Leestijd 8 — 11 minuten

The Song

Rosa’s White Album

1. Een van de kortste en tevens meest markante teksten over dans is het No Manifesto van Yvonne Rainer uit 1965. In twaalf zinnetjes zegt Rainer waar ze allemaal komaf mee wil maken: ‘neen aan het spektakel, neen aan virtuositeit, neen aan transformatie en magie en doen alsof…’ Het lijstje is geïnspireerd door het toenmalige minimalisme in de beeldende kunst, maar verwijst ook naar een meer algemene artistieke houding, die de ingeburgerde idee van kunst als mogelijkheidszin of het creëren van nieuwe expressievormen radicaal opzijschuift en kiest voor de kunst van het weigeren van mogelijkheden. Kunst is dan de kundigheid om weg te nemen, om overbodigheden te schrappen, en ook: om niet nog eens te doen wat men tot nog toe heeft gedaan.

The Song, de nieuwste voorstelling van Rosas, lijkt op het eerste gezicht een gedanst ‘Nee-manifest’ in het licht van het vorige werk van Anne Teresa De Keersmaeker. Er zijn geen regelmatig opwaaiende jurken, want de voor het merendeel nieuwe cast bestaat uit negen mannelijke performers en één danseres die in broek danst. Er is geen basisfrase waarvan het bewegingspotentieel doorheen talloze variaties wordt verkend en uitgepuurd. Er is haast geen muziek, en dus ook geen choreografie die zich daartoe verhoudt. The Song is inderdaad een Rosas-voorstelling waarin ‘Rosas’, of het gangbare beeld van het werk van De Keersmaeker, radicaal afwezig lijkt. Dat is des te opmerkelijker omdat De Keersmaeker erom bekend staat dat ze bewegingsmateriaal regelmatig van de ene naar de andere voorstelling meeneemt en ze haar choreografisch metier niet zozeer spronggewijs maar vooral geleidelijk heeft verdiept. Hélemaal onverwacht is de gedaanteverwisseling niet. De solovoorstellingen Once en Keeping Still toonden al een zoekende kunstenares die zich twijfelend verhoudt tot zowel haar eigen artistieke verleden (en dus ook haar oeuvre) als de omringende geopolitieke en ecologische realiteit. En Zeitung, de vorige productie van Rosas, frappeerde door de variëteit aan bewegingsmateriaal in de gedanste solo’s en deels ook de duetten. Toch liet dat alles niet meteen vermoeden dat De Keersmaeker het artistieke roer zo sterk zou omgooien als in The Song.

2. Bij de titel The Song denk je onwillekeurig aan een popdeuntje. Tijdens de schaarse muzikale momenten in de voorstelling hoor je ook popmuziek. De nummers komen uit The White Album van The Beatles, ook zo’n buitenbeentje in een omvangrijk oeuvre. The Song verankert zich echter niet zozeer in de wereld van de populaire muziek door de paar momenten dat er een Beatles-song wordt gezongen (met begeleiding op akoestische gitaar) of die ene keer dat ‘Helter Skelter’ door de boxen klinkt. De formele opbouw van de voorstelling legt een veel directere relatie: The Song is in de eerste plaats een aaneenschakeling van solo’s en duetten, wat overkomt als een opeenvolging van nummers, ja als het gedanste pendant van het optreden van een popband. De vergelijking met een show waarin iedere deelnemer een liedje brengt, loopt dan weer mank. De tien performers soleren wel voluit op een telkens particuliere manier, maar je merkt ook snel dat het individuele bewegingsmateriaal binnen nogal strakke parameters werd ontwikkeld. De solo’s variëren op fysieke basisgegevens: een lichaam beweegt liggend (horizontaliteit) of rechtop (verticaliteit), en is altoos en overal gebonden aan de zwaartekracht (vallen). Het klinkt essentialistisch, alsof De Keersmaeker met haar dansers het wezen van een bewegend menselijk lichaam heeft willen verkennen. Toch zit The Song nooit in een droog minimalistisch of conceptueel register. Er worden geen lichaamswaarheden gedemonstreerd, maar op uiteenlopende wijzen gedanst. Ze krijgen altijd een singuliere vertaling, ze worden zodanig vaak verplaatst en verschillend uitgedrukt dat ze veranderen in mogelijkheden met een breed bereik. In de bijdragen van de performers zijn rechtop, liggend of vallend bewegen de grondtonen van een eenvoudige partituur die zo sterk wordt gevarieerd dat het inderdaad lijkt alsof de dansende lichamen een onhoorbare melodie zingen met een altijd particuliere stem. Die tegelijk af- en aanwezige grondtoon van de voorstelling is ‘the song’; haar titel zinspeelt op een choreografische basiswaarheid: dansen is als zingen, niet enkel met de huig maar met het héle lichaam.

