De Materie – Phia Ménard/Opera Ballet Vlaanderen/Bas Wiegers
Een schurend vooruitgangsdenken
Sébastien Hendrickx
© Paul Raftery
In het weekend van 2 en 3 oktober 2010 opende de langverwachte nieuwbouw van kunstcampus deSingel in Antwerpen. Geert Bekaert, de éminence grise van de Belgische architectuurkritiek, nam de realisatie van Stéphane Beel voor Etcetera onder de loep.
Bij een onder architectuur opgetrokken gebouw kan men vaak de indruk van allerhande remmingen niet van zich afzetten. Uiteraard zijn er remmingen opgelegd door het programma, het materiaal, de constructie, de plaats, de wil en willekeur van de opdrachtgever, de schaarste van de middelen, maar die vormen slechts de materie waarin architectuur tot stand komt. De echte remming is die van de conventie. De ontwerper werkt toe naar een beeld waaraan architectuur zou moeten beantwoorden om herkenbaar te zijn. Door Jacques Derrida werd die conventie van de architectuur nog omschreven als het laatste bolwerk van de metafysica, een rabiaat vasthouden aan idealistische denkbeelden, hét symbool van een onmogelijke voltooidheid, van een voorgespiegelde volmaaktheid en van een onaantastbare duurzaamheid.
Wanneer Léon Stynen in 1968 voor het conservatorium op de Wezenberg in Antwerpen een prestigieus gebouw neerzet heeft hij met uitzonderlijk veel remmingen te maken. Het project noemt hij zijn calvarieberg. Het conservatorium was te klein voor zijn ambities. Toen hij in 1956 de eerste schetsen voor het gebouw op papier zette, begon hij dan ook ongevraagd met het opmaken van een urbanistisch modelplan. In 1962 legde Stynen zijn masterplan voor. Het gebouw van het conservatorium zag hij als het centrum ervan. Hij kende het een uitgesproken stedelijke openbare functie toe.
Het plan van Stynen werd echter van alle kanten gedwarsboomd, het meest ingrijpend door het nieuwe tracé van de ring rond Antwerpen die dwars door het plan liep. Het werd dan ook nooit uitgevoerd. Maar voor het gebouw van het conservatorium zette Stynen door. Hij voorzag twee grote zalen met ruime wandelgangen eromheen en een indrukwekkende inkompartij. Naar Stynens opvatting konden die zalen immers niet alleen voor het conservatorium voorbehouden blijven.
Overtuigd modernist als hij was, is Stynen toch altijd een volleerd classicus gebleven. Met zijn gebouwen streefde hij een evenwichtige, afgeronde en gedistingeerde uitstraling na.Voor het conservatorium permitteerde hij zich echter ongewone vrijheden, alsof hij op zoek was naar een doorbraak of op zijn minst een verrijking van zijn formele aanpak. Door de expressieve bovenbouw van de twee aan elkaar gekoppelde zalen asymmetrisch naar een kant van het complex te schuiven, verbrak hij expliciet het evenwicht van het geheel. De cluster van de zalen werd losgekoppeld van de lokalen van het conservatorium. Die zalen zijn het die het beeld van deSingel uiteindelijk bepalen.
Het meest beklijvende element in het ontwerp werd pas achteraf aangebracht, en wel als een nadrukkelijke tegenzet tegen de tirannie van de schone vorm en de dictatuur van de regelmaat. Zoals een Lucio Fontana zijn schilderijen doorkerfde, zo tastte Stynen zijn eigen ontwerp aan. Na een reis naar Chandigarh, waar hij het werk van Le Corbusier bezocht, voegde hij in de gevels van zijn inkomhal met de statige trappenpartij een wilde serie ovalen openingen toe die het gebouw ineens een ander gezicht gaven. Het zijn die ovalen gaten die Stéphane Beel zo zullen intrigeren dat hij er zijn eerste bescheiden ingreep op het gebouw van Stynen volledig op afstemt.
