De Materie – Phia Ménard/Opera Ballet Vlaanderen/Bas Wiegers
Een schurend vooruitgangsdenken
Sébastien Hendrickx
Badeshiff © Tim Dornaus, Rau © Magdalena Blaszczuk, Jatahy © Leo Aversa, Drlicka © Jakub Gulyas.
Hoe vrij zijn de kunsten nog in een Europa waarin het beleid steeds meer naar rechts kantelt? Floris Baeke vroeg het aan Wiener Festwochen-intendant Milo Rau, die graag voorop loopt in de strijd, Braziliaans regisseur Christiane Jatahy en de ontslagen Slowaakse theaterdirecteur Matej Drlička, die de naam van zijn eigen minister niet meer mag uitspreken. “Om de artistieke vrijheid vandaag te verdedigen, moeten we de instituten gebruiken die we twintig jaar geleden nog vrolijk wilden afbreken.”
Wenen, 17 mei 2026. Het water van het Donaukanaal klotst tegen de flanken van het Badeschiff, een ponton dat de Wiener Festwochen tot zijn hoofdkwartier heeft gedoopt. Binnen, in een zaaltje met zicht op de zonnige kade, is er geen stoel meer vrij. Samen met mij wil een vijftigtal mensen de drie panelleden uithoren over de autoritaire greep op de Europese kunsten en wat daartegen te doen valt.
Wie niet kon ontbreken is Milo Rau, voormalig anarchist die we in België kenden als de rebelse artistiek leider van NTGent, tot hij in 2023 naar de Festwochen verkaste. De Zwitser doopte Europa’s grootste multidisciplinaire kunstenfestival prompt om tot de ‘Free Republic of Vienna’, een vrijplaats voor radicaal verzet. Een marxist met miljoenen publiek geld ter beschikking en de fine fleur van de Europese intelligentsia in zijn contactenlijst? De ironie ontgaat ook Rau niet, het komt straks zeker op tafel.
Naast hem zit Christiane Jatahy, de Braziliaanse theater- en filmmaker die in haar werk gefascineerd is door macht en medeplichtigheid. Haar producties toeren door Europa, met vaste haltes in onder meer De Singel en de Vlaamse Opera. Ze groeide op tijdens de militaire dictatuur en zag in 2019 hoe haar land de democratie via de stembus uitleverde aan de inmiddels veroordeelde Jair Bolsonaro.
En dan is er Matej Drlička, ooit klarinettist en directeur van het Slowaaks Nationaal Theater, tot hij in augustus 2024 om politieke redenen werd ontslagen door de Poetinminnende regering-Fico. Hij vertelt vooraf dat hij zopas is veroordeeld wegens smaad aan het adres van de Slowaakse minister van Cultuur, en dus goed op zijn woorden moet passen. Het vonnis is juridische gatenkaas en zonder precedent volgens zowat de hele Slowaakse advocatuur, maar verbiedt hem zelfs haar naam uit te spreken. Als iemand de autoritaire wending van Europa aan den lijve ondervindt, is het Matej Drlička wel.
Matej, kun je vertellen over je ontslag?
Matej Drlička: Toen Robert Fico weer aan de macht kwam, werd het ministerie van Cultuur overgedragen aan de ultranationalistische Slowaakse Nationale Partij, een partij die openlijk spreekt over “het beschermen van het blanke ras”. Al snel hingen er overal in Slowakije billboards met de tekst: “Wij hebben de financiering van lgbtqia+-projecten stopgezet!” Journalisten vroegen naar die billboards en ik zei: “Als algemeen directeur van het Nationaal Theater sta ik hier totaal niet achter.” Zeven maanden later werd ik ontslagen. Ze kwamen me mijn ontslagbrief thuis overhandigen, ’s ochtends, terwijl ik in mijn badjas stond.
Ik ben allicht het zichtbaarste slachtoffer, maar honderden mensen in de Slowaakse cultuursector zijn hun baan verloren. Fico prijst zijn minister van Cultuur en zegt dat zij erin geslaagd is “de progressieve rotzooi in het land op te kuisen”. Wat in Hongarije onder Orbán gebeurde, heeft onze minister in één jaar tijd geflikt.
En Fico komt daarmee weg bij zijn kiezers?
