Relaxatiemoment op het einde van de les van Germaine Acgony © Bart Grietens

Leestijd 19 — 22 minuten

Symbolische scheidslijnen

Met P.A.R.T.S. naar Senegal: een verslag

Wat betekent het als twee dansscholen met volledig verschillende achtergronden een uitwisseling doen? P.A.R.T.S.-student Ben van Buren maakte het mee toen hij met de Brusselse dansschool bij de Ecole des Sables in Senegal was. Hieronder volgt zijn verslag.

Platformen voor interculturele artistieke uitwisseling zijn van nature complex. En er bestaat een proportioneel verband tussen die complexiteit en de relatieve socio-economische ongelijkheid tussen de betrokken groepen. Daarnaast speelt de interne (vaak institutionele) politiek van de twee ‘groepen’ die deelnemen aan de uitwisseling een cruciale rol in hoe de participanten van zo’n bijeenkomst in staat zijn om de condities van hun ontmoeting te onderkennen en te problematiseren.

Zo bekeken zijn er twee verschillende soorten van artistieke uitwisseling. Enerzijds is er de uitwisseling tussen twee scholen die allebei actief zijn op gelijkaardige terreinen en hun activiteiten ontplooien binnen gelijkaardige sociale, politieke en economische omstandigheden. Anderzijds is er de uitwisseling tussen twee scholen waarvan de socio-economische en politieke omstandigheden waarin ze opereren niet méér van elkaar hadden kunnen verschillen. Waarbij de ene school altijd van betere komaf zal zijn dan de andere.

Hoewel deze twee soorten van uitwisseling totaal anders zijn, hebben ze wel iets met elkaar gemeen dat van essentieel belang is bij om het even welke uitwisseling: het is altijd de bedoeling dat de uitwisseling geslaagd is. Wat er in de praktijk op neerkomt dat de deelnemers haar als verrijkend ervaren.

Maar wat betekent dat nu precies, ‘geslaagd’? En voor wie? De potentiële meerwaarde van dergelijke initiatieven moet immers vanuit het perspectief van alle betrokken partijen gemeten worden. Waarbij je voor ogen moet houden dat hoe groter het verschil is tussen de twee groepen, hoe groter het verschil zal zijn tussen hun inschattingen van ‘geslaagd’. En hoe groter het verschil tussen die inschattingen, hoe moeilijker het wordt om aan alle verwachtingen te voldoen die langs beide kanten leven.

Wat volgt is een – noodgedwongen – gefragmenteerde weergave van de gesprekken die ik had tijdens en na de studentenuitwisseling die onlangs tussen P.A.R.T.S. en de Ecole des Sables heeft plaatsgevonden. Tijdens die ontmoetingen kwamen geregeld beladen concepten ter sprake. Natuurlijk doen vaak gehanteerde begrippen zoals ‘traditioneel’, ‘hedendaags’ en ‘Afrikaanse dans’ in werkelijkheid op geen enkele manier recht aan de soorten dans die tegenwoordig op het Afrikaanse en het Europese continent bedreven worden. En als ik zou beweren dat ik tijdens mijn tijd aan de Ecole des Sables ‘Afrikaanse dans’ heb geleerd, dan zou dat een extreme reductie van de realiteit zijn. Sterker nog, ik zou haar daarmee geweld aandoen.

Het is geenszins mijn bedoeling om in dit verslag bovenstaande termen te definiëren, of om de complexiteit ervan volledig te ontrafelen. Ik wil vooral vanuit mijn eigen perspectief als deelnemer een inkijk bieden in hoe de dansers en performers die ik naar aanleiding van de uitwisseling heb gesproken, vandaag de dag omgaan met de vragen en kwesties die tijdens dergelijke initiatieven onvermijdelijk onderwerpen van gesprek worden.

Terreinverkenningen

Rond 2003 ontstond het idee om een uitwisseling te organiseren tussen P.A.R.T.S. (Brussel, België) en de Ecole des Sables (Toubab Dialaw, Senegal). DasArts uit Amsterdam was toen ook betrokken partij. Omdat het project qua schaal erg ambitieus bleek te zijn, zag P.A.R.T.S. zich uiteindelijk genoodzaakt om zich terug te trek- ken. DasArts daarentegen zette door.

