaan in Kroatië (1991), Kosovo (1999) en Bosnië (1992-1995). In het geval van Bosnië is er ook sprake van genocide. Op 12 februari 2002 start zijn persoonlijk proces in Den Haag. Zoals elk internationaal proces is dit een langademig gebeuren, dat onderhevig is aan talloze vertragingen en verdagingen. Het tribunaal plant alle processen afgesloten te hebben in 2008.

Slobodan Milosevic overleed op 11/3/2006 in zijn cel in Den Haag, net voor Etcetera ter perse ging.

Ivan Grubanov (°1976, Belgrado)

De Servische kunstenaar Ivan Grubanov is één van de velen in zijn land die protesteerden tegen de dictatuur van Milosevic. In 2001 gaat hij naar Amsterdam voor een residentie in de Rijksacademie voor beeldende kunsten. Hij wordt er geconfronteerd met het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag, waar de man die zijn leven en identiteit zo fundamenteel beïnvloedde terechtgesteld wordt.

Op 12 februari 2002, de dag van de eerste zitting, stapt Grubanov de zwaarbewaakte rechtszaal binnen dankzij een visitor-badge die hij heeft kunnen bemachtigen. Het is verboden om foto’s te nemen tijdens de zittingen, maar Grubanov begint er stiekem tekeningen te maken op kladpapier; hier en daar schrijft hij er korte zinnen bij. Gedurende twee jaar woont hij de zittingen regelmatig bij en maakt zo een tweehonderdtal tekeningen.

‘Ik breng mezelf in kaart in complexe sociale situaties’

Ivan Grubanov draagt een persoonlijke geschiedenis met zich mee die sterk verankerd is in de recente gebeurtenissen in Servië. Doorheen zijn werk onderzoekt hij de relatie tussen het persoonlijke verhaal en de politieke geschiedschrijving.

Grubanov is genoodzaakt om stiekem schetsen te maken tijdens het Joegoslaviëtribunaal. Foto’s en opgenomen beelden mogen enkel onder strenge controle en specifieke voorwaarden gemaakt worden. Zijn vluchtige schetsen geven gestalte aan de tijd. Ze zijn in de eerste plaats chronologisch en niet narratief. Ze geven het dagdagelijkse van de rechtszaal weer, en niet zozeer het glamoureuze of het sensationele. Naast Milosevic en andere personen schetst hij trouwens ook elementen uit het decor.

In eerste instantie lijkt het een registratie van zijn eigen aanwezigheid op het tribunaal. Als een dubbele getuige, van het tribunaal zelf én van de historische gebeurtenissen die hier berecht worden. Hij maakt een subjectieve documentaire over zijn confrontatie met de man die zoveel invloed heeft gehad op zijn persoonlijke leven.

Grubanov documenteert tegelijkertijd op een unieke manier het proces, dat voor de rest qua beeldregistratie streng wordt gecensureerd. Zijn schetsen op kladvellen kunnen in tegenstelling tot TV-beelden of tekst niet ge-edit worden. Ze zijn wat ze zijn.

Tegenover zijn tekeningen plaatst Grubanov later stills van de TV-opnames die gemaakt werden van de zittingen die hij bijwoonde. Doorheen de glazen wanden die Milosevic omgeven zien we Grubanov. Hij kijkt en is direct getuige, maar wordt ook bekeken en vastgelegd in de beelden op televisie. Hij maakt zichzelf letterlijk tot een deel van deze gebeurtenis. Tegelijkertijd draagt hij zelf ook de gebeurtenissen die hier bevraagd worden en die zijn identiteit beïnvloedden, permanent met zich mee.

Grubanov is in dit geheel een anoniem gegeven, een schim achter de historische figuur. Een verre stille getuige. Bij de TV-beelden is er geen subject, geen subjectiviteit aanwezig. De aandacht gaat uiteraard naar Slobodan Milosevic: hij is de incarnatie, het symbool van de gebeurtenissen en als dusdanig de notoire historische figuur. Als kunstenaar is Grubanov zelf een ‘publiek persoon’ die zijn werk tentoonstelt.