Drlička: Veel mensen zijn simpelweg slecht geïnformeerd. Mijn schoonvader is een geweldige man met een groot hart, maar hij stemt op Fico en denkt dat de vrede uit Rusland komt. Ik mijd politieke discussies met hem omdat ik onze band goed wil houden, maar onlangs hadden we net iets te diep in het glas gekeken. “Maar Matej, de Russen waren de enigen die tegen de nazi’s vochten!” zei hij. Ik vroeg hem: “Heb je nog nooit van het Molotov-Ribbentroppact gehoord?” Hij heeft enorme hiaten in zijn kennis, net als de jonge generatie. Het grootste probleem in Slowakije is niet extreemrechts, het is Rusland: hun propaganda, hun indirecte financiering en hun valse narratief dat Oekraïne de agressor is. Mijn grootste angst is nu dat Slowakije de Europese Unie zal verlaten.
Je bent ook teleurgesteld in de mensen binnen de cultuursector zelf.
Drlička: Toen de donkere wolken boven het Nationaal Theater zich samenpakten, zei ik tegen mijn collega’s van de drama-afdeling: voor mij zijn er twee rode lijnen. De eerste is Russische invloed, de tweede is inmenging van het ministerie met onze programmering. Als een van de twee wordt overschreden, vertrek ik. Iedereen zei toen dat ze dan zéker samen met mij zouden opstappen. Na mijn ontslag zijn inmiddels beide rode lijnen overschreden. En toch is er niemand vertrokken, behalve ik.
Zelfs in onze kleine bubbel moeten we toegeven dat het veel collega’s geen zier kan schelen waar wij het hier over hebben. Zijn symfonieorkesten ‘politiek’? Ik vind van wel, maar zelf zien ze dat niet zo. Als ik met een theatermaker praat en daarna met iemand uit de symfonische wereld, lijken het wel twee verschillende sterrenstelsels. We vormen geen front. Dus een van mijn taken in Slowakije is nu om álle kunstenaars te mobiliseren. Ik stap naar popmuzikanten, naar commerciële filmregisseurs, mensen die nog nooit een subsidie hebben aangeraakt. Zij zeggen dan: “Ja, maar jullie zijn de gesubsidieerden.” Jongens: als de gesubsidieerde sector niet bestond, bestonden jullie ook niet. Het is allemaal met elkaar verweven, we zijn één organisme.

Instagram Matej Drlička
Christiane, jij werkt in Europa én in je geboorteland Brazilië. Herken je dit?
Christiane Jatahy: Ik herken het geweld tegen kunstenaars. Ik heb mijn hele jeugd onder een dictatuur geleefd, en ik denk dat Brazilië daar nooit echt mee heeft afgerekend. De verantwoordelijken werden toen wel benoemd, maar er werd niets mee gedaan; ze bleven gewoon in het parlement zitten. Dus toen extreemrechts weer de kop opstak, konden ze heel openlijk die dictatuur verdedigen. Velen van ons dachten, gezien die recente geschiedenis, dat het onmogelijk was dat iemand die de dictatuur verheerlijkte president kon worden.
Je hebt het over Jair Bolsonaro.
Jatahy: Mensen verkozen hem in 2018. Hij gebruikte de instrumenten van de democratie om mensen ervan te overtuigen dat ze bang moesten zijn, dat ze iets zouden verliezen. Fascisme creëert altijd vijanden. Artiesten werden gecriminaliseerd: we zouden alleen maar profiteren van publiek geld en deel uitmaken van een ‘corrupte elite’. We denken vaak dat fascisme geen masker draagt, dat je het direct herkent. Maar het meest verschrikkelijke was het besef dat mensen die heel dicht bij je staan, op Bolsonaro konden stemmen.
“We denken vaak dat fascisme geen masker draagt, dat je het direct herkent. Maar het meest verschrikkelijke was het besef dat mensen die heel dicht bij je staan, op Bolsonaro konden stemmen.”
— Christiane Jatahy
Hoe staat het er nu voor?
Jatahy: Het blijft gevaarlijk. Dit jaar zijn er weer verkiezingen en Bolsonaro’s zoon, Flávio, stond erg hoog in de peilingen. Tot aan het licht kwam dat hij geld had verduisterd voor een film over zijn vader. Maar het echte probleem is niet Bolsonaro of zijn zoon, het is dat ze een manier hebben gevonden om de bevolking wijs te maken dat zíj de enige bescherming vormen tegen het ‘linkse gevaar’, een gevaar dat ze zelf hebben verzonnen.
Milo, jij als socioloog: waarom is de kunstensector zo bedreigend voor autoritaire leiders?
