Ten Oorlog BLAUWE MAANDAG CIE © Corneel Maria Ryckeboer

Clara Van den Broek

Leestijd 8 — 11 minuten

Luk Perceval en Mark Van Denesse: ‘Voor het lichtontwerp vertrek je van een inhoudelijk gegeven’

Luk Perceval is artistiek leider van Het Toneelhuis. Mark Van Denesse assisteert hem bij het lichtontwerp.

Etcetera: Jullie werken met zijn tweeën aan een lichtontwerp. Hoe verloopt die samenwerking concreet?

Mark Van Denesse: Luk hecht heel veel belang aan licht. Als hij aan een regie begint, heeft hij al beelden in zijn hoofd en dat vind ik belangrijk. Je hebt regisseurs die de laatste twee weken voor de première beginnen te denken: ach ja, we moeten ook nog iets met het licht doen. Dan is het al te laat natuurlijk. Ik vind het prettig samenwerken, omdat we in een heel vroeg stadium met het licht bezig zijn. We zijn nu een maand voor de première en we weten exact welk beeld we willen creëren. Dat beeld proberen we samen te realiseren, daar werken we aan tijdens de repetities en met de acteurs. Naarmate de rol van de acteurs meer geplaatst is, wordt alles – acteurs, decor, licht – steeds meer een homogeen geheel, al een tijd voor de première. Met dat volledige pakket verder repeteren geeft iedereen een goed gevoel, zowel de acteurs als onszelf. Er zijn geen technische beslommeringen meer op de laatste ogenblikken. Het gebeurt wel eens dat we twee dagen voor de generale besluiten om iets helemaal anders te doen, maar dat zijn heel extreme situaties.

Etcetera: Sta jij, Luk, in voor de dramaturgie en Mark voor de techniek of loopt dat door elkaar?

Luk Perceval: We werken echt samen. Maar het is belangrijk dat iemand als Mark er is, omdat hij zich bewust is van de mogelijkheden van elk type spot. Ik heb in die twintig jaar als lichtontwerper wel ervaring opgedaan, maar de techniek evolueert zo sterk dat iemand zich heel erg met de technische kant moet bezighouden.

Van Denesse: Het is ook een aanvoelen. Voor Asem (dat op 20 september jl. in Het Toneelhuis in première ging, nvdr) hadden we nog geen enkel gesprek gehad over licht. Vandaag, op de eerste repetitie met licht, probeerde ik een aantal dingen waarvan ik dacht dat ze zouden kunnen werken. Ofwel klikt het onmiddellijk, ofwel vindt Luk het niets. Dan moet ik snel iets anders bedenken. Door vaker samen te werken, kom je sneller tot goede concepten en verlies je sowieso minder tijd. Je hebt sneller een basis waarop je verder kan. Daar zitten dan nog wel foutjes in, of details die niet kloppen, maar dat kan je gaandeweg opklaren.

Etcetera: Hoe ontstaat het lichtontwerp concreet, bijvoorbeeld in relatie tot de regie? Hoe kom je van de opbouw van niets tot iets?

