Marwan Kenzari en Sophie van Winden, Het Nationale Toneel © Miloushka Bokma

Leestijd 9 — 12 minuten

What’s in a name?

Over het talige zelfbewustzijn van Romeo & Julia

Met Romeo en Julia voor Het Nationale Toneel in Den Haag leverde Frank Albers een nieuwe Shakespeare-vertaling af. Hij werd getroffen door het opvallende taalspel waarvan het hele stuk doortrokken is.

Romeo and Juliet bevat een van Shakespeares beroemdste oneliners: ‘What’s in a name?’ Deze verzuchting van Julia komt voor in de al even beroemde balkonscène, waarvan de bekendste regels in vertaling luiden:
O, wees een andere naam. Wat zegt een naam?
Een roos zou toch niet minder lekker ruiken
als je haar met een ander woord benoemde?
Deze passage stelt een thema aan de orde dat me in dit stuk nooit eerder zo was opgevallen: de arbitrariteit van taal. Het idee dat er geen intrinsieke band bestaat tussen woorden en hun betekenis werkt zowel bevrijdend als beklemmend. Bevrijdend, omdat ieder spreken, iedere benoeming, iedere naamgeving dan op conventies berust en dus kan worden overschreven. (De talloze, vaak duivels moeilijk of helemaal niet vertaalbare woordspelingen in dit stuk, benutten deze vrijheid ten volle.) Beklemmend, omdat je dan ook nooit zeker bent van wat een woord, een naam, een beeld werkelijk betekent. Julia wil Romeo graag losmaken van alle connotaties die zijn naam oproept: ‘ jij blijft / jezelf, al was je naam niet Montague.’ Zijn naam is niet wat hem definieert. In een verbluffende regel stelt Julia zichzelf voor als een geschikter alternatief voor de arbitraire identiteit die gesuggereerd wordt door een naam:
weg ‘Romeo’, neem liever dan een naam
die niets met jou te maken heeft: mij. Neem
mij helemaal.
Maar ook dit blijft taal natuurlijk, een talig verzet tegen de talige orde. Romeo’s antwoord beklemtoont dan weer de machtige vrijheid om met andere woorden ook een andere werkelijkheid op te roepen:
Ik neem je op je woord.
Noem mij je liefde en ik ben herdoopt,
dan zal ik nooit meer Romeo zijn.
Als je met andere woorden, andere namen, een andere wereld kunt verzinnen, kun je ook een wereld, een werkelijkheid wissen door haar naam te schrappen. Wanneer Lorenzo Romeo herinnert aan zijn liefde voor Rosalinde en hem vraagt of hij met haar de nacht heeft doorgebracht, antwoordt Romeo:
Bij Rosalinde! Nee, mijn goede vader!
Die naam doet pijn, ik heb hem uitgewist.
Exit Rosalinde, die in het hele stuk trouwens alleen in taal bestaat: op geen enkel moment komen we haar tegen. Naam en bestaan zijn identiek: die gedachte spreekt heel nadrukkelijk uit de scène waarin Romeo dreigt zich te zelfmoorden in Lorenzo’s cel:
O, zeg mij, broeder, zeg mij, waar in dit
verachtelijk lichaam woont mijn naam?
Zeg waar in mij hij woont, en ik zal zijn
gehaat paleis vernietigen.
Alsof je naam een orgaan is, en alsof je je leven kunt beëindigen door dat orgaan weg te nemen. Nergens in Romeo en Julia wordt de identiteit van taalteken en referent radicaler voorgesteld dan hier.