Si, dans la relation entre le dit et son avoir-lieu, le sujet de l’énoncé pouvait bien être mis entre parenthèses, puisqu’il avait d’ores et déjà pris la parole, la relation entre la langue et son existence, entre langue et archive, exige en revanche une subjectivité, qui seule atteste, dans la possibilité même de parler, une impossibilité de la parole. Et c’est pourquoi la subjectivité se présente comme témoin, peut parler pour ceux qui ne peuvent parler. Le témoignage est une puissance qui accède à la réalité à travers une impuissance de dire, et une impossibilité qui accède à l’existence à travers une possibilité de parler. Les deux mouvements ne peuvent ni se confondre dans un sujet ou une consigne, ni se scinder en deux substances sans communication. Cette intimité indémaillable est le témoignage.’1

Giorgio Agamben (1999), Ce qui reste d’Auschwitz. L’archive et le témoin. Homo Sacer III, Editions Payot S Rivages, p. 191-192.

Mensen zoeken dikwijls naar ‘dé waarheid’ om zich op die manier een positie te kunnen verschaffen ten aanzien van ‘een gebeurtenis’. Grubanov toont ons dat de verhouding van het individuele verhaal ten aanzien van de geschiedenis niet rond zo’n inhoudelijke waarheid draait. En dat dit à la limite geen positie verschaft. Het zou betekenen dat het eigen verhaal en het collectieve verhaal zouden kunnen versmelten in een persoon. Het tegendeel gaat echter ook niet op. Zoals Agamben verwoordt, zijn het ook geen aparte substanties en is een zekere ‘communicatie’ tussen beide noodzakelijk. Het ‘origineel’, het ‘avoir-lieu’ kan niet probleemloos achterhaald en verwoord worden. Het is die complexe onmogelijkheid om een positie in te nemen die Agamben beschrijft wanneer hij het heeft over de dialectiek van de getuigenis. Een getuigenis is niet het verwoorden of verbeelden van een waarheid. Grubanov kiest er niet voor om zijn persoonlijke verhouding bloot te leggen of om zijn verhaal te vertellen, maar legt de structuur bloot die schuilgaat in de uiterst ambivalente verhouding tussen het private en het publieke van zo’n gebeurtenissen. Hij verschuilt zich niet achter standpunten, maar zoekt op een basale manier naar een positie die niet verwrongen wordt door een zoektocht naar ‘de verborgen waarheid’. Deze waarheid is onzegbaar. Hij toont de structurele ambivalentie van die verhouding zelf. Van het zelf getuige zijn van zo’n geschiedenis en het zichzelf plaatsen in een historisch moment. Als wederzijdse contrapunten zijn de tekeningen en de TV-beelden tegelijkertijd onlosmakelijk verweven doorheen de intimiteit van het ‘avoir-lieu‘. Beide media leggen ‘de gebeurtenis’ vast. ‘De gebeurtenis’ krijgt het statuut van ‘het ding’, waarrond gecirkeld kan worden, dat formeel in de geschiedenis vastgelegd kan worden maar onzegbaar is en als dusdanig geen aanwijsbaar of zegbaar ‘origineel’ heeft.

Hier raakt Grubanov aan de door Agamben beschreven verhouding tussen wat onzegbaar is, tussen het onvermogen om te spreken en de onmogelijkheid van de getuigenis als mogelijkheid om te spreken. Het is een intimiteit die aan ons ontsnapt en tegelijkertijd een subjectiviteit vereist. Grubanov legt zo in één beweging de kloof en dialectiek bloot tussen de door media en historici bepaalde geschiedenis en de persoonlijke geschiedenis. Hij vrijwaart hiermee de plaats van de getuige.

1. ‘In de verhouding tussen het gezegde en diens ‘plaatsvinden’, kon het subject van het uitgesprokene makkelijk tussen haakjes gezet worden omdat het reeds het woord had genomen; de relatie tussen taal en bestaan, tussen taal en archief daarentegen, vereist een subjectiviteit die alleen getuigt, door de mogelijkheid van het spreken, van een onmogelijkheid van het woord.’

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

#101

15.04.2006

14.07.2006

Ivan Grubanov

artikel