Milo Rau: Tolstojs Anna Karenina opent met de zin dat elk gelukkig gezin gelukkig is op dezelfde manier, maar dat elk ongelukkig gezin ongelukkig is op zijn eigen manier. Ik denk dat we allemaal op dezelfde manier ongelukkig zijn; in Brazilië, in Slowakije, hier, en ook in België. Twintig jaar geleden was bezuinigen op cultuur nog een neoliberaal idee. De privésector levert meer winst op met minder investeringen, dus waarom zouden we dan pakweg 500 euro subsidiëren voor elke stoel in de opera? Waarom zouden we investeren in avant-gardekunst die er alleen is voor een heel kleine lgbtqia+-gemeenschap? Nu zijn ze erachter gekomen dat elke euro die je in cultuur investeert, er zeven oplevert, terwijl een euro in defensie nul oplevert.1 Puur kapitalistisch bekeken is cultuur de meest effectieve sector die er is. Het neoliberale argument stortte in, maar toch willen ze blijven bezuinigen. Nu om ideologische redenen. En door algoritmes exploderen de culture wars online, en zo spreken ze jongeren aan. In Duitsland is de AfD de populairste partij onder jonge kiezers.
In Vlaanderen ook: het Vlaams Belang is extreem populair onder jongeren.
Rau: Precies. Extreemsrechts zijn niet langer bejaarde nazi’s die terug willen naar de jaren 1940. Ook de samenleving herinnert zich niet meer wat er in het verleden is gebeurd. In Oostenrijk worden woorden als ‘Volkskanzler’ gebruikt—termen die door Hitler zijn bedacht. We zijn vergeten waar het ons naartoe leidt als we migranten, homoseksuelen, Joden en moslims uitsluiten.
Rechts heeft de wind in de zeilen, spreekt jongeren aan en vertelt een enthousiasmerend verhaal. Moeten en kunnen de kunsten daarop reageren?
Jatahy: Ik heb het antwoord niet. Ik blijf kunst maken omdat ik geloof dat we iets kunnen veranderen. Misschien ben ik te optimistisch, maar we hebben geen andere keuze. Ik geloof in de jeugd, al zie ik dat ze niet meer geloven in de politiek, in de overheid, of in het idee dat iemand nog iets voor een ander kan doen. In Brazilië gebruikt extreemrechts voortdurend het woord empreendedor: ‘doe het zelf’, is het idee, ‘je staat er alleen voor’. Dat is de dood van de democratie. Want als je niet meer gelooft dat de staat je kan beschermen en helpen, blijf je alleen over. Alleen samen kunnen we dingen veranderen. Laten we met kunst proberen mensen het gevoel te geven dat ze deel kunnen uitmaken van een collectief.
Rau: Ik zeg altijd: verzet heeft geen vorm, verzet is de vorm. Rechtse partijen zijn succesvol omdat ze met een zogenaamd alternatief komen. Links heeft dat niet, wij zitten in het defensief. We verdedigen dit festival, we verdedigen democratie, we verdedigen kunstsubsidies: wij zijn de status quo. Vorige week herlas ik David Graeber; hij stelde nog een alternatief voor, een participatieve democratie.
Gisteren, aan het einde van het stuk van Christiane en Brigitta Muntendorf (The Day Before, dat de dag voor dit panelgesprek in premiere ging; nvdr), begint iedereen samen ‘Let the Sunshine In’ te zingen. Je kunt dat hyper-cringe vinden, maar we doen het wel samen. Ik hoorde dat tijdens de repetities zelfs mensen op straat gingen meezingen. Met elke samenkomst kunnen we de democratische daad revitaliseren. We moeten de hele maatschappelijke machine zien als iets wat leeft, en dat kan verdwijnen als we het niet telkens opnieuw tot leven wekken.

The Day Before, Christiane Jatahy & Brigitta Muntendorf © Tim Dornaus
Drlička: Ik ben een manager, mijn blik is praktischer, niet zo filosofisch of artistiek. Als ik de situatie observeer, kan ik alleen maar concluderen dat dit niet goed afloopt. Na elke zucht van vrijheid in de geschiedenis volgde een terugslag, kijk naar de Weimarrepubliek. We kunnen het proces hooguit vertragen.
Ik zal een Slowaaks voorbeeld geven: de verkiezingen zijn over anderhalf jaar. Iedereen weet van de miljardenschandalen rond Fico en zijn kringen, maar zijn kiezers halen hun schouders op: iederéén steelt. Ik denk dat zelfs een moord hen niet zou doen wankelen. Nu is er dat schandaal rond de moeder van Michal Šimečka, de leider van de progressieve oppositie: met haar kleine ngo zou ze 100.000 euro aan twijfelachtig geld hebben aangenomen.