Taalspel

Het conventionele karakter van taaltekens is een bron van vrijheid én van onzekerheid. In taal scheppen Julia en Romeo de ruimte voor hun liefde, maar daardoor rijst meteen de vraag: wat als deze liefde niets meer is dan een taalspel?1 Taal is tegelijk futiel en fataal: daarvan blijken Romeo en Julia – vooral zij – overtuigd. Spreken, schrijven – het betekent ofwel te weinig ofwel te veel, en vaak ook net iets anders dan wat je wilt overbrengen. Kunnen we wel zeggen wat wij voelen en bedoelen? Die vraag plaagt deze voorlijke tieners. Zegt Romeo aan het einde van het tweede bedrijf:
Ah Julia, laait in jou de vreugde net
zo hoog op als in mij, en heb jij er
ook woorden voor, bezing haar dan, verzacht
de lucht dan met je stem, zing over het
geluk dat deze dag ons beiden brengt.
Maar Julia wantrouwt retoriek, en liefdesretoriek al helemaal:
Als het gevoel iets meer is dan een woord,
dan gaat het prat op inhoud, niet op franje.
Soms is taal slechts franje. Romeo wil Julia verzekeren van zijn oprechte liefdesgevoelens door haar een eed te zweren. Een eed is immers verabsoluteerde taal, zweren is met de grootst mogelijke klemtoon de arbitrariteit van het taalteken ontkennen. Tegelijkertijd is een eed een taalconventie als een andere.
Romeo:
Liefste, ik zweer bij de heil’ge maan
die elke fruitboomkruin van zilver maakt –
Maar Julia onderbreekt meteen zijn clichématig aanbod:
Niet bij de maan. De bungelende maan,
die elke maand weer ergens anders hangt.
Of is je liefde net zo onbestendig?
Romeo:
Waar zal ik dan op zweren?
Julia:
Zweer op niets.
Romeo’s conventionele beeld dreigde te ontsporen in het tegenovergestelde van wat de eed moest duidelijk maken. Julia wantrouwt de formule:
Hou jij van mij? Ik weet al dat je ‘ja’ zegt,
en ik vertrouw je zo. Maar zweer je het,
dan ben ik minder zeker. Naar verluidt
lacht Jupiter met valse minnaarseden.
Opvallend is ook hoe Romeo en Julia op cruciale momenten door hun taal, hun spreken, worden verraden. Zo begint de balkonscène als een monologue extérieur van Julia, die niet weet dat Romeo hoort wat zij zegt. Het is donker, we horen taal, maar geen gesprek. Pas na een regel of vijftig zegt Romeo iets terug (Ik neem je op je woord. De passage die ik hierboven al citeerde.) zodat Julia hem kan verstaan. Julia schrikt:
En wie mag jij wel zijn die door de nacht vermomd
mij hier een hartsgeheim ontvreemdt?

Voor geliefden is de eenheid van taal en emotie een essentiële voorwaarde voor de authenticiteit, de geloofwaardigheid van het gezegde. Maar precies die eenheid wordt in dit stuk voortdurend ter discussie gesteld. Steeds dreigt de retoriek. Steeds dreigt de taal te ontsporen in connotaties die de spreker niet zo had bedoeld.

De ontmoeting begint in/als taal: twee stemmen ontmoeten elkaar in het donker. Julia voelt zich verraden door haar eigen spreken:
‘{K}on / ik maar ontkennen wat ik heb gezegd.’ (‘fain, fain deny / What I have spoke.’) Ook Romeo wordt door zijn spreken verraden:
Je stem heeft nog geen honderd woorden in
mijn oor gezongen, maar ik ken die toon.
Ben jij niet Romeo, een Montague?
Taal als ontmaskering. Iets dergelijks doet zich voor op het feest bij de Capulets, waar Tybalt de gemaskerde Romeo eveneens herkent door zijn stem:
Ik ken die stem. Dit is een Montague.

Neveneffecten

Ook in de heftigste scènes geven Romeo en Julia blijk van een bijzonder sterk ontwikkeld taalbewustzijn. Wanneer Julia van de voedster te horen krijgt dat Tybalt is vermoord – en niet Romeo, zoals Julia eerst nog denkt –, reageert ze als volgt:
Heeft Romeo zichzelf gedood? Zeg jij
nu ‘ja’, dan is er in die ‘a’-klank meer
vergif dan in de dodelijke blik
van ’n koningsslang. Het is of ‘A’ of ik.
Zeg ‘ja’ als hij vermoord is, anders ‘Nee’.
Een simpele klank bepaalt mijn wel en wee.
Voorwaar een curieuze uitdrukkingswijze voor een geschrokken tienerhart. En iets verder:
Een woord dat erger is dan Tybalts dood,
heeft mij vermoord. (…)
‘Verbannen’: met dat ene woord kun je
tienduizend Tybalts doodslaan.
Ook Romeo’s verzet tegen zijn ballingschap spitst zich toe op de vernietigende kracht van taal. ‘Dat woord,’ ballingschap, ‘gebruiken de gedoemden in de hel’, zegt hij tegen Broeder Lorenzo, die hem zijn straf meedeelt.
Hoe kan jij, man van God, een biechtvader,
een man die zonden wegwast en zich als
mijn vriend beschouwt, hoe kan jij mij nu zo
verscheuren met dat ene woord: ‘verbannen’?
De Broeder heeft de straf niet bedacht, hij heeft ze slechts verwoord, maar juist die verwoording, uit de mond van een zogenaamde vriend, drijft Romeo tot wanhoop. Het is alsof het aanhoren van het woord ‘ballingschap’ hem meer pijn doet dan de feiten en consequenties die dat woord met zich mee zullen brengen. Wanneer de Broeder hem tot rede trachtte brengen, sneert Romeo veelbetekenend:
Wat je niet voelt, kun je ook niet bespreken.
(Thou canst not speak of that thou dost not feel.)
Voor geliefden is de eenheid van taal en emotie een essentiële voorwaarde voor de authenticiteit, de geloofwaardigheid van het gezegde. Maar precies die eenheid wordt in dit stuk voortdurend ter discussie gesteld. Steeds dreigt de retoriek. Steeds dreigt de taal te ontsporen in connotaties die de spreker niet zo had bedoeld, spreken is in dit stuk vaak een poging om de onwillekeurige semantische neveneffecten van woorden te beheersen, te bedwingen, te corrigeren.