In 2006 vroeg Steven De Belder, de coördinator van de research cycle van P.A.R.T.S., subsidies aan om het project alsnog te kunnen financieren. Het voorstel werd echter afgewezen.

Toen Germaine Acgony, de directrice van de Ecole des Sables, in 2010 naar P.A.R.T.S. kwam om er les te geven, konden haar lessen op veel bijval rekenen bij de studenten. Aangespoord door hun enthousiasme beten de organisatoren zich nog steviger vast in het project. Uiteindelijk werd de uitwisseling gepland voor 2013.

Ik had dus onlangs het grote geluk om af te mogen reizen naar de Ecole des Sables. We waren in totaal met tweeëndertig, zowel van de Ecole des Sables als van P.A.R.T.S. We leefden allemaal samen op de campus van de Ecole des Sables, waar we kamers en maaltijden deelden, en iedere dag met elkaar dansten.

We kregen les in zowel traditionele als hedendaagse Afrikaanse dans, en in westerse hedendaagse dans. ’s Middags zaten we samen om ideeën uit te wisselen en projecten op te zetten. We voerden samen experimenten en artistiek onderzoek uit. Tijdens de weekends kwamen experten op het vlak van hedendaagse Afrikaanse politiek, dans of schone kunsten een lezing geven.

Zowel het strand als het dorp Toubab Dialaw lagen op een steenworp afstand. Daar waren we dan ook vaak te vinden. Een paar van mijn meer avontuurlijk ingestelde collega’s ging paardrijden op het platteland, of maakte een uitstap naar Dakar, dat ongeveer zestig kilometer verderop lag. Kortom, we hadden altijd wel iets te doen.

Germaine Acgony was daarbij een constante aanwezigheid. Op uitzonderlijk gastvrije en onvoorwaardelijk ondersteunende wijze was ze nauw betrokken bij onze invullingen van de dag.

Germaine is een vooraanstaande figuur in de Afrikaanse dansscène. De afgelopen vijftig jaar heeft ze een bijzonder succesvolle carrière uitgebouwd als performer en docent. Toen ik haar vroeg waar het idee voor de Ecole des Sables vandaan kwam, verwees ze naar haar tijd bij de school Mudra Afrique, waar ze van 1977 tot 1982 directeur was.

Het initiatief – dat helaas geen lang leven beschoren was – werd op poten gezet door Maurice Béjart en Léopold Senghor, de toenmalige president van Senegal. ‘President Senghor droomde ervan dat Senegal zich zou ontpoppen tot het klassieke Griekenland van Afrika. Hij wilde het land omvormen tot een broeiplaats van kunst, uitwisseling en dialoog… We hadden op dat moment fantastische beeldende kunst, fantastische literatuur en fantastisch theater. Maar geen dans. Dat was de grote afwezige. Nadat een vriend van presi- dent Senghor mijn eerste school – bij mij thuis – bezocht, vertelde hij hem dat ik iets nieuws aan het doen was. Al snel kwam het verzoek van president Senghor of ik mijn werk aan hem wilde tonen. Toen hij het gezien had, zei hij: “Ik vind het erg goed, maar ik ben natuurlijk geen expert. Ik zal het eens voorleggen aan mijn goede vriend Maurice Béjart.”’

‘Toen ben ik, het was denk ik in 1975, naar Brussel gereisd om Maurice Béjart te ont- moeten en les te geven aan zijn school Mudra. Blijkbaar waardeerde Béjart mijn lessen ten zeerste. Hoewel hij er tegen mij met geen woord over repte. In plaats daarvan knoopte hij een gesprek aan met president Senghor.’

Dat gesprek was het startschot voor Mudra Afrique. Béjart koos Dakar uit als standplaats. Die stad had volgens hem namelijk twee grote pluspunten: de aanwezigheid van zijn vriend Senghor, en die van Germaine, die volgens hem op innoverende wijze met dans bezig was.

