Portici, Silence Radio & Muziektheater Transparant © Koen Broos

Leestijd 14 — 17 minuten

Taalbarrières

Dahlia Pessemiers-Benamar wordt mateloos geïntrigeerd door de zijsporen in denken en communiceren die taal aanboort. Taal als motor van vernieuwing, bewustzijn en revolutie, maar ook van onbegrip en onderdrukking. Zowel op als naast het toneel onderwerpt ze de normatieve krachten van taal aan een kritisch onderzoek. Samen met een meertalige, gemengde ploeg van dove en horende mensen zette ze Portici op poten, een productie die ‘toegankelijkheid op een artistieke manier benadert’. Een terugblik én een toekomstvisioen.

‘De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld.’ (Ludwig Wittgenstein)

In Vlaanderen wonen zo’n 60.000 mensen die doof of slechthorend geboren zijn. Dat is een gemeenschap die bijna evenveel mensen telt als de Duitstalige gemeenschap in ons land. Sinds 26 april 2006 is VGT (Vlaamse gebarentaal) ook een erkende Belgische taal.

Taal blijft in ons land, ondanks vele inspanningen, een drempel die mensen verhindert aan cultuur deel te nemen. Ook in de theaterscholen wordt vooral vanuit het Nederlands gedacht, geschreven en gemaakt. Wat in principe betekent dat de dovengemeenschap gedomineerd wordt door de horende cultuur en er voor gebarentaligen geen toegang is tot Belgische theaterscholen. Dat moet toch anders kunnen?

Het begin

In 2017 kreeg ik een opdracht van GC De Zeyp in Ganshoren om een voorstelling te creëren die gespeeld zou worden door twee horende en twee dove acteurs. Het resultaat moest leesbaar en begrijpbaar zijn voor een publiek van doven en horenden, zonder dat de acteurs elkaar letterlijk vertaalden.

Het project sloot naadloos aan bij de rode draad in mijn artistieke werk: talen op scène laten versmelten, meertaligheid en diversiteit als evidenties en niet als struikelblokken beschouwen: helemaal mijn ding! Zo had ik het voor ogen. Althans tot de eerste repetitie­dag, want het eerste wat me overkwam was: struikelen.

Hoe had ik het in mijn hoofd gehaald dat het er vooral om ging de Vlaamse gebarentaal met gesproken taal te laten versmelten? Hoe kon het dat ik niet besefte dat de doven­cultuur — die vrij onzichtbaar leeft binnen de verschillende culturen die we als horenden ondertussen wel omarmen en beleven — over veel meer gaat dan een verschil in taal en expressie?

Mijn struikelen bezorgde me een zekere schaamte om mijn onwetendheid. Maar het zorgde er vooral voor dat ik me bewust werd van een paternalistisch denkpatroon: wat wist ik écht over de taligheid en cultuur van gebarentaal? Benaderde ik het niet te zeer als iets exotisch, iets wat ik vooral ‘mooi’ en ‘theatraal interessant’ vond? Dat deed pijn — des te meer omdat ik daar zelf vaak schreeuwend over tekeerga.

Sluimerend paternalisme is vaak ongrijpbaar en zelfs onbespreekbaar, omdat het preten­deert de intentie te hebben zich in iemand te willen verplaatsen, te willen begrijpen. En daardoor onderlijnt het juist het verschil. Om die reden benoem ik het als een van de grootste valkuilen in intercultureel werk. Ik zag in dat mijn opdracht minder evident zou zijn dan ik aanvankelijk dacht, maar ik ging de uitdaging met veel enthousiasme aan.

Regisseren en schrijven voor en met doven en horenden gaat over veel meer dan begrijpen en weten hoe de dovencultuur in elkaar zit, of hoe de horende en de dovencultuur zich tot elkaar verhouden. Het werd voor mij een spiegel waarin ik heel wat andere patronen zag die het culturele veld zichtbaar en minder zichtbaar structureren en bepalen.