Excessieve taal

Shakespeare voert nog twee personages op die deze taalproblematiek accentueren: de voedster en Mercutio. Dit zijn, meer nog dan Romeo en Julia, buitensporige taalgebruikers. Zij bestaan als onbedaarlijk gebabbel. Het is opvallend hoe de andere personages in het stuk de excessieve taal van de voedster en Mercutio proberen te beteugelen, alsof zij daardoor het spreken weer onder controle willen krijgen. In het eerste bedrijf houdt de voedster een lange monoloog over haar herinneringen aan Julia’s jeugd. Ze praat maar door, totdat Julia’s moeder haar tot tweemaal toe onderbreekt: ‘Genoeg. Zwijg jij nu maar.’ (‘Enough of this, I pray thee, hold thy peace.’) En even later opnieuw: ‘Hou jij toch ook op, mens.’ (‘And stint thou too, I pray thee, Nurse, say I.’) Hetzelfde gebeurt in hetzelfde bedrijf met Mercutio, wiens beroemde Queen Mab-monoloog na ruim veertig regels door Romeo wordt afgebroken: ‘Zwijg, Mercutio, / je kakelt over niets.’ (‘Peace, peace, Mercutio, peace. / Thou talk’st of nothing.’) Het toppunt van Mercutio’s excessieve spreken is zijn sterfscène. Door Tybalt dodelijk verwond, blijft Mercutio vrij associërend kakelen tegen Romeo, alsof hij niet zal sterven zolang hij maar blijft praten. Mercutio sterft dan ook niet op het toneel, hij wordt weggesleept door Benvolio, die Romeo iets later komt melden dat Mercutio (achter de schermen) is gestorven. Dat Mercutio tot zwijgen zou zijn gebracht, lijkt letterlijk onvoorstelbaar. Zijn dood betekent het begin van de tragedie, de tijd van het frivole gekakel is voorbij, hier eindigt ook voor Romeo la jeunesse dorée.

Taalbewuste tieners

Het is alleen maar logisch dat Romeo en Julia, deze twee buitengewoon taalbewuste tieners, aan het einde van het stuk niet gewoon doodgaan, maar allebei ook nog een keer zéggen dat ze doodgaan. Alsof de taal die hun liefde mogelijk had gemaakt, nu ook het einde ervan moet bezegelen.
Romeo:
Zo sterf ik, met een kus.
(‘Thus with a kiss I die.’)
En Julia, tot Romeo’s dolk waarmee ze zich doorsteekt:
Roest hier, laat me sterven.
(‘There rust, and let me die.’)

De liefde is uitgesproken, het leven opgezegd.

Romeo en Julia, vertaald door Frank Albers, gaat in een regie van Johan Doesburg in première op 6 maart in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Dit artikel is een voorpublicatie van een fragment uit de inleiding tot de vertaling, die bij De Bezige Bij verschijnt. Info: www.nationaletoneel.nl

1Stephen Greenblatt heeft dit dilemma treffend geformuleerd: ‘Only if Romeo’s name is an arbitrary sign, to be stripped away, discarded, and replaced, can {Julia’s} love be realized. But in a world in which words are divorced from reality, what would be the status of a love made in language? In a world in which names are mere empty signs, how could language create a new reality?’ (The Norton Shakespeare, p. 867)

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 9 — 12 minuten

#115

01.02.2009

—

31.03.2009

Frank Albers

Frank Albers (1960) is docent wijsbegeerte en Amerikaanse cultuur & literatuur aan de Artesis Hogeschool Antwerpen. In opdracht van het Nationale Toneel vertaalde hij eerder al Titus Andronicus, Hamlet, en Koning Lear. Blogadres: http://frankalbers.blogspot.com/

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!