In 1982 moest Mudra echter zijn deuren sluiten. Zo ook Mudra Afrique. Dit was het gevolg van de overheidssteun die grotendeels wegviel. Germaine was er kapot van. Ze besloot naar Frankrijk te verhuizen om haar professionele carrière nieuw leven in te blazen. Twintig jaar lang gaf ze daar workshops en probeerde ze in Toulouse een school op te starten. Maar op een bepaald moment besloten zij en haar echtgenoot Helmut Vogt – die ze in Frankrijk had leren kennen – om toch weer terug te keren naar Senegal. ‘Ik vond het erg zwaar om daar [in Europa] een zwarte vrouw te zijn. Ik wilde dan ook liever samen met Helmut in Senegal zijn, omringd door een groep mensen die ons bij kon staan bij de bouw van ons thuis.’

Dat verlangen naar een thuis viel samen met hun wens om in Senegal een school te beginnen. Met de opbrengst van de verkoop van Germaines appartement in Parijs bouwden ze Adolpho, de eerste studio van de Ecole des Sables.

Verstandhoudingen

Adolpho is een unieke plaats om les te krijgen. Op de vloer ligt zand en de ruimte wordt overkapt door een enorme tentstructuur. Dik vinyl overspant immense stalen balken, die verankerd zitten in gegoten betonblokken. Deze overkapping doet dienst als bescherming tegen de zon. De studio bevindt zich op het hoogste punt van het rotsachtige heuvellandschap dat slechts een kilometer verwijderd is van de zee. Vanuit de studio kun je zien hoe de golven op het strand neerslaan.

In Adolpho gaf Germaine ons iedere morgen een sessie ‘ochtend-energie’. De hele groep – studenten, docenten, bezoekers en muzikanten – kwam daar samen en we begroetten elkaar met een handdruk of een omhelzing. Dan gingen we in een grote cirkel staan waarbij onze tenen elkaar raakten. Germaine nodigde ons uit om onze rechterhand te leggen op de nek van degene die rechts van ons stond en onze linkerhand tussen de schouderbladen van degene links van ons. Zo stonden we even stil, terwijl we de zeebries en het zand tussen onze tenen voelden. Vervolgens lieten we onze handen langs de rug van degenen naast ons naar beneden glijden en openden we onze handpalmen richting het middelpunt van de cirkel. Na weer even gewacht te hebben, wreven we onze handen samen en begonnen we aan onze dag.

Er bleek een groot, onwrikbaar verschil te bestaan tussen de groep P.A.R.T.S.-studenten en die van de Ecole des Sables. De deelnemers van P.A.R.T.S. deelden een soort van collectief geheugen. We gingen natuurlijk al maanden naar dezelfde school. Hoewel we het niet graag toegaven, vormde deze gedeelde ervaring de basis van een onderlinge stille verstandhouding over hoe we elkaars ideeën en creatieve voorstellen moesten ondersteunen. Dit wilde niet zeggen dat we tijdens onze samenwerkingen met de deelnemers van de Ecole des Sables onze eigen ideeën voorrang gaven op die van hen, of dat we er per definitie vanuit gingen dat onze ideeën superieur waren aan de hunne. In de praktijk betekende het vooral dat er binnen de groep P.A.R.T.S.-studenten sprake was van een zekere mate van wederzijdse ontvankelijkheid. Die zorgde ervoor dat de ideeën die naar boven kwamen drijven binnen deze groep gemakkelijk konden circuleren en op steun konden rekenen. Dit was niet altijd het geval in de groep deelnemers afkomstig van de Ecole des Sables. Zij hadden elkaar dan ook pas voor het eerst ontmoet tijdens deze uitwisseling.

Maar als het gaat over de concrete samenwerkingsverbanden die tussen de twee groepen ontstonden, dan is het belangrijk om op te merken dat er hierbij geen wezenlijke verschillen te bespeuren waren. Het kwam regelmatig voor dat mensen van de ene groep zich beter konden vinden in de ideeën van mensen die tot de andere groep behoorden. Al snel werd duidelijk dat het compromisloze ‘wij versus zij’ dat in feite de hefboom was geweest voor de uitwisseling op zich, geen enkel praktisch nut had tijdens de uitwisseling zelf.