De titel heeft nog een andere, ditmaal meer expliciete betekenis. In The Song zorgt het enige moment dat een Beatles-song écht hoorbaar is voor een collectieve explosie. De tien dansers gaan voluit op ‘Helter Skelter’, waarbij ze eigen lijnen volgen die elkaar zo minimaal kruisen dat iedere zweem van een geregisseerde groepschoreografie achterwege blijft. De groepsdynamiek lijkt op die van een collectieve improvisatie, op – gewoonweg – een song. De performers zijn het vaakst samen in een collectief gelopen cirkelbeweging, inderdaad een bekende figuur in het oeuvre van Rosas. In The Song lopen ze echter niet alleen in groep rondjes, maar imiteren ze altijd ook een zwerm vogels die in wisselende formatie samen bewegen. Er is geen zichtbaar basispatroon, zelfs geen vaste leider, enkel het zich gedurig oriënteren op elkaar door uit te wijken naar links of rechts, even richting staart af te zakken en dan weer snelheid te maken,… Het is het basisbeeld van de voorstelling en het corrigeert de indruk van een concert met alleen maar fragmenten. De song van The Song is ook het afgestemd zijn van mensen op elkaar omdat ze met elkaars bewegingen rekening houden met het oog op een letterlijk beweegbaar geheel voor en door individuele bewegingen. Ik ben niet helemaal overtuigd door deze gedanste vergelijking met de dierenwereld, tenslotte blijft in de mensenwereld het voornaamste instrument om handelingen op elkaar af te stemmen de hiërarchische organisatie (de vergelijking is mij daarnaast ook gewoon te ‘naturalistisch’). Maar het collectieve basisbeeld van de voorstelling is wel een mooi gedanste en in al haar eenvoud bijzonder affectieve vertaling van de zelforganisatie in een gelukt samenzijn. De song van The Song is als een goed gesprek tussen vrienden, of als een samenzang zonder dirigent. En toch is er ondanks alle bewuste aftrek van de ingrediënten die het beeld of de publieke identiteit van Rosas als danscompagnie bepalen, de duidelijk herkenbare signatuur van De Keersmaeker.

3. We kennen de collectieve cirkelbeweging, die trouwens verwijst naar de traditionele figuur van de rondedans. We zijn eraan gewend dat in een voorstelling van Rosas de dansers vanaf de linker- en rechterzijde van het podium naar de bewegingen in het midden kijken, wat voor een specifiek theatraal effect zorgt: de scheiding tussen scène en zaal wordt op de scène verdubbeld. Ook de vele armbewegingen ogen vertrouwd: De Keersmaeker heeft daar altijd in geëxcelleerd, ze vormen een intrinsiek onderdeel van haar choreografische schriftuur. In The Song komen ze haast nooit maniëristisch of geciseleerd maar vooral uitbundig over. De voorstelling is echter vóór alles vintage Rosas door het gebruik van de ruimte. De dansers bewegen van links naar rechts of van voren naar achter, dansen een diagonaal of houden zich op in het midden van de scène met zeg maar een geometrisch bewustzijn. Geen choreografie zonder geometrie, en geen gedanste organisatie van de ruimte zonder de creatie van een eigenstandig soort architectuur. Maar bij De Keersmaeker treft altijd opnieuw de eenvoud, ja het klassieke karakter van de indeling van de scenische ruimte – of, juister, van haar transformatie van de ruimte tot een letterlijk buitengewone plaats, waar we worden herinnerd aan de basisparameters van de manier waarop we al bewegend letterlijk ruimte maken, een abstracte topologie in een fysiek bewoonbare plek veranderen.