Perceval: Ik heb in het begin een hele goede leermeester gehad: Steve Kemp. Hij was de eerste professionele lichtontwerper – in Londen geschoold – die zich in Vlaanderen en Nederland met licht bezighield. Franz Marijnen heeft hem indertijd naar hier gehaald. Ik heb een jaar of vijf met Steve samengewerkt, en zo heb ik één van de belangrijkste elementen over licht geleerd: licht geeft zuurstof. We hebben nu bijvoorbeeld heel lang gerepeteerd met enkel werklicht, omdat we nog geen keuzes hadden gemaakt. Maar met werklicht heb je geen focus: alles wordt evenveel belicht. Je moet de acteurs dan ook heel erg aanzetten om hen die focus zelf te laten afdwingen. Vandaag is het de eerste dag dat Mark licht op de scène heeft gezet en je krijgt onmiddellijk iets anders. Wij werken altijd vanuit het principe: licht brengt schaduw aan. Eén van de meest fundamentele keuzes vind ik: laat je de schaduw toe of niet? Als je licht frontaal van boven op je acteurs zet, dan krijg je alle schaduw op de vloer. Je ziet dus niet enkel de acteurs, maar ook hun schaduw. Daardoor verzwakt de aandacht. Soms is dat een terechte keuze, maar voor deze voorstelling bijvoorbeeld niet. Asem gaat over incest. Iedereen heeft het dan onmiddellijk over Dutroux, maar uiteindelijk is dat in dit land maar één fenomeen. Eén op vier huisgezinnen heeft met incest te maken. Daarom willen we alle anekdotiek weren. De personages moeten als het ware een universeel karakter krijgen. En precies omdat we afstand nemen van anekdotiek of concrete realiteit, zijn schaduwen bij de personages niet gewenst. Eigenlijk vertrek je dus voor het licht van een inhoudelijk gegeven, een doelstelling: wat wil ik vertellen en in welke context?

Ik vind dat het er in de eerste plaats over gaat wat je collectief wil vertellen: met de regisseur, met de acteurs, de decor- en de lichtontwerpers. Tijdens de repetitie ontdek je hoe je samen het verhaal kunt vertellen. Bij dit stuk hebben wij ook samen gaandeweg ontdekt dat we het van elke anekdotiek moeten ontdoen: je ziet mensen verschijnen en verdwijnen en je weet niet vanwaar ze komen en waar ze naartoe gaan. Om alle schaduw te vermijden, gebruiken we zijwaartse belichting waardoor je precies dat gewenste effect krijgt. Zulke beslissingen ontstaan in een gezamenlijk gesprek.

Mark heeft er nu voor gekozen om licht vanuit de coulissen te laten schijnen. Dat betekent dat acteurs alleen belicht zijn als ze in het licht lopen. Buiten de lichtbron zijn ze zwart. Het is dus aan de acteurs om met dat licht te spelen. Zij moeten weten wanneer ze het ‘vangen’. Vandaar dat we heel lang met licht repeteren. Lichtontwerp is niet alleen licht opstellen en balansen opmaken, maar ook aan je acteurs een opdracht geven. Ze moeten bij deze voorstelling bijvoorbeeld weten dat als het licht van achter hun tegenspeler komt en zij dat licht niet zien, dat ze dan zelf volledig zwart zijn. Ze kunnen dus keuzes maken ten opzichte van het licht en met die keuzes gaan spelen.

Van Denesse: Zoals het er nu uitziet gaan we met één lichtstand werken. Maar we werken wel met een systeem waarbij de lichtbundels die van links en van rechts komen, gebroken worden. Je krijgt continu een wisseling op gezichten en daardoor wek je de illusie dat er verschillende lichtatmosferen zijn. Je hebt het gevoel dat er iets gebeurt, maar er gebeurt niets. Van niets iets maken, dat is de kunst bij het licht. Elke beweging krijgt dan ook een functie ten opzichte van het licht. Als je naar links kijkt, vang je licht op bijvoorbeeld. En dat kan ook een reden hebben waarom je naar links kijkt. Dat wordt dan ook geaccentueerd, zonder dat je met speciale lichtstanden en trucjes moet gaan werken. Het is er, je moet er alleen op het juiste moment op een juiste manier mee omgaan.

Licht als focus

Etcetera: Hoe intuïtief werk je, of hoezeer vertrouw je op een verworven vocabularium uit vroegere ervaringen?