“Ik zeg altijd: verzet heeft geen vorm, verzet is de vorm. We moeten de hele maatschappelijke machine zien als iets wat leeft, en dat kan verdwijnen als we het niet telkens opnieuw tot leven wekken.”
— Milo Rau
Dat bleek niet helemaal waar te zijn, en het had vooral niets met Šimečka zelf te maken. Maar hij keldert dramatisch in de peilingen. Het ene electoraat vergeeft een miljardencorruptie; het andere laat zijn leider vallen door een verkeerd geïnde factuur van zijn moeder. Dus we really have a problem, Houston. Het is overduidelijk: mensen snakken naar een leider. We hebben iemand als Obama nodig, een geweldige acteur, charismatisch, maar keihard, iemand die ook achter de schermen het vuile lobbywerk wil opknappen. Iemand die zo overtuigend is dat zelfs het conservatievere deel van de kiezers hem volgt.
Is dat verlangen naar sterke leiders en instituten op zich niet gevaarlijk? Milo, jij leidt een van de grootste festivals van Europa en zegt tegelijk: ik ben het verzet. Hoe kun je establishment én verzet tegelijk zijn?
Rau: Dat is een zeer Atlantische vraag. Twintig jaar geleden zou ik hetzelfde hebben gevraagd. Maar misschien begrijp je het over tien jaar ook. Matej begreep het eerder dan ik, en ik kan je een voorspelling geven voor België: extreemrechts zal groeien en het vizier richten op de grote instituten. Dan heb je twee opties. Je kunt doorgaan met je linkse deconstructie—hand in hand met rechts dan, want zij willen het veld ook kapot. Wanneer zij een instituut willen ontmantelen, zetten ze er mensen neer die er prat op gaan dat ze geen verstand van kunst hebben en de boel willen slopen. Eigenlijk is dat exact wat ik twintig jaar geleden in mijn anarchistische tijd ook wilde. Maar dus: nu ben ik de instituten binnengestapt om ze te verdedigen.
Ik gebruik altijd een simpele metafoor. Een tijdje geleden was de vraag nog: wie is de beste leerling? Inmiddels is de vraag: bestaat de school over tien jaar nog wel? Ik hou niet van lessen, ik hou niet van professoren en ik houd niet van instituten. Maar we móéten de school verdedigen.
Twee generaties lang hebben we geïnvesteerd in identiteitspolitiek. Het was een logische stap na de klassenstrijd. Maar nu zien we dat de grootste minderheid de witte middenklasse is. Zij gebruiken de democratie, fucken ons, en het is voorbij. Dus moeten we terug naar het gevecht binnen de instituten. In de jaren 1960 stond de oudere generatie op de barricades; maar op een gegeven moment zei ze: laten we een partij oprichten en laten we met de meerderheid naar binnen gaan. Zo hebben ze ons allemaal bevrijd. Nu doet rechts precies hetzelfde: zij veroveren de instituten. We moeten op dezelfde manier terugvechten. Natuurlijk heeft dat iets heel performatiefs en absurds, dat besef ik heel goed. Maar het is een nuttige, een cruciale performance.
Jatahy: Ik ben het daar volledig mee eens. Brazilië is het bewijs. Toen Lula da Silva won (de progressieve presidentskandidaat die het tegen Bolsonaro opnam; nvdr), was er een reëel risico op een staatsgreep; Bolsonaro had alle documenten al klaarliggen. De coup ging niet door omdat het Hooggerechtshof standhield. De democratische instituten werkten. Dit is dus niet het moment om te zeggen: wij zijn hier geen deel van. Integendeel. Neem de instrumenten van de democratie in eigen handen en vecht binnen de arena.
Dat is wat jullie nu doen, Milo en Matej. Samen zijn jullie de drijvende kracht achter het voorstel voor een European Artistic Freedom Act.
Drlička: Twee dagen na mijn ontslag ging de telefoon: ‘Hi Matej, met Milo. Laten we hier iets aan doen.’ Toen hebben we besloten terug te vechten. We zetten een platform op, Resistance Now, samen met de European Theatre Convention, Culture Action Europe, de Wiener Festwochen, Opera Europa en vele anderen. Een jaar lang hebben we gereisd en gesproken, wat leidde tot Open Culture, een conferentie die ik in Bratislava organiseerde, en de Bratislava-verklaring: een belofte om campagne te voeren voor nieuwe Europese wetgeving die de artistieke vrijheid beschermt.
