© Ahmed Abu Awad

Leestijd 14 — 17 minuten

M.O.L. – Sara Oklobdzija / ROBIN / KVS

Spelen op het veld voor het veld / Playing on the Field, for the Field

In Double Take gaan twee Etcetera-auteurs naar een voorstelling en schrijven ze elkaar in het zog ervan een brief. Alina Savitskaya en Ugnė Noreikė schrijven elkaar na M.O.L. over aardappelen, integratie en de vraag of het cultuurveld bereid is zijn handen vuil te maken. “De patat die ik op het einde vasthield, woog zwaarder dan haar speech.” // In Double Take, two Etcetera authors attend a performance and write each other a letter in its wake. Alina Savitskaya and Ugnė Noreikė write to each other after M.O.L. about potatoes, integration, and whether the cultural sector is willing to get its hands dirty. “The potato I held at the end had more weight than her speech.”

Van: Alina Savitskaya

Aan: Ugnė Noreikė

Dag Ugnė

Ik ben erg blij dat ik deze brief aan jou kan richten. Grappig genoeg had ik al vóór de voorstelling een idee waarover ik aan jou wilde schrijven en welke vragen ik wilde stellen omdat ik bepaalde verwachtingen van de voorstelling had, maar daar kom ik straks op terug. 

Het eerste wat ik zie als ik binnenwandel, zijn bergen patatten. Ik betrap mezelf op een brede glimlach. Het zijn er heel wat, maar nog altijd niet zoveel als de oogst van een Oost-Europese babushka die elk jaar vijf hectare aardappelen teelt en kweekt voor haar gezin van drie personen inclusief een kat. Komt dat je bekend voor? 

Patatten zijn de rode draad in het verhaal dat zich in het volgende anderhalf uur gaat afspelen. Een aangename, opgenomen stem verwelkomt de toeschouwers en wijst ons erop dat patatten sterk, betrouwbaar en bescheiden zijn, en hoopt dat ook “wij, gelijkgestemde individuen, zo zullen zijn”. De spelers dragen identieke grijze overalls, comfortabele kleren om op het patattenveld te werken. Elke speler heeft een uniek kleurrijk borduurwerk op de rug, borsten of schoudervullingen. De transportband, de rug van de vogelverschrikker en het bordje KIOSK’, dat op een onmogelijke hoogte hangt, versterken het beeld.

De spelers bukken zich en zeulen met patatten, gooien ze enthousiast in de emmers en alles lijkt zeer organisch totdat je merkt dat er achter hun professionele, harmonieuze bewegingen niets schuilgaat, en dat ze, zoals we in één van mijn moedertalen zeggen, watertrappelen in een mortier, of in gebruikelijk Nederlands, als een kip zonder kop rennen. Iemand gooit patatten in de emmer van een ander, die ze vervolgens weer op een hoop gooit, nog iemand anders pakt ze dan weer op en brengt ze terug naar ongeveer dezelfde plek waar de eerste speler ze vandaan had gehaald. Heel snel zie ik in de bühne geen patattenveld meer, maar een mooi gechoreografeerde speeltuin. 

In tegenstelling tot I’m.potent, dat zich richtte op de moeilijkheden van een vrouw en migrant om werk in het culturele veld te vinden, hoef je bij M.O.L. (Maatschappelijke Oriëntatie voor Locals) absoluut niet te verwachten dat de voorstelling over migratie of integratie in de politieke zin van het woord gaat. Ik ben stiekem blij: I’m.potent heeft mijn hart verscheurd en mij voor altijd met de ongemakkelijke vraag achtergelaten of theater mij enkel zo hard kan raken als ik me erin herken, als het mijn eigen ervaringen en gevoelens weerspiegelt. Is het erg dat mijn smaak zo sterk verbonden is met wat ik persoonlijk herken? Had ik I’m.potent even goed gevonden als ik in België geboren was? Heb je afstand nodig tot een kunstwerk om er een goed opgebouwd oordeel over te hebben? Ergens voelde ik me ook gebroken: hoe hard ik mijn best ook doe, ik ben voor altijd getekend als migrant, met alle bijbehorende trauma’s die aan mij blijven kleven. Wie had ik kunnen zijn, of welke andere trauma’s had ik kunnen ervaren als ik nooit had hoeven migreren? De onherstelbaarheid daarvan (hoe absurd ook) maakt me oprecht bang. Ervaar jij dit ook Ugnė? 

“Hoe hard ik mijn best ook doe, ik ben voor altijd getekend als migrant. Wie had ik kunnen zijn als ik nooit had hoeven migreren?”