Kwetsbaarheid vooropstellen, durven te falen, angsten uiten en samen een kwetsbaar, authentiek maar vooral lang werkproces aangaan: dat is wat nodig was om het ‘horende paternalisme’, dat ik dus ook bij mezelf opmerkte, te doorbreken. De eerste grote belang­rijke stap daarin was een intensieve samenwerking met tolken. De eerste dagen voelt dat heel bevreemdend aan. Ze maken deel uit van het team, om elke nuance mee te krijgen, om elk gesprek tot in de kern mogelijk te maken. Wat me opviel, is dat daardoor meer rust ontstaat dan in andere repetitieprocessen. Er kan namelijk niet door elkaar gepraat en gebrainstormd worden. Ieder wordt verplicht om naar elkaar te luisteren, te kijken, en de ander zijn gedachte te laten afronden. Acteurs onder elkaar hebben vaak de neiging om elkaar voortdurend uit te dagen met kennis, ideeën, mopjes — dat is eigen aan de meeste repetitieprocessen, aan het ritueel. Het maakt de opdracht van de tolken niet bepaald eenvoudiger. Het vertalen van die terzijdes zorgt voor chaos, maar leidt ook tot een bewustzijn van deze systemen van elkaar onderbreken en overtreffen.

“Onder vele progammatoren leeft een angst om verantwoordelijkheid op te nemen en aanpassingen in hun aanbod door te voeren.”

Samen ontdekten we hoe geluid en muziek, licht, decor, video en dans andere functies vervulden dan diegene waaraan we gewend zijn. En hoe met teksten omgaan? Kunnen we een zuivere vertaling naar gebarentaal maken van wat horenden hebben neergeschreven? Kunnen we geluid en muziek vertalen? Is geluid wel nodig? Hoe gaan we om met stilte wanneer stilte iets anders kan betekenen voor een deel van de spelers en van het publiek? Welke impact hebben versterking, microfoons en andere geluidsdragers? Worden deze als stigmatiserend ervaren?

Regie ging niet over vertalingen maken, dramaturgische beslissingen nemen en verkeer regelen op scène. Het werd eerder een zoektocht naar antwoorden op existentiële vragen die alle evidenties, verwachtingspatronen en gewoontes in onze podiumcultuur belichten. Maar ook: overgangen bedenken en helder krijgen die niet gebaseerd zijn op geluid of woorden, samen spelen zonder eigenheid te verliezen, stuiten op theatercodes en begrippen die in spreektaal voor de hand liggend zijn (zoals scenografie, côté cour/jardin, coulissen, timing…)

Portici, Silence Radio & Muziektheater Transparant © Koen Broos

We hadden één jaar de tijd. Een jaar waarin ik ook de gelegenheid kreeg ervaringen uit te wisselen met zowel dove als horende regisseurs uit andere Europese landen, die al jaren werkten met een mix van gebarentalige en sprekende acteurs.

In België maakten doven af en toe deel uit van figuren-­ en danstheater, maar zelden kregen ze een rol in teksttheater. Er werd wel al met een tolk of schaduwtolk op scène gewerkt. Maar dat is pingpong spelen voor een doof publiek, tussen spelers en tekst.

Toen we de productie opvoerden, in een klein zaaltje in Ganshoren, werden we warm wuivend en luid klappend onthaald. We hielden nagesprekken met een tolk, waaruit bleek dat er een gevoel van trots leefde om eindelijk op gelijke voet met horenden te staan. Dat de ontmoeting binnen een theaterproductie heel wat betekende voor de doorgaans gescheiden gemeenschappen. Het dove publiek was enthousiast, geëmotioneerd zelfs. Er was een heldere vraag naar meer.

De nagesprekken blijven op mijn netvlies gebrand en de woorden die de tolk vertaalde, zinderen na. Op een vraag vanuit het publiek: ‘Vind je het niet erg dat je niet kunt spreken of horen?’, gebaarde acteur Serge Vlerick: ‘Vind jij het niet erg dat je wit bent? Of dat je niet kunt vliegen?’ Een emancipatoir antwoord, dat vertrekt vanuit rijkdom in plaats van gebrek.

Artistieke emancipatie, een gevecht voor gelijke rechten en taalgelijkheid. Het doet me terugdenken aan de intense inspanningen die jaren werden geleverd om onze podia, series en films open te stellen voor een meer diverse of gekleurde cast. Is dit een nieuwe strijd om te leveren? Gaan we dat op dezelfde manier aanpakken? Gaan we snel verder raken dan: goh, dat is zo mooi hoe die mensen met hun handen bewegen? We weten gewoon te weinig.

De goesting om de handen in elkaar te slaan was er. Maar tolken kosten handenvol geld: elk uur communiceren minimaal 55 euro — en betaalde tolkuren bekostigd door de over­heid zijn schaars. Hoe moet dat dan? Ik weigerde om me neer te leggen bij ‘het geld is op’. Ik maakte mezelf de belofte dat ik ooit een voorstelling zou maken die ook in de grote theaterzalen zou spelen.

