© Sébastien Manigaud

Leestijd 6 — 9 minuten

Lullaby for Scavengers – Kim Noble / Campo

Wanneer zelfvernedering een wapen wordt

Kim Noble is pervers, in de etymologisch meest zuivere zin van het woord: per-vertere betekent doordraaien, tot het einde draaien, draaien tot het niet verder gaat. De Britse comedian is ‘doorgedraaid’: niet zomaar ‘gek’ maar veeleer gekmakend radicaal, meedogenloos consequent. Zijn poëtica was altijd al die van de zelfvernedering, maar dat is een menselijk begrip, en in Lullaby for Scavengers lijkt Noble zich zelfs van dat laatste restje menselijk ‘zelf’ te ontdoen. De adembenemende gelijkschakeling die zich in Lullaby for Scavengers voltrekt is die van de mens met het ongewenste dier. En wie de wereld bekijkt vanuit het serene perspectief van de aaseter, heeft over die wereld best wel iets te melden.

Nobles ongewone vertelperspectief krijgt al in de eerste minuten een plastische vertaling. Vanuit de coulissen komt een man de bühne opgeschuifeld, zijn hoofd gehuld in een lange metalen buis. Op de bovenkant van deze koker is een camera gemonteerd, zodat we geprojecteerd op het grote achtergrondscherm in fletse korrelkleuren zijn gezicht zien, geheven naar het licht – als een dier dat vanuit zijn hol naar de wereld kijkt. Hij stommelt een beetje rond, tussen de verschillende kleine eilandjes in die op het podium staan verspreid, en waarop  mini-ensceneringen met poppetjes en een handycam klaarstaan voor volgende scenes. Noble is niet alleen een comedian, hij is ook tekenaar en videokunstenaar. Al deze disciplines zullen samenkomen in een mengeling van performance, vooropgenomen en live videomateriaal, muziek en animatie. Zo wordt een van de belangrijke verhaallijnen ingezet met een filmpje van duizenden door elkaar krioelende maden, waarvan er eentje, Nobles ‘dochter’, het gezelschap krijgt van een getekende miniatuurversie van Noble zelf. (Denk voor de tekenstijl aan de Vlaamse tekenaar MAT.) Deze levende made zal Noble vergezellen op zijn tocht, tot in de theaterzaal, jawel. And far beyond, maar dat is voor later.

Lullaby for Scavengers (na Kim Noble Will Die (2009) en You’re Not Alone (2014) het sluitstuk van een trilogie) wordt aangekondigd als een voorstelling rond ‘eenzaamheid en vriendschap’, maar de aard van Nobles ‘vrienden’ maakt duidelijk dat zijn zoektocht veel verder gaat dan die van een eenzaat naar wat compagnie. Naast de sprekende made krijgt Noble onder meer het gezelschap van een brutale, grofgebekte grijze eekhoorn (een exotensoort die in Londen meedogenloos wordt doodgeknuppeld), van een familie vossen (ook al geen zeldzame verschijning in de Britse hoofdstad) en van een ‘reguliere’ menselijke dakloze. Allemaal zijn het hobo’s: zwervers, ongewenste elementen, plagen. Ze voeden zich met wat anderen achterlaten. Het zijn in die zin ook cleaners, net zoals Noble zelf dat is: ongewenst sociaal element én professional cleaner, want naast zijn carrière als performer verhuurt hij zijn schoonmaakdiensten aan 10 pond per uur. Dat hij naakt de vloer dweilt, dat hij masturbeert op de bureaus van zijn werkgevers, dat hij vertrouwelijke documenten door de papierversnipperaar jaagt – zoals zijn undercoverfilmpjes on the job bewijzen – moet die werkgever er dan wel bijnemen.

