Paul Derksen

Leestijd 10 — 13 minuten

Manifest: Trekt de danswereld zich terug in zalige onwetendheid?

Paul Derksen beziet onze relaties met de ruimte als omgeving, herziet onze relatie met Laban

Manifest is een rubriek voor klassieke teksten of voor teksten die dat kunnen worden. Hoewel ze soms verzeild zijn geraakt in de vergeetputten van het geheugen, zijn het ijkpunten in de geschiedenis van de podiumkunsten. In Manifest kunnen ze zich nu opnieuw manifesteren, opdat we onze relaties ermee zouden kunnen bezien, herzien.

Rudolf von Laban (1879-1958): danser, choreograaf, pedagoog, danstheoreticus, een van de sleutelfiguren van de expressionistische dans. Tijdgenoot van velen: Steiner en Feldenkrais; Stramm, Van Ostaijen en andere dadaïsten en nihilisten; Schlemmer, constructivistische en futuristische kunstenaars en ontwerpers; dansexpressionisten als Wigman en Jooss; les Ballets Russes, de Russische dans-constructivisten, Balanchine; de zwart-wit filmers Pabst, Murnau, Sternberg, Von Stroheim; Brecht en Weill; Picasso, Braque, Ernst, Picabia, De Chirico; Riefenstahl en Hitler. Tijdgenoot ook van opwindende en gruwelijke gebeurtenissen: van het fin-de-siècle via de Weimar-republiek en de roaring twenties naar de wederopbouw. Telg van een gegoed Hongaars geslacht.

Hoe opmerkelijk verlicht is de utopist Laban temidden van deze tijden! Hoe onbarmhartig de historie: het was Laban die zijn handtekening zette onder de bewégingskoren voor Hitlers Olympiade, Berlijn 1936.

Labans choreografieën hebben niet dezelfde impact gehad als zijn gedachtengoed. Afgezien van de Olympische Spelen zal hij waarschijnlijk niet, of slechts incidenteel, herdacht worden om zijn choreografische en dansante prestaties. Begiftigd met fonkelende, betoverend blauwe ogen was hij als persoon charismatischer – een aantal nog levende dames zal hem zo gedenken: als beschermheilige van de gemeenschapsdans in de vleselijke zin van het woord.

Correspondentie

Als danspedagoog heeft Laban daarentegen onmiskenbaar sporen nagelaten. De door hem ontwikkelde methoden om vorm en verloop van een beweging en het gebruik van tijd en gewicht daarin te analyseren – Labannotatie en effortnotatie – worden nog steeds toegepast in de specialistische gebieden van de dans, arbeid en sport. Laban en consorten hebben zich ingezet om de dans(expressie) over de hele samenleving te verspreiden. Dans-expressie, danseducatie en gemeenschapsdans hebben onderhand in meerdere landen vaste voet aan de grond gekregen.

In de Körperkultur waar Laban deel van uitmaakte ondervonden klassieke idealen, harmonie en lichamelijkheid een hernieuwde waardering. Zijn opvattingen over expressie in beweging ontleende Laban aan Delsartes’ (1811-1871) Wet van Correspondentie: ‘uiterlijk waarneembare’ houdingen en bewegingen zouden de manifestatie zijn van ‘innerlijke processen’ (een gemoedstoestand, een karaktertrek). Uiterst systematisch inventariseerde Laban bewegingen en hun corresponderende emoties in een ‘solfège van de ziel’.

Dergelijk systeemdenken doet vandaag benauwd aan. Het geloof in een strikte scheiding van een uiterlijke vorm en een innerlijk leven is overigens filosofisch ontmaskerd: hoe kan het stoffelijke immers met het onstoffelijke interageren als ze van principieel andere aard zijn? Bovendien is het gedachtengoed van Laban bezoedeld sinds Hitler de Körperkultur heeft gerecupereerd. De nazi-ideologie verbond waardeoordelen aan de oorsprong en locatie van het lichaam. ‘Mens sana in corpore sano’, een gezonde geest in een gezond lichaam. En een Duits lichaam is natuurlijk ‘gezonder’ dan om het even welk ander.