Het conservatorium werd door zijn nieuwe gebouw letterlijk meegesleept. Men wist eigenlijk niet goed wat ermee aan te vangen. Begin de jaren tachtig werden de twee zalen voltooid en werd Frie Leysen door Eugène Traey, directeur van het conservatorium, aangezocht om voor de exploitatie in te staan. Binnen de kortste keren weekte ze haar opdracht los van het conservatorium en werkte een onafhankelijke programmering uit op het gebied van muziek, dans en theater. Het eerste seizoen vond plaats in 1983-1984. Zelfs de beeldende kunsten werden in de programmering betrokken. De tentoonstellingen vonden plaats in de wandelgangen en waren dus bij theatervoorstellingen of muziekuitvoeringen voor het publiek toegankelijk. Er ontstond een gelukkige osmose tussen de verschillende soorten manifestaties. Carolina De Backer kreeg de verantwoordelijkheid voor het tentoonstellingsbeleid. Na wat experimenten met jonge kunstenaars besloot ze de tentoonstellingen exclusief aan architectuur te wijden. Het voornaamste effect van deze exclusieve programmering was de uitgesproken aandacht voor architectuur die de strategie van het kunstencentrum deSingel zou kenmerken.
Aansluitend bij een tentoonstelling van zijn werk wordt aan Stéphane Beel in 1989 de opdracht verleend om het eigen domein van het kunstencentrum beter af te bakenen. Beel kiest voor een afsluiting met glazen deuren, maar hij bekleedt die met volle ovalen panelen die exact de vorm aannemen van de gaten die Stynen in de gevels van zijn inkomhal had aangebracht, alsof die panelen uit de gevel waren gesneden en direct op de deuren geprojecteerd. Een grandioze vondst die de kern raakte van de architectuur van Stynen en van Beels houding daartegenover. De inenting van Beel in het gebouw van Stynen was een feit. Hij zou er tot op de dag van vandaag voortdurend mee begaan blijven.
Een bijzonder moment in de relatie tussen Beel en Stynen was de tentoonstelling van Stynens oeuvre in 1990. Beel stond in voor de vormgeving. Hij beperkte de tentoonstelling niet, zoals gebruikelijk, tot de wandelgangen. De echte tentoonstelling werd een revelatie van het gebouw zelf ‘in vivo’. Door minimale ingrepen, zoals het verplaatsen van de vestiaire, metamorfoseerde hij het gebouw. Hij hielp het gewoon om beter zichzelf te zijn. Door het binnenkomen te vertragen en in zekere zin zelfs op te schorten maakte hij de overgang van buiten naar binnen expliciet. Men trad er niet meer zo maar binnen. Het zich ontdoen van zijn overjas of paraplu was niet langer een vanzelfsprekende daad. Het ritueel van een avond muziek, theater of dans werd in de vestiaire al bewust ingezet.
Na nog enkele kleinere veranderingen kreeg Stéphane Beel in 1995 de opdracht om een globaal plan voor de reorganisatie en de uitbreiding van deSingel op te maken. De eerste toepassingen hiervan waren de uitwerking van een nieuwe circulatie-as, een artiestenfoyer, loges en de verruiming van het podium van de Rode Zaal. Aanvankelijk reageerde het conservatorium aarzelend, maar kunstencentrum deSingel gaf niet op. In 2002 verleende minister van Cultuur Bert Anciaux aan Stéphane Beel de opdracht om de tweede fase van het project, een gevoelige uitbreiding van 12.000 m², aan te vatten. De Hogeschool Antwerpen, waarvan het conservatorium inmiddels deel uitmaakte, zou zich kort daarna definitief bij het project aansluiten.
De lange duur van de verbouwing en uitbreiding was voor beide partners een gelegenheid om hun feitelijke cohabitatie om te smeden tot een efficiënte samenwerking. Voor deSingel betekende dat een meer geschikte huisvesting van het Vlaams Architectuurinstituut (VAi) met het geïncorporeerde Centrum Vlaamse Architectuurarchieven (CVAa), een heuse tentoonstellingsruimte, een ruime bibliotheek/leeszaal, een foyer voor de Blauwe Zaal, een compleet uitgeruste muziekstudio, een theaterzaal, het Grand Café dat ook rechtstreeks voor het publiek toegankelijk zou zijn. Het conservatorium van zijn kant kreeg er klas- en repetitieruimten bij, studio’s en zalen voor de presentatie van voorstellingen, zodat het nu een volwaardig programma van muziek, dans en theater kon aanbieden. Het profiteerde uiteraard ook van de nieuwe voorzieningen voor deSingel.