De belofte

Ik vroeg een beurs aan, deed onderzoek en richtte daarna met een aantal gelijkgestemden Silence Radio op, een gezelschap met meertalige makers uit verschillende disciplines.

De focus binnen Silence Radio ligt niet alleen op doof bewustzijn. De gesprekken die aan de aanvraag voorafgingen, waren gebaseerd op debatten die al ruim twintig jaar aan de gang zijn: doelgroepdenken. Silence Radio wil de artistieke waarde van kunstenaars die om een of andere reden buiten de norm vallen, mee normaliseren. Die basisovertuiging willen we niet alleen belichamen in onze creaties, we willen er ook andere kunstorganisa­ties mee ondersteunen.

En die eerste creatie, die maakten we met z’n allen. Het stuk dat op tafel lag: De stomme van Portici. Een van de weinige stukken rond een doof hoofdpersonage. Het spreekt over een verschuiving in de machten, en het stuk zelf was de aanleiding tot de gekende revolte die aan de oorsprong lag van het ontstaan van België. Een land dat ons blijvend herinnert aan taalverschillen en ­-geschillen, aan nood aan erkenning, en dat blijvend vecht voor en werkt aan een gemeenschappelijke cultuur en identiteit.

In de naam van dat stuk zat al een ongelijkheid verscholen: ‘de stomme’. Een term die we bewust uit de titel haalden, omdat hij de grenzen tussen de horende en niet-­horende gemeenschap op scherp zet.

Wat zijn de barricades die gemeenschappen opsplitsen, zodat ze elkaar niet langer kunnen horen? Kan er een (r)evolutie ontstaan in de manier waarop we naar elkaar kijken, met elkaar werken, en hoe kunnen we in het kunstenveld barrières doorbreken?

We gingen met een grote ploeg aan de slag. Een bewuste extra uitdaging, want omdat mensen vanuit verschillende disciplines op het podium stonden, waren er grote verschillen te overbruggen op het vlak van opleiding, techniciteit en achtergrond. Een even rijke als complexe situatie.

Portici, Silence Radio & Muziektheater Transparant © Koen Broos

De voorbereidingen

Voor we van start gingen met de repetities, testten we samen met Stef Depover zijn nieuwe instrument uit. Het kreeg de naam The Whale. Een bassnaar, gespannen over een houten constructie van zes meter, die sterke trillingen en diepe basklanken produceert. Serge en Alena (onze dove medespelers) kunnen die trillingen voelen, en zo kon het ritme worden aangegeven, en werden de klanken voelbaar tot bij het publiek.

“Wat wist ik écht over de taligheid en cultuur van gebarentaal? Benaderde ik het niet te zeer als iets exotisch, iets wat ik vooral ‘mooi’ en ‘theatraal interessant’ vond?”

Om de communicatie en het repetitieproces vlotter te laten verlopen, hadden we over een periode van zes maanden tweewekelijkse lessen georganiseerd om een basis van de gebarentaal en de dovencultuur te delen met de spelers, het productie-­ en het communi­catieteam. Ook mensen die hiervoor openstonden, eventueel zelfs uit het publiek, konden daarbij aansluiten.

Waar de traditionele manier om theater toegankelijk te maken voor doven en slechtho­renden een vertaling naar VGT is, wilde scriptschrijver en speler Max Greyson ook onder­ zoeken hoe deze methode kon worden omgedraaid, door de tekst vanuit VGT te schrijven.

Het productie- en repetitieproces

Voor het communicatieteam van Muziektheater Transparant werd het een leerschool om tweetalig te spreiden, er moest worden gecommuniceerd met een publiek dat nooit eerder werd aangesproken. Er werden onder andere gebarentalige teasers gemaakt. Ook voor financiële en productionele afspraken moest het productieteam van Transparant gebruik­maken van tolken. Duidelijk is dat tolken een stevige hap namen uit het productiebudget.

Uit ervaring wist ik dat er meer tijd nodig zou zijn omdat elk woord vertaald zou moeten worden. Daarom hadden we een periode van acht weken voorzien. Dat klinkt misschien niet lang, maar de meeste andere processen waarbij ik de afgelopen jaren betrokken was, besloegen hoogstens zes weken betaalde repetitietijd. Wij gaven onszelf dus iets meer tijd. Niet dat daar extra geld voor was. We moesten vooral rekening houden met tolkuren.