De vraag is natuurlijk wie de vuilaard is, wie de pervert. Net zoals in You’re Not Alone, waarin Noble zes maanden undercover werkte in een Brits bedrijf en daar op dezelfde manier videomateriaal sprokkelde, zijn de filmpjes in Lullaby for Scavengers vooral aangrijpend door de bijna onbewogen manier waarop Noble het menselijk beestje (zijn medemensen) registreert. Hij legt geen schokkende geheimen of grote intriges bloot. Eigenlijk filmt hij vooral hoe de mensen ongemakkelijk, onbeleefd, afwijzend  tot ronduit agressief reageren op hem – de outsider, het ongewenste element, dat per slot van rekening enkel maar zijn job doet. Hij cleant de vuiligheid van anderen, die hem in ruil daarvoor nog meer vuiligheid naar het hoofd slingeren. Rustig registreert hij hun onvermogen om met enige vorm van normoverschrijding – van licht tot erg verregaand – om te gaan. De Britse klassenmaatschappij is springlevend, en door letterlijk in een hoekje te kakken zet Noble de keurige mensen die haar schragen (en hun obsessie met cleanheid) zelf te kakken. Zoals steeds is het de onaangepaste, de niet-geïntegreerde die eigenlijk het scherpst het portret tekent van een hypocriete samenleving.

“Wat wij vol afschuw aanzien als vernedering en zelfvernedering zijn in feite Nobles grootste wapens: door zichzelf als mens te annihileren, bevrijdt hij zich van elke gêne”’

Dat klinkt een beetje alsof Noble satire bedrijft, maar het is veel ontluisterender dan dat. Satire speelt zich af op het niveau van mens tot mens, in Lullaby for Scavengers heeft Noble zichzelf al lang teruggebracht tot het onverschillige, egoloze perspectief van de dieren. Niks geen ‘kijk mij eens’, niks geen knipoog. Hij lijkt zich niet bewust te zijn van enige grensoverschrijding, van sociale conventies of morele waarden. Hij voelt een groot verlangen om naakt te zijn, op zogezegd ‘ongepaste’ momenten en plaatsen, en dus ontkleedt hij zich dan en daar. Wat wij vol afschuw aanzien als vernedering en zelfvernedering zijn in feite zijn grootste wapens: door zichzelf als mens te annihileren, bevrijdt hij zich van elke gêne. Hij doet alles, durft alles, omdat het voor de vos uiteraard geen hol uitmaakt wat iemand van hem denkt. De vos leeft op drift. De vos neukt zijn moeder, dat blijkt volstrekt natuurlijk gedrag te zijn. De walging die dat bij ons oproept, net zoals de walging die we voelen bij het zien van een snel verdwijnend vossenkarkas vol maden, is enkel van ons. Tegenover de zuiverheid en schoonheid van die natuurlijke mechanismen, staat steeds de mens als een dwaze, lompe, onaangepaste figuur. Er is in feite maar één werkelijk onaangepast organisme, en Kim Noble lijkt de enige te zijn die dat beseft.

Een bijzondere, en opnieuw erg confronterende lijn binnen deze perspectieven is de introductie van Nobles ouders. De lijn van ouderschap loopt van het vaderschap over ‘zijn’ made naar zijn eigen ouders: twee, zo lijkt het toch, erg liefhebbende mensen. Ook hier manifesteert zich het uitgevlakte verschil tussen mens en dier. Hij behandelt de kleine witte aaseter met zorg en aandacht, neemt haar mee uit eten (hij maakt er een strategie van om de made op restaurant in de maaltijden te verstoppen, en zo van handelaars sorry-cheques te eisen), hij maakt met haar een ritje met de auto en verstopt haar bij gebrek aan een ander warm plekje (slik) onder zijn voorhuid. (In de theaterzaal mag een zuinig kijkende toeschouwer op de eerste rij even haar potje vasthouden – en uiteraard valt de made – oeps – uit het potje.) Omgekeerd getuigen de filmpjes met zijn eigen ouders van een ‘geperverteerde’ (radicaal gelijkgeschakelde) benadering, die overigens niet vrij is van een zekere tederheid. Of hij, net zoals de vos, met zijn moeder naar bed mag? “Dat wordt een beetje moeilijk, jongen,” antwoordt de oude dame vriendelijk glimlachend, maar een tong mag haar zoon wél draaien. Nog veel verder gaat Noble met zijn dementerende vader. Of zoon Kim nog een liedje wil zingen voor hem…? Noble zingt aandoenlijk Pink Floyd’s How I Wish You Were Here – de zaal gaat collectief in tranen – maar zoomt vervolgens met zijn handcamera genadeloos in op de gele slijmen en de rochels in de keel van zijn stervende vader. 