Wat niet wegneemt dat de constructie van deze dualiteit vaak ter sprake kwam. Wan- neer we bijvoorbeeld als groep aangesproken werden, dan was dat altijd met ‘de P.A.R.T.S.- studenten en de Afrikaanse studenten’ of ‘de Europeanen en de Afrikanen’. Omdat ik de indruk had gekregen dat deze symbolische scheidslijn tussen de deelnemers een actieve rol speelde, besloot ik om een groep die aan een project werkte hierover te interviewen.

Deze groep bestond uit Thomas Vantuycom (België), Jeanne Colin (Frankrijk), Lucky Kele (Zuid-Afrika) en Marcel Gbeffa (Benin). We troffen elkaar bij de picknicktafel waar we ’s avonds meestal samenkwamen. Daar kon je namelijk handig gebruikmaken van de draadloze internetverbinding van de adminstratieve kantoren ernaast.

Thomas legde als eerste uit waarom deze groep zich gevormd had. Hij wilde een syllabus of een methode onderzoeken die aan de basis lag van het choreografische materiaal dat hij twee jaar eerder op P.A.R.T.S. had geleerd. Jeanne en Lucky wilden graag samenwerken en besloten Thomas’ voorstel te gebruiken als een alibi om dat te kunnen doen. Marcel leek zich te hebben aangesloten omdat het project een vierde persoon vereiste. Tot nu toe vonden ze allemaal dat het werkproces positief verliep. Iedereen leek met elkaar overweg te kunnen.

Ik vroeg hen of ze zich identificeerden met deze groep, waar ze allemaal om één of andere reden ingesprongen waren. Thomas trok zijn schouders op en zei dat hij, hoewel hij zich niet persé ‘Europees, westers of blank’ voelde, hij wel heel erg het idee had dat hij een student was die nieuwe mensen ontmoette (Lucky en Marcel) die al redelijk veel professionele ervaring hadden.

Jeanne voegde eraan toe dat ze de sterke invloed voelde van de Brusselse hedendaagse danswereld. Ze wees erop dat de methode waarmee ze aan het experimenteren waren afkomstig was van een danser die deel uit- maakt van een prestigieus dansgezelschap uit Brussel. Ook bespeurde ze de verwantschap met de andere benaderingen van choreografie die ze in P.A.R.T.S. had leren kennen: ‘De instrumenten waarmee we de afgelopen twee jaar hebben leren werken, zijn echt een deel van ons geworden.’

Lucky dacht dat het onderscheid tussen de twee groepen waardeloos was en dat ze pas na de afschaffing van dergelijke beperkende categoriseringen echt konden beginnen met de uitwisseling. ‘Daarom noem ik iedereen “mijn broeder”, “mijn zuster”, “mijn familie”.’

Marcel merkte tot slot op dat het structurele verschil tussen de twee groepen, namelijk afkomstig zijn van een andere school, volgens hem een veel grotere impact had dan om het even welk geografisch of raciaal onderscheid. ‘Jullie (hij verwijst naar Thomas, Jeanne en mezelf) maken deel uit van een groep, want jullie komen van P.A.R.T.S. Wij daarentegen komen allemaal uit verschillende Afrikaanse landen. Ik heb zelf heel veel gereisd en ik weet op basis van die reiservaringen nu eigenlijk niet hoe ik mezelf ten opzichte van zowel Afrika als de studenten van P.A.R.T.S. moet verhouden. We hebben gewoon niet dezelfde ervaringen en concepten. En temidden van dit alles [de uitwisseling] voel ik me soms klein of minderwaardig.’

Jeanne vroeg hem waarom. Marcel antwoordde dat hij het niet wist. ‘Soms heb ik het gevoel dat ik deze manier van dansen van deze persoon moet leren omdat ik weet dat ik deze kwaliteit van bewegen niet heb. Maar iedereen heeft een andere manier van bewegen. En verschillende mensen hebben verschillende ervaringen met wat het betekent om een buitenlander te zijn. Deze verschillen worden vergroot door het feit dat we in onze collaboratieve projecten zijn gesmeten zonder een grondige introductie te krijgen tot elkaars praktijken. We moesten elkaar maar gaandeweg leren kennen. Daarom vielen we misschien wel gemakkelijk terug op het comfort van bestaande relaties.’