Ondertussen wordt er in de speeltuin gespeeld “op het veld voor het veld”, zoals iemand zegt. In M.O.L. durven de spelers die hypocrisie van de sector en opgedrongen regels uit te lachen. Veelgebruikte termen zoals participatie, meerstemmigheid, diversiteit, inclusiviteit en safe(r) space, die het Vlaamse cultuurveld zo hard koestert en graag in elk dossier steekt, zijn in M.O.L. niet meer dan een scheet in de lucht (letterlijk). De ironie dringt door, en een paar bescheiden lachjes van het publiek bevestigen dat het veld hier ook gedeeltelijk aanwezig is. Wie is netwerken, ontwikkelingstrajecten, open calls, “precariteit van de kunstenaar”, try-outs, “stemmen die barsten”, polyfonie (niet te verwarren met polyamorie, ook al is de verleiding groot) en “klankbordgroepen” (terwijl ondertussen ook nog de “kwaliteit” bewaakt moet worden) niet beu? 

De speeltuinscène en haar gestructureerde chaos krijgen voor mij plots een andere betekenis. Als enthousiaste maar vermoeide medewerker in het cultuurveld denk ik onvermijdelijk aan het schrijven en voorbereiden van een dossier voor het komende Kunstendecreet, waarvoor veel culturele organisaties hun werking herbekijken en input vragen van hun netwerk en publiek. Oh arme cultuurliefhebber en -werker in 2026: je wordt overspoeld met duizenden vragenlijsten, uitnodigingen voor focus- en stuurgroepen en talloze oproepen om je mening te delen in alweer een participatief traject. M.O.L. legt alle uitgekauwde cultuurveld-clichés op tafel, maar het gebeurt wel binnen een oprecht meerstemmige en participatieve voorstelling.

In mijn ogen maakt Sandra Sara expliciete en toegankelijke voorstellingen. M.O.L. is daar een mooi voorbeeld van: als toeschouwer hoef je niets te ontrafelen, en toch weet het stuk je te ontroeren met kleine details. Het zit verborgen in de charmante accenten en het constante schakelen tussen moedertalen en aangeleerde talen. Zelf heb ik Nederlands geleerd, en dagelijks drie talen door elkaar spreken en die met elkaar mengen is mijn eigen nieuwe taal geworden. Heb je dat ook Ugnė? 

De verplichte pauzes van de voorstelling waarin we vreedzaam samen naar patattenvelden en Coloradokevers kijken, zeer bekende scènes uit mijn kinder- en adolescentietijd, lijken broodnodig te zijn. Er is een overvloed aan onderwerpen die aan bod komen in een play within a play, genoeg topics om het programma van de Vlaamse cc’s en theaters nog een jaar te vullen als afzonderlijke voorstellingen. Helaas lukt het me niet altijd om de grote hoeveelheid onderwerpen en betekenissen met elkaar te verbinden en een overkoepelende boodschap te lezen. Sommige verhalen, die ook wat langer gespeeld worden, verliezen mijn aandacht, andere, die slechts een paar minuten duren, hebben mijn volledige aandacht en slik ik gulzig naar binnen, terwijl ik naar nog meer verlang. 

Deze voortdurende limbo tussen twee uitersten maakt me moe. Er zijn zoveel lagen dat het aan het einde niet meer duidelijk is waar het stuk precies over gaat en waar je eigenlijk naar kijkt. Is het een oproep aan de sector? Een ecologisch drama? Een nostalgische ode aan het verleden? Een beschrijving van een dystopische wereld en tegelijk een waarschuwing voor de toekomst? Of, after all, een educatief stuk over patatten? Alle elementen zitten erin, waardoor het lijkt op universeel theater over alles tegelijk. Maar omdat het vanaf het begin zo sterk gekaderd is, verlies ik gaandeweg de focus. Het krachtige van I’m.potent , het gezien en erkend worden, vind ik helaas niet terug in M.O.L.  

“Er zijn zoveel lagen dat het aan het einde niet meer duidelijk is waar het stuk precies over gaat en waar je eigenlijk naar kijkt.”

Ik wil graag terugkomen op wat ik helemaal aan het begin van mijn brief schreef, Ugnė. Ik wil het hebben over de Belgische integratieprocedures. Bijna vijf jaar geleden kwam ik naar België. Sindsdien heb ik twee taalcursussen gevolgd en mij ingeschreven voor een opleiding aan de hogeschool. Aan het einde van mijn eerste schooljaar kreeg ik een brief van Atlas, met de uitnodiging voor een gesprek om mij aan te melden voor een taalcursus en bij de VDAB, zodat ik kon beginnen met het zoeken naar een baan. Dat allemaal terwijl ik studente was en een Nederlandstalige opleiding aan het volgen was. 