Elke ochtend startten we met een halfuur VGT. Dat was noodzakelijk om ook achter de schermen en tijdens de tolkpauzes met elkaar te kunnen communiceren. Ook wanneer sommige teksten worden gebaard (uitgedrukt in gebaren), is herhalen nodig. Horende mensen moeten daarvoor echt een andere knop in hun hersenen indrukken.

In de eerste week probeerden we samen de eerste versies van het script te lezen. Dat verliep moeizaam omdat het horende perspectief er onvermijdelijk als dominante stem was ingeslopen. Hoe gingen we daarmee aan de slag? Konden we met een afgewerkte tekst op papier starten? Of moesten we andere vormen aanwenden?

De eerste gesprekken schoten daardoor meedogenloos alle kanten op. Er kwamen cruciale vragen bovendrijven. Wat betekent een prachtige operastem wanneer je medespeler die niet kan horen? Bestaan er vormen die voor iedereen toegankelijk zijn? Dat zoeken naar bruggen deed iedereen naar oplossingen grijpen die ieders eigenheid, smaak en individualiteit uitvergrootten.

“De eerste gesprekken schoten meedogenloos alle kanten op. Er kwamen cruciale vragen bovendrijven. Wat betekent een prachtige operastem wanneer je medespeler die niet kan horen?”

Hardnekkig aan dramaturgische lijnen vasthouden werd lastig. Inhoudelijk werd het gesprek over België en de taalkwesties, dat we oorspronkelijk wilden aangaan, geen vanzelfsprekendheid. De relevantie van de spraaktalige taalstrijd in België werd — terecht! — in vraag gesteld, en VGT moest daarbij meer zijn dan een louter handige metafoor. De dramaturgische lijnen schoven daardoor op richting thema’s als machtsprincipes, loyaliteit, met meerdere taalgemeenschappen op één grondgebied wonen, en je uiterste best doen om elkaar te verstaan.

Wat opviel, is dat we ons als groep eerder richtten op de taalstrijd van onze dove mede­spelers. Die nam ruimte in en voelde ontzettend belangrijk, des te meer omdat iedereen wel kan begrijpen dat je achterdocht voelt wanneer je niet hoort of er al dan niet over jou gesproken wordt.

Vasthouden aan de verhaallijn van het libretto (een woord waar een gebaar voor moest worden gevonden) en hierin alle mogelijke vormen gebruiken die ons eigen waren, was de optie die het werkproces op de vloer ons aanreikte.

Een aantal mogelijkheden die we onderzochten:

  • Het ontdubbelen van een rol: De dove acteur speelt in VGT en gebaart over de spre­kende acteur naast hem (bv. De man naast mij is mijn broer, we hebben het goed met elkaar). De sprekende acteur vertelt met dezelfde tekst over de dove acteur naast hem.
  • De dove acteur gebaart en de sprekende acteur antwoordt met stem. De teksten worden boventiteld.
  • Doven en horenden vertellen samen in VV (visual vernacular: een visuele theatertech­niek met elementen uit poëzie en mime. Deze krachtige vertelstijl combineert sterke bewegingen, iconische BSL-­tekens, met gebaren en gezichtsuitdrukkingen, om de wereld in al zijn visuele complexiteit vast te leggen).
  • Stommefilmscènes: muziek kan hier ondersteuning bieden voor de horende kijkers.
  • Licht, trillingen, beelden inzetten om een vertaalslag te maken van muziek en geluid.
  • Boventitels op scène vertalen naar VGT.
  • Codes aanleren om bewegingsfrases te ontwikkelen als basis voor de choreografie.

De mogelijkheden breidden zich stilaan uit. Samen communiceren bleef het kernthema. Het libretto en de vele talen (Frans, Nederlands, Spaans, VGT, muziek, dans) die zowel in het proces als in de uiteindelijke productie aan bod kwamen, werden het vertrekpunt van de scènes.

Portici, Silence Radio & Muziektheater Transparant © Koen Broos

Toch verliep het repetitieproces niet altijd even vlot. We stootten vooral op hindernissen die we zelf optrokken, ook al was er een overvloed aan relativering, zelfspot, erkenning. Constante vertalingen vragen extra aandacht en focus. Iedereen valt over zijn eigen gewoontes en kunnen. Samen struikelden we in onze ontmoeting, met opera als gegeven. Er leefde een angst om aria’s uit de oorspronkelijke opera te gebruiken — schoonheid laat zich niet zomaar vertalen. Daardoor werd stem voelen en delen een emotioneel moment dat eenzaamheid en onmacht uitdrukte, maar ook weerbaarheid en kracht.