Kwesties van traditie

Verschillen in de benadering van dansen, trai- nen en creëren kwamen ook naar voren tijdens mijn gesprek met Patrick Acgony, de assistent- directeur van de Ecole des Sables en Germaines zoon. ‘Soms gebruiken we het cliché dat de Afrikanen dansen en dat de Europeanen dans maken.’ Hij schetste het beeld van twee verschillende kampen. Het ene is gefocust op ‘conceptueel werk’, en het andere op het vinden van kopieerbare instant succes-modellen.

Vervolgens ging hij dieper in op de verschillende manieren waarop de twee groepen het succes van de uitwisseling zouden kunnen inschatten. ‘Ik weet niet wat jullie verteld is over de Ecole des Sables en waaraan jullie je mochten verwachten. Voor de Afrikanen was het erg belangrijk om elkaar te ontmoeten, te zien hoe de anderen denken, en hun professionele netwerk uit te bouwen. Aanvankelijk wilden de Afrikaanse dansers vooral een model leren kennen dat ze konden reproduceren om zo succesvoller te worden. Ze konden maar niet begrijpen dat het bij deze uitwisseling juist ging om hun eigen creativiteit en innovativiteit. Ze moesten gaan beseffen – en ik denk dat ze dat nu ook wel doen – dat deze dansers uit Europa, die erg conceptueel werk brengen, net zo goed een stevige technische basis hebben.’

Hij dacht wel dat de concrete invulling van die basis voor beide groepen anders was. ‘Ik krijg de indruk dat in Europa de tendens bestaat om het dansende lichaam niet door middel van een techniek te structureren, maar door een meer somatische en sensuele ervaring. Jullie dansers pikken tot op zekere hoogte een beetje van alles op.’ Patricks beschrijving van de gemiddelde P.A.R.T.S.-student alsof die vervuld is van een eclectische techniek, impliceert tegelijkertijd de technisch orthodox ingestelde aard van de deelnemers van de Ecole des Sables.

Tijdens de uitwisseling kwamen we tot de ontdekking dat de term ‘hedendaags’ een sleutelbegrip was waarin onze verschillende opvattingen van techniek in contact kwamen met onze verschillende opvattingen van identiteit.

De eerste keer dat het woord ‘hedendaags’ geproblematiseerd werd, was bij de uitleg van het onderscheid tussen ‘traditionele’ en ‘hedendaagse’ Afrikaanse dans, die allebei onderwezen werden in het kader van de uitwisseling. De termen ‘traditioneel’ en ‘hedendaags’ (om nog maar te zwijgen van ‘Afrikaanse dans’) vormden een constante bron van bevraging en debat in de groep.

Ik vroeg aan een aantal van mijn collega’s hoe zij dit onderscheid maakten. Adama Marico (Mali) dacht dat ‘traditionele’ dans iets anders beoogt dan de geïntellectualiseerde kwaliteit van hedendaagse dans. ‘Wanneer je traditionele dansen uitvoert, dan dans je uit alle macht opdat iedereen voor je klapt en zegt “hij of zij danst zó goed!” in plaats van “wat je gedaan hebt is leuk, het is erg interessant, het zet me aan het denken”. Dat is voor mij het grote verschil tussen hedendaagse dans en alle andere vormen van dans.’

Andere deelnemers argumenteerden dat de uniciteit van hedendaagse ‘Afrikaanse’ dans verscholen lag in zijn bijzondere erfenis. Volgens hen veronderstelt Afrikaanse dans een zekere erkenning van de traditionele dans die eraan voorafging en die hem nog alijd beïnvloedt. Bijvoorbeeld Marie Bede Koubemba (Congo) poneerde: ‘Ik kom voort uit een traditie en ga verder richting iets hedendaags, terwijl iemand die puur iets hedendaags doet, niet in staat zou zijn om te doen wat ik doe omdat ze niet van de specifieke traditie afkom- stig zijn waar ik schatplichtig aan ben.’ Hij vatte dit idee samen onder de noemer ‘Afrikaans Hedendaags’.