Pervers? Neen, radicaal, in die zin dat het met een schok tot ons doordringt wat deze perspectiefgelijkschakeling impliceert: dat alles gelijk is, dat alles tot het leven behoort, dat er niets is dat niet tot het leven behoort – en dat maakt alles van dezelfde onverschillige orde: bestaan, vergaan, driften, ouderdom, seks, ouderschap, honger, en nog het meest van al datgene wat ‘beschaving’ zou moeten heten – het staat allemaal op dezelfde lijn, de hele voorstelling is een nevenschikking van het leven, waarin niet meer gewicht in de schaal legt dan iets anders – maar ook niet minder. Het leven is één ding. En als alles even walgelijk is, is alles tegelijkertijd ook even mooi. Al zijn die categorieën natuurlijk zinledig, want met de vernietiging van het menselijk zelf als artistieke strategie is meteen ook elke esthetische categorisatie verdwenen. Vandaar ook de uitgesproken ‘plasticiteit’ in het werk van Noble: de close-ups van texturen, de zooms op levend of dood ‘materiaal’ en zelfs de getekende dimensie van Nobles beeldtaal. In zijn groteskheid doen de beelden denken aan het werk van de Duitse artiest Herman Nitsch, en ergens vaag zelfs aan Joseph Beuys. Het is één grote metafoor (zoals de coyote in de kooi), maar wel van een ontstellende concreetheid. Het is wat het is.

“Hilarisch, maar ook verschrikkelijk, en tragisch: leven met de gedachte dat je elk moment kan verdwijnen in een gat, wegzinken in het zwarte niets.”

Iets van de persoonlijke oorsprong van dit ongelooflijk consequente denken onthult Noble aan het eind van zijn show, wanneer zijn mythische transformatie tot aaseter ook letterlijk deel gaat uitmaken van het verhaal. Na een aantal hilarische pogingen om de zwerfvossen die in zijn buurt leven te lokken vanuit zijn appartement op de tweede verdieping (iets met een halve kip uit het raam en een touwtje aan zijn piemel, enfin) besluit hij de vossen te volgen tot in hun hol, in hun gangenstelsel te kruipen – de buis op zijn hoofd vindt hier zijn oorsprong. “Ik zou een betere vos zijn dan een mens,” verklaart Noble. Maar zijn verlangen om vos te worden met de vossen heeft ook een wrange zijde, die verhelderd wordt in een voor Noble ongewoon lange monoloog. “Er is altijd een hol voor ons, waar we kunnen invallen, zonder dat we weten of we er nog uitgeraken. Er is altijd een diepte.” Een koker op je hoofd betekent ook: tunnelvisie, depressie. Volgt een reeks funniest homevideos waarin mensen zomaar verdwijnen in holen, waarbij de grond zich plots onder hun voeten opent en ze wegzinken in een gat dat zich blijkbaar onmerkbaar onder de oppervlakte heeft gevormd. Hilarisch, maar ook verschrikkelijk, en tragisch: leven met de gedachte dat je elk moment kan verdwijnen in een gat, wegzinken in het zwarte niets, en het ergste van alles: “Er zit geen vos in.”

Hierin schuilt de hartverscheurende dubbelheid van Lullaby for Scavengers: in het gevoel dat, ondanks het bijna griezelig onthechte vertelperspectief, de krankzinnige omgang met mens en dier, de artistieke strategie van de zelfvernedering en de doelbewuste vervreemding van het publiek, je de hele tijd voelt hoe persoonlijk deze voorstelling is, waar dit alles vandaan komt, en hoe kwetsbaar Noble is. Lullaby for Scavengers is een collagevoorstelling met ingenieus geconstrueerde verhaallijnen en personages, maar de dramaturgische strakheid heeft een organische en vanzelfsprekende oorsprong: de volstrekt vanzelfsprekende vaststelling dat Kim Noble niemand anders is dan Kim Noble. In Lullaby for Scavengers zit dan ook geen zweem van ironie of doelbewuste humor. Alles welbeschouwd is deze voorstelling één lange, wanhopige poging tot de bevestiging van het eigen bestaan. Uiteindelijk wil je Kim Noble gewoon omhelzen, over zijn bol aaien en zeggen dat het wel goed komt. Maar dat doe je dan toch maar niet. 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#167

15.03.2022

14.05.2022

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!