De ambtenaren van het migratieloket, VDAB, of Atlas wisten niet hoe zij met mij moeten omgaan. Het systeem is niet gewend om samen te werken met mensen die zonder hun overbodige betutteling hun weg binnen de Belgische samenleving zelf al gevonden hebben. Gelukkig konden ze in mijn geval een uitzondering maken en ik moest enkel het examen maatschappelijke integratie doen met andere nieuwkomers. Ik slaagde voor het traject en kreeg mijn diploma. Mijn maatschappelijke integratie was dus officieel goedgekeurd. Na een stevige handdruk met burgemeester Bart De Wever (wil je de foto zien, Ugnė?) op de ceremonie voor de nieuwkomers en een kort gesprek over de economische perspectieven voor Antwerpen, nu veel hoogopgeleide Russen hier hun ballingschap door de oorlog doorbrengen, werd ik plechtig tot Antwerpenaar verklaard. 

Het hele traject liet me echter met veel vragen achter. Ik ging met veel plezier naar de bakker op zondag om koffiekoeken te halen, at frietjes op vrijdagavond en vroeg niemand wat hun loon was, maar dat hielp me niet om het gevoel te krijgen dat ik echt geïntegreerd was. Ergens was het ook absurd: ik wist alles over btw-tarieven in België, had hier al langer gewerkt dan in mijn thuisland, had hier ook een netwerk kunnen bouwen waarop ik kon terugvallen mocht dat nodig zijn, maar ik voelde me nog steeds niet thuis. Heimwee naar mijn moederland had ik ook niet omdat ik niet meer de persoon was die ik daar heb achtergelaten. 

Het was een limbo, je nergens thuis voelen en niet kunnen zeggen dat je ergens hoort. Totdat ik mijn eerste fiets had. Dat gevoel van verankering. Mocht ik plots verdwijnen, dan zou mijn fiets hier nog steeds staan. Als ik hem ergens ongelukkig naast een boom parkeerde, zouden vogels op mijn zadel schijten, zou de regen mijn ketting langzaam laten roesten en zou iemand mijn fietstassen met afval vullen. Tot een aandachtige burger aangifte zou doen van een verlaten fiets. Tot er een waarschuwingslabel aan het stuur zou komen te hangen. Tot de stadsdienst hem uiteindelijk zou komen verwijderen. En zelfs daarna zou mijn fiets nog bestaan. Ik zou er misschien niet meer zijn. Maar mijn fiets wel. Dit, en niet de examens maatschappelijke integratie, taalcursussen, opleidingen, frietjes of koffiekoeken, was uiteindelijk de enige integratieprocedure die mij echt het gevoel gaf dat ik in België thuishoorde. Voel je je thuis hier Ugnė? Hoe is het voor jou? 

Als afsluiter neem ik een patat uit de speeltuin mee naar huis. Ik bewaar hem koel en donker, en straks, op 1 mei, Dag van de Arbeid, snijd ik hem doormidden om in mijn moestuin te planten.

Ik ben zeer benieuwd om je gedachten te lezen, Ugnė. 

Met vriendelijke groeten

Alina 


Van: Ugnė Noreikė

Aan: Alina Savitskaya

Dear Alina,

My grandmother was a potato farmer. I’ve spent many of my summers as a kid on the field with potatoes. You ask whether the babushka image is recognisable for me. My grandmother was one, and now she actually looks like a potato, big and round, unable to bend, rolling around on her sofa watching soap operas. A role model and a warning contained.

I have a word echoing in me, a word I shun and reject, a word that has a tainted history and yet I want to use it. I found this play to be neurotic. In many ways. I’m aware that it is a commentary on the ridiculousness of the times we live in, of the sector, as you so clearly explain. Like in the past, when women were deemed neurotic, they were lashing out whilst living in a society that doesn’t correspond to one’s needs and values. This play was that kind of explosive neurotic, yes, but I found that explosion to be uncalled for, out of the blue. The characters seem to be looping themselves into a state of despair, asking us why they were standing there. I was asking the same question, why were they standing there and why does Khalid Koujili El Yakoubi’s emotional explosion feel awkward? Is it because this play lacks ground, for the potatoes to grow in, for the emotions to be held up?