De zoektocht naar een beeldende, ritmische, muzikale en gezamenlijke taal werd voor Tom Goossens als regisseur een bijzondere uitdaging. De enscenering moest ook nog eens in functie staan van de verstaanbaarheid/zichtbaarheid voor een gebarentalig publiek. Hierdoor werd vaak zeer technisch gewerkt. Het is een gegeven dat er weinig ruimte is om te improviseren wanneer niet alle spelers dezelfde taalvrijheid hebben.

Ook in de kostuums en de scenografie speelde toegankelijkheid een grote rol. Zo kon er bijvoorbeeld geen overvloed aan oranje gebruikt worden in decor of kostuums, omdat ze de zichtbaarheid van gebarentaal vermindert.

Op technisch vlak was het een voortdurende evenwichtsoefening om met genoeg subtili­ teit en schoonheid gebruik te maken van kwalitatieve geluidsdragers om de muziek fysiek te ervaren. Ook in het lichtontwerp werden subtiele tekens in lichtovergangen uitgetekend die ook cues voor de gebarentalige spelers werden.

En toen stond er een voorstelling. We speelden in een aantal grote zalen, voor een gemengd publiek. In NTGent en Corso werd er lang nagebaard en ­gesproken. Maar wat hierna?

De verkoop

In Vlaanderen blijft het professionele podiumkunstenaanbod met een focus op toegan­kelijkheid schaars. De eerste stappen werden gezet in vormen zoals audiodescriptie, live gebarentolken en relaxed performances. Er zijn echter zeer weinig voorbeelden van artis­tiek geïntegreerde toegankelijkheid die hun weg naar het professionele circuit vinden. Ook al gaat Silence Radio met Portici de uitdaging aan toegankelijkheid op een artistieke manier te benaderen, door het in te bedden in zijn dramaturgische en esthetische keuzes, het aanbieden van voorstellingen waarin dove en horende spelers samen op de vloer staan in een regulier circuit blijft een opdracht van formaat.

Op papier is het Vlaamse kunstenlandschap een inclusieve omgeving waar iedereen zich erkend, herkend en gerepresenteerd voelt. Zo’n credo zou lijnrecht tegenover uitsluiting en segregatie moeten staan. Maar in de praktijk zien we dat in het artistieke landschap de maatschappelijke ‘norm’ nog vaak herhaald en bevestigd wordt. Onder vele progammatoren leeft een angst om verantwoordelijkheid op te nemen en aanpassingen in hun aanbod door te voeren. Het publiek dat van de norm afwijkt, heeft daar geen ‘stem’ in.

Ik deel een aantal uitspraken van programmatoren:

‘Je moet Portici als een inclusief artistiek project benoemen om duidelijke verwach­tingen te scheppen.’
‘Ik ga dit niet boeken omdat ik niet zeker ben of we als theater wel dove mensen kunnen bereiken.’
‘Het blijft een voorstelling met amateurs… Dat is moeilijk te programmeren.’

De toekomst

Ondertussen kregen we van Stijn Van Opstal, Olympique Dramatique en Toneelhuis de vraag om een samenwerking op te starten en MEEUW mee vorm te geven. Een stads­theater dat zijn deuren opent naar geïntegreerde toegankelijkheid: eindelijk zal een nieuw licht schijnen in het culturele landschap, en wijzen dove spelers — mogelijk ook professio­neel, als de opleidingen toegankelijker worden — en een doof publiek mee de weg naar het theater van de toekomst.


Beluister hier dit artikel.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 14 — 17 minuten

#175

15.03.2024

—

31.05.2024

Dahlia Pessemiers-Benamar

Dahlia Pessemiers-Benamar is actrice en theatermaker. Ze speelde in regies van onder anderen Luk Perceval, Arne Sierens, Rosie Sommers en Micha Goldberg. In 2019 richtte ze Silence Radio op, een multidisciplinair kunstenaarscollectief
dat onderzoekt hoe talen zich via onderzoek en artistieke creatie met elkaar verbinden. Vanaf juli 2024 is Dahlia samen met Valery Warnotte artistiek leider van het Agora Theater in Sankt Vith.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!