Bij het verkennen van de mogelijkheden opteerde Beel in een eerste voorstel voor een torengebouw dat als ‘landmark’ zou fungeren. Hij voorzag het aan de kant van de Van Rijswijcklaan, waar zich al een diensttoegang bevond tot de kantoren en de radiostudio’s. In het boek Stéphane Beel Architect (Ludion, 1999) kan men een presentatie van dit eerste ontwerp vinden. Uit een secundaire ingang ontstaat ineens een centrale, bijzonder stimulerende toegangsplek, met een eigen drukte en identiteit, tegengesteld aan de enigszins plechtige en lege hoofdtoegang. Het bestaande gebouw krijgt er iets intiems en vertrouwelijks door. Men is nu overal dichtbij. De informele achterkant gaat meespelen.
In zijn masterplan voor de omgeving van deSingel had Stynen een rij torens voorgesteld. Van zijn masterplan kwam niets in huis, maar Stynen bouwde wel twee torens: de opmerkelijke BP-toren en die van het meer conventionele Cresthotel. Samen met het hoge volume van deSingel suggereren ze een virtueel beeld van wat Stynen voor ogen stond. Met de inplanting van zijn toren keerde Beel dit beeld om. Hij hief de beschutte enclave op waarin Stynen zijn gebouw had voorzien. Het introverte gebouw werd overgegeven aan de omgeving van de ring met haar drukte, haar tegenstellingen en anomalieën. In plaats van er zich van af te keren, werd het als een opvallend bestanddeel ervan geaffirmeerd en opgenomen als een volwaardig deel van de ‘ringcultuur’, zoals Willem-Jan Neutelings de bebouwing aan de ring rond Antwerpen heeft gedefinieerd.
Het torenproject van Beel schitterde echter vooral door de uitwerking van zijn interieur. Stynen veruitwendigde zoveel mogelijk de verschillende functies. Beel verinwendigt ze. Achter de vlakke gevels van zijn toren met hun billboardwerking ontstaat een adembenemende opeenstapeling van differente lokalen rond een hoge binnenruimte waarvan de wanden als bij een fjord steil naar boven schieten. Vormelijke remmingen zijn er niet meer. Van een herkenbare conventie is geen spoor overgebleven. Er schuilt in dit interieur geen enkele behoefte om tegenstellingen in evenwicht te brengen, nog minder om ze tot een afgerond geheel op elkaar af te stemmen. Niettegenstaande zijn dramatische geladenheid geeft het complex een ontspannen indruk. Maar het ontwerp was blijkbaar te overrompelend, zelfs voor de Beel goedgezinde opdrachtgevers, om het zonder slag of stoot aan te nemen. Als officiële reden van de afwijzing van de toren gold, samen met financiële overwegingen, de onmogelijkheid om een akoestische kakofonie te vermijden.
De meeslepende kanten van het afgewezen project wist Stéphane Beel in zijn definitieve ontwerp te bewaren en zelfs nog uit te breiden. ij heeft geen poging gedaan om zijn toren te redden. Aan zijn nieuw ontwerp geeft hij resoluut een andere vorm, opnieuw uitgaande van dezelfde ongeremde aanpak van een inspirerend en gevarieerd programma en van de inpassing ervan in een gerespecteerd gebouw en zijn bijzondere omgeving. Zelf spreekt Beel van een neergelegde toren. Voor wie het eerste ontwerp niet kent, zegt die uitspraak niet veel. Juist doordat het zich helemaal van de torengedachte afwendt, ontplooit het zich vrijer en kan het meer verbanden aanreiken. Het openbaart met groter gemak verborgen aspecten van het bestaande gebouw. Het zet, niettegenstaande zijn formele instelling, de fundamentele vrijheid ervan in het licht.
In geen van zijn ontwerpen voor deSingel laat Beel zich remmen door het bestaande gebouw. In een interview zegt hij: ‘Met nederigheid bereik je hier niets.’ In feite getuigt zijn voorstel van een oprechte nederigheid. In alle opzichten is het gebouw van Beel een voltooiing van en een hulde aan het gebouw van Stynen. Maar het is er ook een complete metamorfose van. Het gebouw van Stynen is voor hem niet zozeer een model geweest als een inspirerend vertrekpunt. Beel verdeelt de krachten in het gebouw opnieuw door er een tweede kristallisatiepunt in aan te brengen. Maar hij doet dat wel op een verrassende en bewust ambivalente wijze. Tegenover de krachtige en expressieve bovenbouw in beton van het gebouw van Stynen plaatst hij op hoge palen een stevig, maar zwevend en luchtig volume, bekleed met houten planken.