Ik was nieuwsgierig naar hoe ‘traditie’ een impact had op mijn medestudenten van P.A.R.T.S. Eenmaal terug in Brussel sprak ik hierover met Maïté Jeannolin (Frankrijk). Ik vroeg haar of ze zichzelf beschouwde als een hedendaagse danser. ‘Het is een interessante vraag, want ik heb zoveel verschillende lessen gehad vanuit zoveel verschillende perspectieven, dus ik weet eigenlijk niet waar mijn “hedendaagsheid” vandaan komt.’

Ze dacht dat het begrip ‘traditionele dans’ in Frankrijk op een heel andere manier opereert dan in Senegal. ‘In mijn land betekent “traditioneel” zoveel als “ballet”. Cunningham zou ook door kunnen gaan voor “traditioneel”. We verwijderden ons van Cunningham zoals [hedendaagse Afrikaanse dans] zich verwijdert van zijn traditie. Maar het verschil is dat het in ons geval niet echt om een traditie gaat in de traditionele betekenis van het woord, na- melijk een cultureel ingebed gegeven. Anders gezegd, ik ben er niet niet mee opgegroeid.’

Dit verschil in de ‘culturele ingebedheid’ van dans is cruciaal binnen deze context. Na- tuurlijk speelt de publieke functie van om het even welke artistieke praktijk een belangrijke rol in de manieren waarop de praktisanten ervan zich als kunstenaar definiëren. Toen ik Maïté vroeg of haar relatie met traditie een rol speelde in haar zelfdefiniëring als kunstenaar, antwoordde ze: ‘Ik heb niet het gevoel dat ik doelbewust een identiteit probeer op te bouwen als hedendaagse danser. Maar nu ik erover nadenk, zou het wel eens kunnen dat ik dat wel doe, zij het dan op een niet echt openlijke, zichtbare of uitgesproken manier.’

Geslaagd?

Zoals in het begin gezegd is de vraag ‘was dit een verrijkende ervaring? ’ van wezenlijk belang bij om het even welke uitwisseling. We kunnen deze vraag maar beantwoorden als we zicht hebben op de verwachtingen van alle betrokken partijen.

Helmut Vogt, Germaines echtgenoot die nu de administratieve directeur is van de Ecole des Sables, omschreef ze als volgt: ‘Eén van mijn doelstellingen is altijd geweest om in contact te komen met andere professionele dansopleidingen. Het maakt niet uit of het nu gaat om Amerikaanse universiteiten die al- lemaal hun eigen departement dans hebben, of om bijzondere, autonome Europese scholen zoals P.A.R.T.S. Ik ben ervan overtuigd dat de rijkdom van deze [Afrikaanse] cultuur en haar dansen iets kunnen bijdragen aan andere dansculturen en hun zelfkennis. Het kan de kennis van het lichaam verrijken, ook als je geen Afrikaanse danser wilt worden.’

Hij gaf ook aan dat uitwisselingen zoals deze vanuit financieel oogpunt een strategische rol spelen. Het idee om andere grote instituten uit te nodigen betekent dat het gastinstituut niet alleen voor zijn eigen deelnemers betaalt, maar ook voor die van de Afrikaanse. Een situatie die voor beide partijen voordelig is: de bezoekende instelling betaalt een vergoeding die de onthaalinstelling in staat stelt om alle kosten te dekken, en de deelnemers van beide instellingen krijgen de unieke kans om toegang tot elkaar te krijgen.