9-punts equilibristisch kristal

Wat moeten we vandaag dan met een door de tijd achterhaalde utopist? Wonderlijk genoeg is het William Forsythe geweest die Labans vormonderzoek weer in de schijnwerpers plaatste. Ontdaan van de expressionistische connotaties blijken diens systemen uiterst geschikt voor het creëren, memoreren en analyseren van beweging. Laban modelleerde een denkbeeldige geometrische twaalfhoek (ico-saëder) rondom het lichaam. De ledematen kunnen binnen deze ‘begrenzing’ (de kinesfeer) trajecten beschrijven: ‘trace-forms’. Forsythes ‘nine-point’ is een vergelijkbare methode, met dien verstande dat de danser zich een kubus om zijn lichaam voorstelt in plaats van een twaalfhoek. Ieder vlak kent negen punten: de vier hoeken, de middelpunten van de zijden en een centraal punt. Beweging ontstaat simpelweg doordat de danser met een lichaamsdeel punten traceert. De methode omvat – naast de in ballet gecodificeerde bewegingen – een enorm potentieel aan andere bewegingen en posities.

Zijn vormsysteem mag dan wel nog bruikbaar zijn, de ruimtelijke referentiekaders die Laban koos voor het beschrijven van de ruimte komen nu des te antieker over. Definieert hij immers niet de ruimte rondom (het centrum van) de danser zoals ooit de zon en andere planeten geacht werden om de aarde, centrum van het universum, te draaien? Het ruimtebegrip van Cunningham en andere postmodernen gelijkt meer op ons huidige beeld van de kosmos: in principe kan ieder punt ruimtelijk centrum’zijn. De door Laban beoogde eenheid is bovendien door dadaïsten en postmodernisten bruusk verstoord door schijnbaar willekeurige rangschikkingen te maken, en daarin expliciet het toeval als (mede) vormgevende factor binnen te halen: spontane, willekeurige verandering.

Labans streven naar harmonie vloeide voort uit een wereldopvatting die equilibrium als ultiem doel stelt. Instabiele bewegingen moeten Laban ondenkbaar zijn voorgekomen (i): ‘De architectuur van de droom kan de wetten van het evenwicht negeren, net zoals droombewegingen dat kunnen. En toch: altijd zal een fundamenteel evenwichtsgevoel ons eigen blijven, zelfs in de meest fantastische afwijkingen van de werkelijkheid.’ (Choreutiks, p.5)

Een goede dertig jaar later laat Forsythe zijn dansers met passie de instabiliteiten in een beweging opzoeken, die punten waar alternatieven zich (wel moeten) aandienen. Hij benadert in principe ieder punt in het lichaam als ruimtelijk oriëntatiepunt van een beweging, verschuift oriëntatievlakken zodat de ruimte, zowel voor de danser als voor de sensitieve toeschouwer, voortdurend transformeert.

Space: The Final Frontier

Niet alleen Labans ruimtemetafoor en harmoniedenken hebben plaats moeten ruimen voor andere opvattingen, ook de notie van collectiviteit is vandaag niet meer op eenzelfde manier te begrijpen. Meer nog, nadat het afgelopen decennium de idealistische collectieve bouwwerken van de jaren zestig en zeventig heeft afgebroken, lijkt een tijdperk van hyperindividualisme aangebroken. Een voortschrijdende versplintering die nu ook de premissen van onze identiteit lijkt te willen raken.

Nu technologische ontwikkelingen medische transplantaties en grafische manipulaties mogelijk hebben gemaakt, klinkt scherper dan ooit de vraag hoe we dan nog onze identiteit kunnen ontlenen aan ons lichaam, het zachte vlees, de botten en organen? Hierdoor gefascineerd stellen met name beeldende kunstenaars het (biologische) lichaam en zijn manipuleerbaarheid ter discussie. Iemand als Forsythe verplaatst zijn interesse steeds radicaler naar de dansers zelf. Samen met een groeiend aantal choreografen bestudeert hij met belangstelling de anatomie, fysiologie en de zintuiglijkheid van dansers (2). Het vormonderzoek van de highbrow abstracte dans lijkt daarmee een verloving aangegaan met de ‘movement research’ die vooralsnog vooral in de onderstroom opereerde (3). Het resulteert in voorstellingen die een immens genot zijn. Even deelgenoot te kunnen zijn van ragfijn precieze bewegers! Hoe delicaat de composities op de vierkante millimeter. Hoe rijk aan contrasten.

Mijn tijdgenoten zullen dit rijkgeschakeerd bewegen hopelijk niet interpreteren als de unieke drager van één universele emotie. Immers: zelf fervent liefhebber van de abstracte dans, roep ik luid: lang leve de steelse humor, lang leve de meerduidigheid van het bewegen, de afstandelijk-ironiserende commentaren, de ambivalentie van gevoelens. Lang leve het understatement.