Dat hoge volume verwijst niet alleen naar het bestaande gebouw, het past ook perfect in de evolutie van Beels oeuvre. Het zwevende volume doet onmiskenbaar denken aan het recente museum M in Leuven, maar ook aan het huis in de bomen in Rotselaar en aan veel andere projecten zoals het gebouw op de campus in Kortrijk of het hoofdkantoor van de Christelijke Mutualiteiten in Eeklo. In elk van die gevallen wordt de zwaarte van een zwevend volume beklemtoond door de elegante wijze waarop het opgeheven wordt. De uitgesproken horizontaliteit van het nieuwe gebouw verwijst uitdrukkelijk naar het oude. Waar het bestaande gebouw uitloopt op een laag gedeelte dat Stynen door de aanleg van een vijver een idyllische afronding wilde verlenen, schurkt het gebouw van Beel er zich dicht tegen aan en schuift het er zelfs over heen. Maar ook al rijst het er boven uit, het accentueert nadrukkelijk een horizontale gelaagdheid. Het geeft de horizontale vleugel van deSingel een forse aanwezigheid.
De uitbreiding omvat vijf niveaus, maar die laten zich in hoofdzaak reduceren tot drie lagen. Deze drie hebben een officiële naam gekregen met vermelding van de architect: de laagbouw Beel (voor de internationale kunstcampus deSingel), tussenin een transparante doos (met het Grand Café en de leeszaal/bibliotheek voor beide instellingen) en bovenop de hoogbouw Beel (voor het conservatorium). Dat onderscheid is goeddeels fictief. Hoe zelfstandig die lagen zich ook affirmeren, ze worden continu doorbroken en staan op vele punten met elkaar in verbinding. Het intrigerende spel van verstrengeling van tegengestelden maakt de kern uit van het ontwerp. In hun radicale verscheidenheid horen die verschillende lagen bij elkaar.
Van buiten op de ring is dat het best zichtbaar. De aanblik van de achterkant van op de ring toont op frappante wijze de aansluiting van de twee gebouwen op elkaar en hun eigen wijze van bestaan. We zien van hieruit het best hoe Beel zich integreert door zich te distantiëren: het gebouw van Stynen laat hij ten volle tot zijn recht komen door zijn eigen gebouw volstrekt anders te concipiëren.
De laagbouw van de uitbreiding sluit direct aan bij het bestaande gebouw. Hij behoud de secundaire diensttoegang en creëert een nieuwe toegang met het hellend vlak van buiten op straat naar het Grand Café, maar stelt zich vooral op tegenover de centrale hoofdingang die hij een bijkomende functie verleent. Deze hoofdingang blijkt immers ook de meest directe toegang te bevatten tot de nieuwe laagbouw. Het hellend vlak langs de Blauwe Zaal van Stynen leidt naar de brede gang met de rode loper van de kunstcampus. Die rode loper onderscheidt op een opvallende wijze de laagbouw van het nieuwe gebouw van de rest. Ook de nieuwe foyer van de Blauwe Zaal is van daaruit toegankelijk. De hellende vlakken van het oude gebouw worden in het nieuwe hernomen en op een eigenzinnige wijze geïnterpreteerd.
Voordat de hoofdtoegang wordt betreden, moet er even stil worden gestaan bij de bijzondere sfeer die ontstaat door de aanwezigheid van het nieuwe gebouw naast en bij het oude. Door de gedurfde overkraging van de bovenbouw over een hoek van het bestaande, het hellend vlak naar het Grand Café en het Grand Café zelf met terras ontstaat een soort poortgebouw dat toegang geeft tot een nondescripte anonieme steeg, die zich afkeert van iedere schijn van representatie, een veredelde achterbuurt met een eigenstandig karakter. Ineens zinkt het plechtige van het gebouw en zijn site weg in een hoop ongezochte, tegengestelde en levendige karakteristieken.