In the middle of the play a man in a cape, Michael De Cock, who disrupts others’ playing with the potatoes lying on the stage, delivers a speech about the future. The future is grounded and dirty, not digital and clean, he says. This speech echoes the closing scene of FC Bergman’s Werken en Dagen – a robot dog juxtaposed with a dirty, soaked-through farmer in a clean field where fake pineapples pop. Just like then, I ask myself, hasn’t this play also chosen to be morally excused from digging deep and getting its hands dirty? 

“What is really wrong with our institutionalized society is the constant choice to take things like potatoes for granted.”

What is really wrong with our institutionalized society is the constant choice to take things like potatoes for granted, or, to romanticize their growing process like the way it was done during Atta Nasser’s monologue. Did you believe that he has ever planted a single potato? Where do these potatoes come from, how come they’re now being bruised while tossed around on the stage? Are we really living in such state of wealth and ignorance that we don’t have to acknowledge potatoes’ roots? Or is it, as you say, the price of the integration process, that we don’t ask for the story, we ask to belong while we’re fruitlessly tossed around?

I admit, I’m quite cynical. I tried to feel affinity to the characters and read all the fleeting descriptions of them we see on the stage, I was too slow, the projection went away before I was finished. I was left with a feeling that these projections were there to give us a taste of what society does. It closes us in boxes of what we have to be. Actually the description is less important than the expectation of us to behave and belong. And no description, no piece of paper is ever going to do that. Like your story with the diploma, Alina. You had to find your own way to belong, it was never in the hands of an institution.

What I did get out of reading all of the descriptions is that some of what we see is not human anymore. Some of the characters are half robots, that’s why Karlijn Sileghem had such a shiny face. In the end we get this speech from a charming lady, Viviane de Muynck, who speaks delicious English and encourages us to go out into the world and make mistakes. Just she herself isn’t there, out in the world, on the stage. Maybe she was half robot too, maybe her speech was written by AI, I didn’t buy any of it. I agreed with her wholeheartedly, but the potato I held at the end had more weight than her speech. It’s because time and time again I’m invited to the theater to watch a screen telling me how to live. How hypocritical. How fragmented. Practicing what you preach seems to be the most difficult task of all.

“Time and time again I’m invited to the theater to watch a screen telling me how to live. How hypocritical. How fragmented.”

The play’s namesake, the mole, is underground so much that vision became trivial. It navigates between the potatoes blindly, loosening the soil for their growth. However, this play seems to be critiquing the blindness of its characters. It uses irony which, similarly to cynicism, doesn’t require reflection. We repeat the ridiculous things without believing in them, we make fun of them, yes, but so what? The way the characters play with potatoes and then are forced to take a break and recharge in the sun, they’ve done nothing and now proceed to do nothing, but what alternative have they got?

After reading your text it feels like the alternative is to find your own meaning instead of waiting for confirmation from others. Just like you found a way to belong with your bike (echoing one of my first reviews ever, how beautiful). You wonder whether it isn’t flawed to have a very personal take on plays, to have your taste so closely interlaced with your experience. I think everyone has that, being aware of it is all you can do. I think it’s much worse to try to appeal to everyone.

The alternative way to integrate, that the play suggests, is to eat fries and listen to a choral rendition of a well-known classical piece poorly sung on the word potato. I wished that someone acknowledged the absurdity of being asked to integrate with their own species. Not proceed as if nothing has happened, not lazily make empty potato references. There’s this lovely song written by Malcolm Dalglish for his newborn child. It’s called ‘Little potato’. Listen to it, it’s cute and it speaks about the beauty of being this little spud, and in a way, always staying just a tiny spud in this world, belonging without ever needing to integrate.

A play within a play, a copy of a copy, a sarcastic bionic human who can only learn behaviour from a screen – is that what’s left after observing society? No, I don’t feel at home in this kind of representation. I often wish we learned behaviour from potatoes. Having the self-possession to do truly nothing for the duration of the play. I wish I saw that. But I do feel home in the world, on and in the ground, without countries or borders.

Stay potato,
Ugnė

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

double take
Leestijd 14 — 17 minuten

#181

15.12.2025

14.04.2026

Alina Savitskaya, Ugnė Noreikė

Alina Savitskaya studeerde KMO-Management aan Karel de Grote Hogeschool. Nu zorgt ze voor de administratie van Etcetera en Het Bos.

Ugnė Noreikė is a Lithuanian writer, musician and artist. She works in spaces of not knowing, vulnerability and extreme feelings. She’s looking for meeting points between sounds and words.

Dit artikel maakt deel uit van: Double take

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!