En toch, en toch. Labans geloof in de waarachtigheid en collectiviteit van emoties mag dan door de tijd achterhaald zijn, is ieder onbevangen exposeren en delen van gevoelens daarmee ook bij voorbaat verdacht? Het zou dwaas zijn te veronderstellen dat het gevoelsleven (voorgoed) op het plan van het individuele geplaatst zou zijn: de hele notie van ‘cultuur’ draait toch immers om uitvinden, herontdekken, vormgeven, uitwisselen en verrassen? Gangs en subculturen drijven op codes; het Internet vormt nu juist een medium waarmee personen ver van elkaar hun fascinaties en intimiteiten kunnen delen. Voor oningewijden in abracadabra: lang leve het netwerk van globaal individualisme!

We kunnen denkbeeldig kilometer na kilometer afleggen. Gehuld in mijn kunststof oranje Yamaha-jack (als ik meer gefortuneerd was: een WLT-setje natuurlijk) nestel ik me voor de beeldbuis, gereed voor een interstellactische ruimtereis met Buck Rogers of een pre-galactisch Kraftwerk-retrospectief. Digitale animatietechnieken stellen ons in staat dansen te verzinnen voorbij de grenzen van het menselijk mogelijke – zou ex-Forsythe danseres en choreografe Amanda Miller (nog op het voorbije Klapstuk 95 te zien) niet liever optreden in een zwaartekrachtsimulator, zodat haar Net-surfende dansnomaden ook werkelijk hun begrenzingen kunnen ontvlieden?

Tussen de virtuele ruimtereizen zouden we bijna vergeten dat een mens zich ook fysiek kan verplaatsen. De beeldend kunstenaar Joep van Nieuwenhuizen bouwde recent een royale kampeerwagen met aanhang in Star Trek-stijl. Groot was de verbazing toen bleek dat hij niet met het produkt van zijn fantasie genoegen nam maar hem daadwerkelijk wou gebruiken – om er de Verenigde Staten mee te doorkruisen!

Hoe kan een individu zich verhouden tot een ‘werkelijke’ omgeving: een ander, de ‘samenleving? Hoe beïnvloedt de omgeving je eigen leven? Ikzelf ben geboren en getogen in een – letterlijk en figuurlijk – geruisloos gehucht. Zou het leven in het centrum van een ‘wereld’stad, grotesk maar altijd van geluid vervuld, mijn zenuwstelsel systematisch veranderen en de zintuigen verdoven?

Wat is er nu feitelijk veranderd?

De Berlijner Potzdammerplatz, hart van de stad die zo graag weer het kloppend hart van Duitsland wil worden, wordt momenteel verbouwd – genannexeerd – door een aantal multinationals. De manier waarop de bevolking op de hoogte wordt gesteld beangstigt me: dogmatische showcases in plaats van discussies over het vormgeven van de openbare ruimte – omgevingen voor mensenlijk handelen – hetgeen een aantal architecten overigens gepassioneerd doet. Kan echter een zelfstandig, nietig burger hier nog tegen optreden? Wat is er nu feitelijk veranderd: het discours of haar onderwerp – samenleven en samenleving? Is de zogenaamde individualisering een volgende stap in de ‘bevrijding van de burger’ of een intellectueel rookgordijn voor het feit dat bepaalde kwesties feitelijk nooit opgelost zijn?

Terwijl differentiatie gepredikt wordt – ongetwijfeld als theoretische voedingsbodem voor het verkondigd individualisme – worden we herhaaldelijk geconfronteerd met de manifestaties en consequenties van deze verscheidenheid. Of juist: het ontbreken van emancipatie. Want zijn het verkondigde individualisme, de raciale, seksuele en ideologische differentiatie, het insluitende geen toverwoorden in een tot actueel uitgeroepen discours om te verhullen dat de emancipatie op een bepaald punt is halt gehouden of in een impasse geraakt? Harde feiten: het versplinteren en verenigen van landen en groeperingen (geen historisch novicum, maar daarom niet minder confronterend), oorlog (eveneens van alle tijden), (wederom) verbroken illusie van vreedzaam samenleven, (wederom) ideologische tweespalt.

Deze tijd vertoont een aantal uiterlijke kenmerken van het interbellum dat Hitlers pad plaveide: een economisch zorgwekkende situatie, een quasi-belangstellend insluiten van het exotische, een hervonden belangstelling voor het lichaam én spiritualisme, het uitsluiten van nieuwe landgenoten, morele réveils, reactionaire tendensen en een toenemende overheidsregulatie – die ook in de kunsten voelbaar wordt. Mag ik nu, gezegend immers met een postmodern relativerende levensinstelling, ironisch glimlachend deze sluwe constatering verwelkomen? Of moet ik -desnoods onterecht – vrezen dat de geschiedenis zich herhaalt? Hoe huiverig we ook mogen zijn voor dogmatiek en classificeerdrang, kunnen we de vinger leggen op de formules die ten grondslag (kunnen) liggen aan totalitaire systemen?