Tegenover de strenge ordening van het bestaande besloten complex met zijn geritmeerde gevel, gevat in een betonnen frame, staat het onverwachte en het geïmproviseerde van de nieuwbouw met zijn niet omkaderde glazen vlakken, zijn trappartijen die alle kanten uitgaan en zo de openheid en de toegankelijkheid van het nieuwe (én het oude) gebouw extra demonstreren, zijn hellende vlakken, zijn gedifferentieerde kolommen die de bovenbouw dragen en de gedeeltelijke beschutting onder die bovenbouw. Alles schijnt uit de lucht gevallen en zo goed en zo kwaad als het kan, met grote precisie evenwel, bij elkaar gezet. De dagelijkse achterkant van de theatrale werkelijkheid geeft zich onbeschaamd bloot en wordt zelf ongewild theatraal. Hij bereidt voor op de fictie en de droom van de drie in grote letters bovenop het dak geafficheerde disciplines die hier beoefend worden: architectuur, muziek, theater. En dans hoort er evident ook bij.
Die steeg met aan de ene zijde het oude gebouw blijft overal in het publieke gedeelte van het open interieur van de laagbouw aanwezig door de grote glazen puien. De nieuwe hoogbouw overigens ook, maar niet de rest van het oude gebouw met zijn binnenplaatsen, gangen en zalen. We zijn nu binnen in het eengeworden gebouw. Binnenin is de ervaring van de overgang van het ene gebouw in het andere onmiskenbaar. De ene architectuur sluit naadloos aan bij de andere, maar is niettemin geheel verschillend. Van de diepe en enigszins sombere ernst schuift men naar een opgetogen schalkse blijmoedigheid.
Onder het niveau van de rode loper bevinden zich een dans- en een theaterstudio. De naar elkaar gekeerde zijkanten van de planken gevels zijn wit geschilderd zodat de binnenplaatsen ertussen er wat frisser en lichter uitzien. Het contrast tussen de geschilderde en de niet bewerkte vlakken zal met de tijd gemilderd worden. Hier heerst duidelijk niet meer de representatieve logica waaraan Stynen nog gebonden was. De studio’s zelf zien er uit als hooggesofisticeerde technische ruimten die gemakkelijk aangepast kunnen worden aan de experimenten die er worden opgezet. De harmonicatribune van de toeschouwers lijkt wel een bijkomstigheid ten overstaan van de grote gelijkvloerse speelruimte, die zelf ook aanpasbaar is. Voor passiviteit, het lijdzame ondergaan van de kunst, is hier geen gelegenheid meer.
De rode loper zelf geeft rechtstreeks toegang tot een van de specifieke activiteiten van de kunstcampus, die van het Vlaams Architectuurinstituut. De tentoonstellingsruimte is in eerste instantie voor dit instituut bestemd. Gelukkig worden tentoonstellingen in de gangen, zoals voorheen, niet uitgesloten. De tentoonstellingszaal is volledig gesloten met uitzondering van een groot venster dat van op de rode loper een steelse inkijk in de ruimte mogelijk maakt. De hoofdtoegang tot de tentoonstellingszaal bevindt zich aan de korte zijkant van de rechthoek, aan een klein oponthoud van de rode loper waaraan ook de toegang tot de muziekstudio gelegen is. Hier begint eveneens een hellend vlak naar de Blauwe Foyer. Die plek biedt, samen met een kijk op de ring, uitzicht op een trappenpartij tussen de dans- en de theaterstudio, waarop onverwacht een kolom van de bovenbouw zichtbaar wordt. Dit onverwachte opduiken van structurele elementen doet zich voor op verschillende momenten van het stimulerende parcours door het gebouw.
De tentoonstellingszaal is experimenteel in die zin dat ze, zoals de studio’s, geen enkele toegeving doet of suggesties wekt die een hint zouden kunnen zijn voor de tentoonstellingsmakers. Het gaat om een veeleisende naakte ruimte, ingedeeld in een hoog volume dat aansluit bij een kleinere ruimte voor videoprojectie en andere informatie. Alleen de algemene aanpak van de architectuur zou een impuls kunnen geven. Bij de openstelling van het nieuwe gebouw was er een tentoonstelling ingericht van het werk van wijlen architect Renaat Braem ter gelegenheid van de herdenking van zijn honderdste verjaardag. Het werd een brave expositie die zich helemaal niet had laten inspireren door het sprankelende gebouw. De confrontatie tussen het werk van de rebelse Braem en het werk van Léon Stynen en Stéphane Beel had anders wel stimulerend kunnen zijn. De rode loper loopt uit op een vitrine met erachter de kantoren van het VAi, dat een tijd geleden in deSingel werd opgenomen en nu eindelijk over de passende lokalen beschikt om zijn activiteiten te kunnen ontplooien.