Tijdens mijn gesprek met Theo Van Rompay, adjunct-directeur van P.A.R.T.S., kwam ik tot de ontdekking dat hij bij de inschatting van de meerwaarde van de uitwisseling iets andere accenten legde dan Helmut. ‘P.A.R.T.S. is een eiland. Ook al bestaat het uit mensen die van over de hele wereld komen. Misschien is het juist daarom wel een eiland.’ Hij vond het vooral belangrijk om dit eiland af en toe eens te verlaten. ‘Internationaal zijn we al. Zoals de hele danswereld internationaal is. Als een van onze studenten zou gaan studeren aan S.E.A.D. in Oostenrijk, dan zou hij of zij opnieuw tot de constatering komen dat hij of zij beland is op een plaats waar in een groep van vijfentwintig mensen wel twintig landen vertegenwoordigd zijn. De wereld van dansopleidingen is internationaler dan om het even welke andere educatieve wereld. Mensen buiten hun gebruikelijke habitus brengen, is voor ons dan ook moeilijker om voor elkaar te krijgen. Dus daarom dacht ik dat de omgeving van deze uitwisseling érg anders moest zijn.’

Theo gaf ook aan dat hij het gevoel had dat er een bijzondere politieke betekenis schuil- ging in de facilitering van de ontmoeting tussen de P.A.R.T.S.-studenten en die van de Ecole des Sables. Hij vond het van cruciaal belang dat er een ruimte van gelijkwaardigheid werd gecreëerd waarin deze twee gemeenschappen elkaar konden ontmoeten. Aangezien de contexten waarin de scholen werkzaam zijn ervoor zorgen dat ze door de hedendaagse danswereld nooit in termen van gelijkwaardigheid beschouwd worden. ‘Er is nog altijd sprake van een bijzonder autoritaire pyramide met het Westen aan de top en Afrika aan de onderkant. Ik wilde iets construeren waar dit gegeven op geen enkele manier aanwezig was.’

Op papier lijkt men hierin geslaagd te zijn. Het succes van de uitwisseling voor de P.A.R.T.S.-studenten bestond erin om naar de Ecole des Sables toe te kunnen gaan; de extreme andersheid ervan te ervaren; en de kans krijgen om hun perspectieven op het veld van hedendaagse dans te vergroten. Dit is gelukt. Dus beredeneerd vanuit P.A.R.T.S.-kunnen we deze uitwisseling zonder meer geslaagd noemen.

Maar het was moeilijker om aan de idee van succes te voldoen zoals onder meer Patrick en Helmut die omschreven, namelijk het bewerkstelligen van professionele connecties. De verschillen tussen hoe de deelnemers zichzelf en hun doelen als hedendaagse kunstenaars formuleren, bleken een remmende factor te zijn.

Toch zijn sommige deelnemers contact blijven houden sinds de uitwisseling is afgelopen. En een paar mensen blijven zelfs samenwerken via het internet. Dus we kunnen niet zeggen dat de uitwisseling vanuit deze optiek over de hele lijn mislukt is. Maar we kunnen ook niet zeggen dat beide kanten even succesvol waren in het behalen van de doelstellingen die ze voor zichzelf hadden geformuleerd.

Theo hintte erop dat deze uitwisseling met de Ecole des Sables hopelijk de eerste zal zijn in een reeks van meerdere. Hoogstwaarschijnlijk zal het een vast onderdeel worden van het P.A.R.T.S.-curriculum. Ikzelf ben daar blij om. Uitwisselingen zoals deze zullen in het begin onvermijdelijk imperfect zijn. Maar ik geloof dat ze gaandeweg steeds beter in staat zullen zijn om unieke situaties te representeren waarin meervoudige definities van succes gelijktijdig ondersteund kunnen worden. Wat ik van deze uitwisseling vooral heb onthouden, is dat deze onverzoenlijkheid van succes-bepalingen niet alleen maar problematisch hoeft te zijn. Ze heeft net zo goed een productief potentieel. Wat maar aangeboord kan worden als niemand probeert te reguleren hoe de ene de andere zou moeten ontmoeten.

met bijzondere dank aan Maïté Jeannolin voor haar hulp bij de vertalingen en de interviews (bvb)

vertaald uit het Engels door Daniëlle de Regt

www.parts.be

www.jantbi.org

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

reportage
Leestijd 19 — 22 minuten

#133

15.06.2013

—

14.09.2013

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!