Kunnen we, tussen alle geluiden over het lichaam, in ieder geval één kritische kanttekening over het moreel waarderen van menselijke lichamelijkheid ontwaren? Kan een kunstenaar eigenlijk wel de vinger leggen op wat met ons zal (kunnen) gebeuren?

De vertrouwde stijlmiddelen waarmee het typische ‘Tanztheater’ individuen en groepen liet zien hebben, wat mij betreft, ondertussen hun zeggingskracht verloren. Improvisaties dienen zich momenteel als geschikter plek om personen te laten onderhandelen, waar individuen temidden van een veranderlijke omgeving persoonlijke overwegingen en keuzen kunnen maken, kunnen ingrijpen en daar expliciet de consequenties van aanvaarden.

Het onderzoek waarmee Forsythe en de zijnen bestaande vormen en structuren afbraken, heeft een schat aan principes en fenomenen overgeleverd. Het is wellicht deze – ‘onbeladen’ – differentiatie van vormen die het kader heeft geschept, en zo de weg geplaveid voor de viering van het individu. De sensitiviteit, anatomie en verbeelding van individuele dansers kunnen daarbinnen goed gedijen. Maar hoe wonderlijk ook, in deze roerige tijden te constateren dat de abstracte dans zich in een schulp verschuilt. Forsythe, Miller, Saburo Teshigawara, Harijono Roebana & Andrea Leine (nog op De Beweeging 96 te gast), Anouk Van Dijk, Paul Selwyn Norton (De Beweeging 96), onderling verscheiden materiaalonderzoekers, verwant wat betreft hun bronnen: het zoeken naar verandering en transformatie, het versplinteren van beweging, het samenspel van vorm, zwaarte, lucht en verbeelding, het verbeelden van visioenen. Allen verfijnen zij steeds intenser en preciezer de dans. De concentratie van de dansers en de subtiliteit van hun bewegen is zo scherp dat de oningewijde toeschouwer buiten schot blijft, overladen door informatie die hij of zij niet kan ‘lezen’, en bij de ingewijden een verzadiging optreedt – een beeldinflatie, met als resultaat dat de beeldtrip strikt privé blijft. De dansers zijn als het ware gevangen in hun eigen kinesfeer, verzwolgen in processen. De ruimte is geïmplodeerd.

De ruimte als omgeving

Bij Forsythe, Teshigawara en Van Dijk neigt het lichaam naar een staat van onthechting, Miller laat haar dansers voortdurend ontsnappen aan hun actuele locatie, en bij Roebana 8c Leine en Norton zijn de dansers druk in de weer met hun gewaarwordingen, zo intiem en individueel dat de ruimte als omgeving in het gedrang komt. Wat zij gemeen hebben is dat bij hen allen de dansers als onbetrokkenen ten opzichte van hun omgeving verschijnen. De actuele locatie wordt dan min of meer inwisselbaar, ondergeschikt aan de persoonlijke gewaarwording en de imaginaire ruimte. Is ‘ruimte’ dan kennelijk niet per definitie een omgeving of een locatie waartoe deze hedendaagse dansmakers zich willen bekennen?

Meg Stuart legde in No one is watching haarscherp de vinger op dit autisme. De gehele voorstelling was een weigering om te bewegen, haast een weigering om te bestaan. De dansers toonden en plein publique ‘schijnbewegingen’: iets wat emotioneel had kunnen zijn, wat intiem had kunnen zijn, wat fysiek had kunnen zijn. Schijn-intimiteit, schijn-lichamelijkheid, schijn-emoties, schijn-verbeelding. Onmacht of onwil? Trekt de dans-wereld zich terug in zalige onwetendheid? Of worden we onderworpen aan een test voor de zintuigen, een waarnemen voorafgaand aan een betekenis die pas over enige tijd tevoorschijn komt?

De diagnose van Meg Stuart mag dan al raak zijn, ze biedt geen alternatief. Waar kunnen wij, laat-twintigste eeuwers, dan wel herbronnen om de ruimte (opnieuw) op te eisen?