Naast een scherp oplopend hellend vlak naar boven, ontplooit zich op het niveau van de rode loper ook een cascade van trappen die onder meer naar de theater- en dansstudio leidt. Die levendige, opgedeelde cascade vormt een opmerkelijke tegenhanger van de breed uitgemeten trappenpartij in de inkom van het gebouw van Stynen. Op het niveau erboven bevindt zich de transparante doos met het Grand Café, de bibliotheek/leeszaal en een rechtstreekse toegang tot de nieuwbouw. Het gaat letterlijk om een transparante doos tussen de laag- en de hoogbouw. Vooral ’s nachts wordt dat zichtbaar door de verblindende belichting aan de onderkant van de bovenbouw. De ruime bibliotheek/leeszaal met een terras dat uitgeeft op de ring is het enige gedeelte dat bij de openstelling nog niet was afgewerkt. Het Grand Café, met een bar tussen het eigenlijke restaurant en het café, is helemaal open. Het beschikt eveneens over een ruim terras – een van de vele. Die terrassen spelen, zoals de trappen, een belangrijke rol in de beleving van het complexe gebouw en in het contact met de omgeving. Het continue geroezemoes van de ring doet Beel denken aan het geruis van de zee. Het is in elk geval steeds mogelijk om de open ruimten met gordijnen af te sluiten en op die wijze gebruik te maken van de flexibiliteit die het hele gebouw kenmerkt. Het gebouw gaat de tegenstellingen niet uit de weg. Het zoekt ze op en probeert ze zo spits mogelijk uit te spelen. Moet de enorme ouderwetse kristallen luchter, die bij de ingang van het café is opgehangen, in die zin geïnterpreteerd worden? Hij past in elk geval perfect bij de ouderwetse rode loper van een verdieping lager.
In de bovenbouw komen we in de wereld van het conservatorium. In tegenstelling tot de transparante doos waarboven hij zweeft, is deze bovenbouw duidelijk afgelijnd. De geslotenheid en de zwaarte ervan worden beklemtoond door de wijze waarop ze worden opgeheven. Ook hier zijn de wanden op vele plaatsen doorbroken door grote en kleinere openingen, die soms ongewone vormen aannemen. Van binnenuit ervaart men, ook in die betrekkelijke geslotenheid, vooreerst de aanwezigheid van de omgeving. Voor zover er nog gangen zijn, staan ze open op het licht en de buitenwereld.
Op zijn hoge kolommen die naargelang hun positie verschillende vormen aannemen, zweeft de bovenbouw letterlijk boven een gedeelte van het bestaande gebouw en boven een stuk van de nieuwbouw. De inventieve aanpak van het ingenieursbureau Laurent Ney speelt op een uiterst gelukkige manier in op de algemene opzet van het nieuwe gebouw. Op hoge, vrijstaande kolommen die zich als zelfstandige elementen gedragen en waarvan er geen twee gelijk zijn, verschijnt een eigen structuur. De onverwachte vorm van sommige ramen wordt er gedeeltelijk door verklaard. Die vorm wijst op een verregaande loskoppeling van de dragende structuur van de behandeling van de ruimte en de buitenwanden. De loskoppeling van structuur en bekleding geeft het geheel een grote helderheid. Van een echte loskoppeling kan men eigenlijk niet spreken, wel van een vrij omgaan en geestig spelen met de structurele gegevens. Er heersen geen rigide principes meer. Als men ergens in het complex de ervaring van ongeremdheid en ontspanning kan beleven, dan is het hier. Stevige betonnen balken dwarsen de ruimte. Dit gebouw kent geen onverzoenbaarheid van tegengestelden meer.