perceval: Er zijn sowieso beperkingen, waardoor je niet eindeloos kan blijven uitvinden. Een theaterruimte heeft, wat licht betreft, misschien twintig richtingen. Je kunt frontaal, van boven, van onder, diagonaal,… je licht laten komen, en dan heb je alle richtingen uitgeprobeerd. Wanneer er bij de repetities een dimensie ontbreekt, omdat er geen licht hangt en de scène veel te vlak overkomt, dan kan je door je ervaring wel inschatten wat je kan gaan doen. Dan weet je: als ik nu een licht op twintig meter hoogte linksboven hang, dan geeft dat dit soort effect met een HMI-lamp‘§’, een ander soort effect met een ander soort lamp. Het is eigenlijk schilderen. Je gebruikt echt een palet. En elke schilder heeft een andere smaak. Eén van de belangrijke aspecten vind ik dat je het lichtontwerp nooit mag zien. Het is fout wanneer men achteraf zegt: ja, het licht was schoon. Dat is eigenlijk een belediging. Licht is zoals zuurstof: het versterkt de voorstelling. Dat betekent niet dat je gaat ‘verlichten’ of ‘illustreren’. Belichten kan ook betekenen: in de schaduw stellen.

Etcetera: Je praat over het licht als ‘focus’ voor de acteur en over het feit dat alles in samenspraak met de acteurs gebeurt. In hoeverre is die samenspraak mogelijk?

Perceval: Ik vind eerlijk gezegd dat wat de acteur vindt, er niet zoveel toe doet. Het is natuurlijk belangrijk dat de acteur gesteund wordt en dat hij een instrument in handen krijgt dat zijn vertelling kan versterken. Maar ik heb al voorstellingen belicht waar de acteurs blind van het licht van de scène kwamen. Bij Joko was het licht op ooghoogte, heel wit en ontzettend veel. De acteurs zagen niets van de toeschouwers en nauwelijks iets van elkaar. Dat licht maakte wel dat de voorstelling heel sterk op het netvlies brandde. Je moet op een gegeven moment een keuze maken en als je je acteurs ervan kunt overtuigen dat het licht de voorstelling en de vertelling ten goede komt, dan zullen ze het er wel mee eens zijn. Ze zullen natuurlijk niet dankbaar zijn vanwege de hoofdpijn die ze achteraf hebben. In het laatste stuk van Ten Oorlog zag Jan Decleirniets. Er stond een lamp twee meter voor zijn ogen. Een HQI-lamp‘%’ die zo wit en zo hard was dat zijn ogen bij het einde van de voorstelling alleen nog witte pupillen waren. Hij zag niet eens hoeveel volk er in de zaal zat en was zich niet bewust van de ruimte rond zich. Dan moet je je acteurs proberen te overtuigen van de kracht van dat beeld. Ik vind niet dat licht er alleen maar is om acteurs een goed gevoel te geven of om de acteurs ‘goed te laten zien’. Ik zie soms regisseurs die roepen: meer licht, want ik zie mijn acteurs niet. Maar met meer licht krijg je ook meer schaduw en meer verspreiding, zodat de focus alle kanten uitgaat. Het is juist de bedoeling om met zo weinig mogelijk afleiding de focus bij die acteurs te houden.

Etcetera: Licht is belangrijk in het opbouwen van een concept voor je eigen voorstellingen. Wat brengt jou ertoe om licht te ontwerpen voor anderen?

Perceval: Dat is eigenlijk een hobby, een amusement. Ik werk gewoon graag met licht. Als ik naar films kijk, ben ik ook heel veel bezig met het licht. Ik ben bijvoorbeeld fan van Wong Kar Wai omdat die met licht speelt op een heel subtiele manier. Wat ik zo fascinerend vind, is dat hij geen artificiële lichtbronnen gebruikt. Hij gebruikt het natuurlijke licht in bijvoorbeeld het café, maar hij heeft waarschijnlijk een belichter die daar op een dramatische manier mee speelt. In een slaapkamer zet hij net dat soort lampje neer, dat op zo’n manier schaduwen werpt op de lichamen, dat het bovenste gedeelte rood is en het onderste wit. Het maakt je blik wakker. En dat is ook een onderdeel van theaterbelichting: verrast worden door een ander perspectief. En dat doet Wong Kar Wai: je blik wakker maken voor alledaagse dingen waar je anders op uitgekeken bent.

Goddelijk

Etcetera: Je bent heel erg betrokken bij het lichtontwerp van je eigen producties. Gebeurt dat op dezelfde manier voor andere producties? In hoeverre kijk je dan bijvoorbeeld nog als regisseur?