In The Song vindt De Keersmaekers architecturale benadering van choreografie, die een abstract rationalisme paart aan het doorleefd en fysiek zichtbaar maken van ruimtelijke basispatronen, een perfecte partner in de eveneens op het articuleren van de ruimte gerichte kunst van Ann Veronica Janssens en Michel François. Boven de scène hangt een zilverig zeildoek met een soort knik die je van een slecht opgestelde tent kent. Tijdens de voorstelling valt het doek naar beneden, wat inderdaad een voorspelbare beweging is. Ze bevestigt echter ook de algemene indruk dat je een voorstelling bijwoont die het niet moet hebben van spektakel maar die wedt op de effectiviteit van klassieke ingrediënten, of the basics. De belichting versterkt die impressie: een heel grote spot vooraan die zelden aanfloept, daarnaast een scène die volledig is uitgelicht en soms even volledig verdonkert; het sluit in zijn minimalisme allemaal naadloos aan bij de paar parameters die de gedanste solo’s kadreren en de eenvoud van de als een vogelzwerm bewegende groep. The Song verkent zo een nieuw soort van modernisme, waarin de slogan less is more niet synoniem is voor alleen maar aftrekken, zoals in Rainers ‘No Manifesto’, maar staat voor het herkennen van de mogelijkheden van het eenvoudige, de rijkdom van het voor de hand liggende. De voorstelling is streng noch spaarzaam, ze is geen late erfgenaam van het soort architectuur waar Le Corbusier het patent op had. Ze viert de vrijheid van de zelfgekozen beperking doorheen de erkenning van de particulariteit van het dansende lichaam, dat al bewegend de gebondenheid aan de eigen zwaartekracht, verticaliteit of horizontaliteit in een potentieel van mogelijkheden verandert. De song van The Song zegt dat we vrij kunnen zijn dankzij onze beperkingen, kunnen zingen dankzij een basismelodie, kunnen soleren dankzij ons aanpassingsvermogen binnen een groep. Het is een utopische voorstelling die een beeld biedt van wat een gelukt samenzijn zou kunnen zijn: gedeelde ruimte, maar met ruimte voor individualiteit.

The Song is van 17 tot 27 september te zien in het Kaaitheater (Brussel), van 18 tot 21 november in deSingel (Antwerpen) en op 12 december in het Concertgebouw (Brugge). www.rosas.be

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

#118

01.09.2009

—

30.11.2009

Rudi Laermans

Rudi Laermans is socioloog en auteur, en tevens werkzaam als vertaler en dramaturg. Hij was hoogleraar sociale theorie aan de KU Leuven en gastdocent theorie aan meerdere kunsthogescholen, een rol die hij blijft opnemen binnen P.A.R.T.S. in Brussel. Recent publiceerde hij de boekessays Gedeelde angsten (2021) en Democratie zonder politiek? (2024). Als vertaler werkte hij o.a. mee aan Eigenzinnigheid, werk en geschiedenis (2023) van Oskar Negt & Alexander Kluge en Verlies (2025) van Andreas Reckwitz. Hij is al geruime tijd dramaturg bij Not Standing, het gezelschap van Alexander Vantournhout, en gaf ook dramaturgische input bij voorstellingen van o.m. Aïda Gabriëls.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!