Rau: Het is eigenlijk heel vreemd: iets als een Europese wet voor artistieke vrijheid bestond gewoon nog niet. Er zitten gaten in onze democratie, en die moeten we nu dichten om de cultuur te redden.
Drlička: We hebben nu een stuurgroep met drie pro-bono advocatenkantoren in Brussel en Straatsburg die aan de wet werken. Het model is de European Media Freedom Act. We verzamelen getuigenissen van kunstenaars en managers uit heel Europa: hoe wordt de wet geschonden, wie wordt de mond gesnoerd, wie wordt vervolgd of gecensureerd? We zijn in gesprek met de Commissie; Milo heeft de voor cultuur bevoegde Eurocommissaris Glenn Micallef ontmoet. Ik ben ervan overtuigd dat de wet binnen twee jaar door de Commissie wordt aangenomen en naar het Parlement gaat.

© Ernest Thiesmeier
Maar waarom zou een wet ons redden? Autoritaire leiders trekken zich toch per definitie weinig aan van de wet?
Drlička: Het was fascinerend om de juridische experts aan het werk te zien: zij gebruikten geen filosofische of artistieke waarheden. De ingang die ze vonden was artikel 114 van het EU-Werkingsverdrag: de interne markt. Uiteindelijk is geld de enige taal die iedereen vloeiend spreekt. Als een regering de artistieke vrijheid van een boek, film of opera aantast, tast ze ook het artistieke product aan, zo luidt de redenering. En door één markt te verstoren, verstoor je de hele interne markt van de Unie. Je kunt het cynisch of pragmatisch noemen, maar we hebben zo wel een manier gevonden om via harde cijfers met Eurocommissarissen en -parlementariërs te praten.
Rau: Het toont hoe ver we zijn opgeschoven: nu moeten we liberale, zelfs neoliberale argumenten gebruiken om de vrijheid van de kunst te verdedigen. We gebruiken instituten—de Europese Unie, de Wiener Festwochen—die hij twintig jaar geleden met zijn klarinet en ik met mijn toneelstukken nog vrolijk hadden willen afbreken.
“Ja, soms kunnen er goede dingen voortkomen uit privaat geld. Ik heb mijn hele leven in tijden van crisis gewerkt; dan leer je dat er nooit maar één goede weg is.”
— Christiane Jatahy
Een kritische vraag vanuit de andere hoek dan: zit er een kern van waarheid in de conservatieve claim dat de kunsten ‘te links’ zijn? Leven we als gesubsidieerde cultuurwerkers soms te zeer in een elitaire bubbel, die de politieke verschuiving naar rechts juist in de hand werkt?
Rau: Rechtse dominantie in de kunsten betekent simpelweg het einde van de kunst. Ik had ooit een radiodebat met een rechtse filosoof-politicus, die me vroeg: “Waarom nodig je geen rechtse schrijvers of regisseurs uit?” Ik zei: noem me één naam en ik nodig hem meteen uit. Hij zei: “Ernst Jünger.” Ik antwoordde: die is dood, dat wordt lastig.
Nee, alle gekheid op een stokje: er heerst inderdaad een heel links idee dat je rechtse, conservatieve of fascistische mensen geen podium mag geven. Maar de podia die zij de afgelopen twintig jaar voor zichzelf hebben gebouwd, zijn vele malen groter dan wat we hier hebben. Dus het beste wat we kunnen doen is hen juist uitnodigen en met hen in debat gaan; misschien niet om hen te overtuigen, maar om hen in het openbaar met argumenten te verslaan. Om die jongeren te laten zien dat onze argumenten sterker zijn. Dat we cooler zijn en meer plezier hebben. Want dat zijn we de afgelopen jaren kwijtgeraakt.
Een andere strategie om artistieke vrijheid te waarborgen die circuleert: loskomen van publiek geld en politieke grillen, en meer private financiering zoeken bij filantropen. Zien jullie daar heil in?
Jatahy: Een paar jaar geleden speelden we hier After the Silence, een stuk over racisme met performers die uit een zeer ingewikkelde sociale situatie in Brazilië komen. Na afloop kregen we een mail van een zeer rijke Weense vrouw. Ze vroeg of ze iets voor deze performers kon betekenen. Ze is naar Brazilië gereisd, heeft de groep leren kennen en inmiddels financiert zij hen. Dus ja, soms kunnen er goede dingen voortkomen uit privaat geld. Ik heb mijn hele leven in tijden van crisis gewerkt; dan leer je dat er nooit maar één goede weg is.