De bovenbouw bevat studie- en repetitielokalen, een eigen Witte Foyer, een Witte en een Gele Zaal, de een voor muziek en slagwerk, de ander voor de podiumkunsten. Op de top bevindt zich een ruime (dans)studio met uitgebreid terras. Dit laatste biedt een uniek uitzicht over de gebouwen van deSingel en over de verre en nabije omgeving. Niet het vernuftige spel waarbij alles in elkaar werd gepast is het meest indrukwekkende, als wel de ervaring, als in een collage, van de verschillende stimulerende impulsen die uitgaan van het zich naast elkaar bevinden en op elkaar inwerken van onafhankelijke fragmenten.
In de drie lagen Beel heerst een verschillende sfeer zonder dat daardoor de interne wisselwerking ervan in het gedrang komt, wel integendeel. Juist door het onderscheid tussen de verschillende lagen ontstaat er een spanning, die nog wordt opgevoerd door de continue aanwezigheid van het bestaande gebouw dat nu in dit nieuwe spel van verhoudingen is opgenomen.
Bij de openingsplechtigheid op het gazon van de grote binnenplaats werd het samenspel van de twee gebouwen op uitbundige wijze belicht. Dansers en muzikanten waren er massaal aan het werk. Een evenwichtskunstenaar balanceerde van het ene dak naar het andere. Tijdens dit feest kwamen ook andere aspecten van het gebouw nadrukkelijk op de voorgrond: de duur en het verloop van de tijd die eraan wordt afgelezen en de stimulerende aanwezigheid van mensen. De vallende avond toverde het geheel om tot een feeëriek gebeuren. Het gebouw zit niet alleen ruimtelijk vol spanning, het leeft ook in de tijd en verandert voortdurend in de vordering van het licht van dag naar nacht. Ruimte én tijd spelen een even belangrijke rol, maar ook, en dat maakte de openingsplechtigheid duidelijk, de drukte, het geluid en de beweging van mensen die in en rond het gebouw aanwezig zijn. Het verbaast dan ook niet dat het gebouw een eigen houding inspireert: het is een gebouw van de onthaasting. Hoe druk men ook bezig is, hoe ingewikkeld de verschillende onderdelen van het gebouw zich ook tot elkaar verhouden; het geheel is volkomen rust, niet op zichzelf gericht, niet in zichzelf besloten, maar – zoals in een park – uitnodigend tot een genotvol nomadisch vertoeven. Men holt er niet doorheen, maar neemt het in zich op. Elke plek is even uitnodigend.
We hebben het de hele tijd over een gebouw gehad, maar dat is niet langer de geschikte term. De kunstcampus is geen gebouw meer, maar een verzameling van plekken en doorgangen die op een wonderlijke, losse manier tot een herkenbare identiteit zijn samengesmeed. Die identiteit zit dan ook vol verrassingen. Er is geen gevel of er zijn verschillende gevels, die geen echte gevels meer zijn. Er is geen zweem van plechtstatigheid of zorg om expressiviteit. Als Stynen twee zalen naast elkaar aanbrengt past hij de vorm van de een even spontaan als conventioneel aan de andere aan. Hij tekent twee trapezia die omgekeerd ten opzichte van elkaar staan, zodat ze perfect in een vierkant passen, zonder evenwel enige variatie uit te sluiten. Stynens zalen zijn salons in vergelijking met de werkplaatsen die Beel van zijn zalen maakt. Hij plaatst die rechttoe rechtaan naast elkaar, zoals het het best uitkomt.
De ongeremdheid van deze bewuste en zelfs nadrukkelijke architectuur komt hierin tot uiting. Het gaat om een volstrekt nieuwe mentaliteit in de aanpak van architectuur. Er zijn talrijke voorbeelden aan te halen van fantasievolle hedendaagse architectuur, maar alle reduceren ze hun zelfs uitzonderlijke aanpak tot hij past binnen het keurslijf van een expliciete, eenmaal ontwikkelde of gekozen vorm. Een gewone, vanzelfsprekende rechte lijn is uit den boze. In het geval van de nieuwbouw van Beel is het merkwaardigste dat hij het formele gebouw van Stynen niet afwijst maar het integendeel een nieuwe identiteit geeft, het een vrijheid schenkt die men voordien niet vermoedde, het opneemt in een veelbelovende, ongeremde, kleurrijke en zelfs dartele en nieuwsgierige frisheid.
Tot 26 juni organiseert deSingel i.s.m. het Vlaams Architectuurinstituut rondleidingen in de nieuwbouw van Stéphane Beel.
www.desingel.be
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.