Optredens op de straat voor een openlijk kritisch publiek zijn zo oud als het theater. Er heerst een tendens om de setting van het theater als museaal te beschouwen. Een aantal performancemakers beziet nu, opnieuw, waar en voor wie ze willen optreden, in welke condities hun werk kan worden geapprecieerd. Katie Duck, beslagen in de dansimprovisatie, sleurt bijvoorbeeld haar troupe voor een gag een oude silo of de kroeg in. Theatergroep Hollandia heeft de Bijzondere Plek bijna tot zijn handelsmerk verheven. De componist Horst Rickels tovert een oude steenfabriek om tot blaasinstrument, en componist en theatermaker Dick Raaijmakers leeft op in forten en fabrieken, ruïnes van onze beschaving.

We kunnen ook draden oppakken waar die ooit zijn losgelaten. Forsythes structuur-denken is in belangrijke mate gevoed door de (taal) filosofie en natuurwetenschappen. Die leverden hem methodes om bewegingen te genereren en om composities voor meerdere dansers te maken. De systeemtheorie en de natuurwetenschappen bieden kaders waarbinnen vragen over differentiatie, verandering, de aard van veranderingen, interactie en controle specifiek te lijf gegaan kunnen worden. Met name theorieën van zelf-organisatie kunnen een situatie vormgeven waarin individuen zich een plaats kunnen bevechten in een veranderlijke omgeving. Niet toevallig speelt een deel van de theorievorming in de zogeheten ecologische psychologie zich in deze velden af.

En Laban? De geschiedenis kan wreed zijn voor pioniers van weleer. Labans ideologie is besmeurd geraakt, door toedoen van zijn tijdgenoten nog wel. Maar met de tijd kunnen tegelijk ook de oorspronkelijke betekenissen verdwijnen, zodat we een begrip of persoon kunnen waarderen alsof het een eerste kennismaking betreft. Ontdaan van de geboden vormt Labans ‘solfège’ bruikbaar basismateriaal voor het vormgeven van beweging en ruimte. Laban zelf laat in zijn geschriften de omgeving, voor zover die buiten de kinesfeer valt, buiten beschouwing. Toch moet hij erover hebben gefilosofeerd, getuige daarvan het volgende fragment uit Choreutiks. Binnen het complexe werk dat de hedendaagse dans voortbrengt, bewijst de betrekkelijke eenvoud van Labans principes haar waarde: hun simplificaties werken verhelderend.

Voetnoten

1. Na de oorlog verzette de Russische bewegingstheoreticus Nikoiai Bernstein zich fel tegen de de idee van homeostase (evenwicht in een proces). Volgens die opvatting ontstaat iedere actie in reactie op iets externs. Levende wezens zouden dan gedoemd zijn enkel te reageren op de omgeving, overgeleverd aan de grillen van de natuur – een stellingname die Bernstein een verbanning door de Sovjet-overheden opleverde. Na zijn verbanning werkte Bernstein nauw samen met een groep mathematici die zelfstandige ‘eenheden’ in een gelaagd systeem modelleerden. In het Westen heeft dit soort onderzoek, via de niet-equilibrium thermodynamica, uiteindelijk een vervolg gekregen in niet-lineaire dynamica (in de volksmond de ‘chaos-theorieën’), synergetica en theorieën van zelf-organisatie. Toen in de jaren tachtig de chaos-theorie en vogue was koketteerden diverse dansmakers en andere kunstenaars met dit nieuwe wereldbeeld (‘onvoorspelbaarheid’, complexe fenomenen uit simpele principes, alternatieve trajecten en strategieën en toevalsprocessen).

2. Een ontwikkeling ‘van buiten naar binnen’ die vergeleken kan worden met de historische ontwikkeling van de ‘movement research’: van de vorm naar de zwaarte (mechanica) naar de botten (anatomie) en ademhaling (fysiologie) naar de werking en kwaliteiten van organen, spieren en weefsels (meer fysiologie).

3. Een aantal van Labans tijdgenoten heeft explicieter en diepgravender dan Laban anatomisch onderzoek gepleegd. Onder meer dankzij methodes van buiten het theater zoals t’ai chi, yoga, aikido en wetenschappelijk en therapeutisch onderzoek (Alexander, Feldenkrais, ‘developmental movement’) heeft de zogeheten ‘movement research’ zich ontwikkeld: releasetechnieken, contact-improvisatie, body mind centering. Anatomie, fysiologie, mechanica en verbeelding vormen een essentieel vertrekpunt in deze lijn van studie in de dans. Enkele choreografen: Steve Paxton, Meg Stuart, Donald Flemmming, Gonnie Heggen, David Zambrano.

artikel
Leestijd 10 — 13 minuten

Paul Derksen

artikel