Rau: Natuurlijk moeten we zulke filantropen proberen te vinden: er zijn inderdaad linkse ondernemers en we stappen naar hen toe met specifieke projecten, en soms investeren ze. Maar dan hebben we het over 2 of 3 procent van ons budget. Als het publieke geld verdwijnt, verdwijnt het theater.
Extreemrechts valt de publieke cultuursector aan, zelden de private. Je kunt campagne voeren tegen Andy Warhol, maar Warhol is privé-eigendom, en aan privé-eigendom kom je niet.
Het nationaal theater, de opera, de gesubsidieerde avant-garde: die zijn wél kwetsbaar. Eigenlijk laat dat iets moois zien: we geloven blijkbaar nog steeds in de symbolische kracht van kunst. Het doet er blijkbaar toe wie er op het podium van een nationaal theater staat en wat daar wordt gezegd. En extreemrechts gelooft dat duidelijk ook.
Maar een land waar kunst volledig privaat gefinancierd wordt? Dat bestaat al, en dat zijn de Verenigde Staten. Het spijt me om te zeggen, maar Amerikaanse kunst is vaak boring bullshit. Het is niet onafhankelijk, het is onzichtbaar. ‘Filantroop’ is een prachtig woord, maar velen zijn het niet: zodra een werk niet acceptabel is voor de brede middenklasse—met een beetje seks hier, een beetje politiek daar—trekken ze hun handen ervan af, uit angst. Dat soort kunst haalt de geschiedenisboeken niet, maar wordt vergeten.
“Samenkomen is een vangnet; het geeft een gevoel van veiligheid en zorgt voor een snelle uitwisseling van informatie. Blijf ze op de huid zitten. Wees een pain in the ass voor de macht.”
— Matej Drlička
Drlička: Laat ik wat positiever zijn. Veel initiatieven die ik organiseer worden grotendeels betaald door Slowaakse ondernemers. De zakenwereld in Slowakije is bang voor wat er komt. Ze begrijpen heel goed dat hun bedrijven niet veilig zijn onder Russische invloed, dus ze moeten binnen Europa blijven. Dat zijn geen linkse activisten, maar rechtse ondernemers.”
Tot slot, heel concreet: hebben jullie advies voor kunstenaars en cultuurwerkers die zich zorgen maken en het heft in eigen handen willen nemen?
Jatahy: Tijdens de laatste verkiezingen in Brazilië, toen het erom spande of Bolsonaro weer zou winnen, gingen kunstenaars, en zelfs heel bekende tv-acteurs, de straat op om het gesprek aan te gaan. Ze gingen bij mensen zitten en vroegen: waarom wil je op Bolsonaro stemmen? We moeten proberen weer een directe relatie met mensen op te bouwen, buiten het internet om, want dat is een oorlogsgebied geworden waar mensen alleen nog maar lezen wat in hun kraam past.
En ten tweede: breng vreugde en feest. Brazilië is een muzikaal land; elk protest gaat gepaard met muziek. Er komen mensen op af die het totaal niet met je eens zijn, vervolgens zing je samen, en omdat mensen zingen en dansen, stellen ze zich open. Je kunt het leven vieren en tegelijkertijd over politieke verandering praten. Een feest kan ook een protest zijn.
Drlička: In Slowakije is er het platform Open Culture. Duizenden mensen verspreid over het hele land werken volledig online samen. We zamelen geld in, organiseren protesten en bieden juridische hulp: sponsors betalen de advocaten van kunstenaars die dat nodig hebben. Als er iets verdachts gebeurt in de National Gallery, weten we het de volgende dag al. We zijn in feite de geheime dienst van de cultuursector, en we spelen alles direct door naar de media met foto’s en ooggetuigenverklaringen. Met bijna nul budget zijn we uitgegroeid tot het luidste burgerplatform van Slowakije; politici klagen over ons tijdens debatten in het parlement.
Dus mijn advies, dat we ook al aan onze Hongaarse, Poolse en Tsjechische collega’s geven: richt een vakbond op, een platform dat kunstenaars, managers en experts verenigt. Samenkomen is een vangnet; het geeft een gevoel van veiligheid en zorgt voor een snelle uitwisseling van informatie. Blijf ze op de huid zitten. Wees een pain in the ass voor de macht.
Read this interview in English.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.