Perceval: Nee, als ik als lichtontwerper meewerk aan een andere productie, kom ik er pas in een heel laat stadium aan te pas. Amlett van Jan Decorte heb ik de eerste keer gezien twee of drie weken voor de première. Ik ga naar een repetitie kijken en bedenk hoe je een verhaal kunt vertellen met het licht – in die zin ben ik veel meer regisseur dan lichtontwerper. Ik zoek een manier om wat Jan Decorte wil vertellen niet voor zestig maar voor honderd procent bij de toeschouwer over te brengen. We probeerden een aantal belichtingsprincipes uit en zagen snel dat het beeld open moest blijven, dat je geen spots mocht zien. Van zodra de lichtbron zichtbaar is, wordt theater ‘theater’. Als je de lichtbron niet ziet, krijg je een grotere magie, wordt het goddelijker, universeler. En het was heel duidelijk dat Amlett die magie nodig had: Jan Decorte wou op een kindse manier Hamlet vertellen en dat stond zo in contrast met dat enorme paleis. Dat ‘paleis’ versterkte zijn vertelling en daarom vonden wij dat er geen spots in beeld mochten komen. Als we zoiets beslist hebben, gaat Mark technisch een aantal mogelijkheden verzinnen en presenteren.

Als regisseur werden mij bij Amlett na een paar doorlopen ook een aantal dingen duidelijk. Het hele verhaal is geschreven en verteld vanuit Jan Decorte. Jan speelt zelf Hamlet. Hij doet eigenlijk gewoon een beroep op anderen om zijn verhaal te vertellen. Daarom zijn we op het idee gekomen dat we altijd Jan moesten volgen, maar dan niet met een volgspot. Jan kwam dikwijls op het voortoneel, trok zich terug en keek naar wat de anderen deden. Toen hebben we het volgende principe toegepast: als Jan naar achter gaat, dan trekken we het licht mee open, zodat je als toeschouwer als het ware vanuit zijn blik blijft kijken, via Jan Decorte naar zijn voorstelling kijken, waardoor je die kindervertelling acceptabel maakt. Als je hem bijvoorbeeld in het donker zou zetten, dan zou je een heel ander verhaal hebben. We hebben hem daar met heel veel moeite van kunnen overtuigen. Uiteindelijk is wat Jan Decorte doet, niet echt voor een grote zaal bedoeld. Hij werd en wordt nog steeds opgevoerd als avant-gardist. Dat Amlett door zoveel mensen bekeken is geworden, is onder andere een compliment geweest voor het licht. Het licht was niet duidelijk present. Niemand heeft opgemerkt dat dat licht de voorstelling heeft opgetild, maar ik denk dat het de voorstelling veel meer afleesbaar heeft gemaakt.

Etcetera: Wat is je voornaamste vaststelling over het hedendaagse lichtontwerp in vergelijking met een aantal jaren gelden?

Van Denesse: Vroeger had je twee types spots, nu heb je er misschien dertig. Met één spot kan je nu in tegenlicht een hele scène uitlichten. Dat kon vroeger niet, dus je was al verplicht om er nog wat front bij te zetten. De manier van lichten was vrij klassiek, meer gericht op het decor. In de KVS en de KNS had je gigantische decors, waar dan heel veel licht moest opzitten, want elke decorontwerper wou wel dat zijn decor er goed zou uitkomen. Het stuk zelf had voor de belichting geen impact. Men was echt niet bezig met dramaturgie. Dat is ook het voordeel om met twee te werken. Mijn technische knowhow is iets beter dan die van Luk en hij scoort voor de dramaturgie, zo kom je tot een perfect lichtontwerp.

 

 

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

interview
Leestijd 8 — 11 minuten

#78

15.10.2001

14.01.2002

Clara Van den Broek

Clara Van den Broek is romanist. Ze studeerde Culturele Studies aan de KU Leuven en volgde een acteursopleiding aan het Conservatorium in Antwerpen.