De Materie – Phia Ménard/Opera Ballet Vlaanderen/Bas Wiegers
Een schurend vooruitgangsdenken
Sébastien Hendrickx
Je kent dat soort etentjes. Met verre collega’s, afgedwaalde kennissen en lijdzame partner(s). Tussen de verschillende schotels door wordt er over, onder meer, kunst en cultuur gesproken. Wat ik te eten voorgeschoteld krijg, kan ik nauwelijks beoordelen. Wat ik te drinken krijg? Het is naar het schijnt erg goede wijn, door de deskundige van dienst uitgekozen. De conversatie zal ook wel ‘op niveau’ zijn. Geregeld word ik als getuige opgeroepen. Want ik ga door als een sociaal iemand. E. daarentegen, als zwijgzame natuur, wordt met rust gelaten. Wat benijd ik hem!
*
Als kunstvorm hebben ballet zowel als dans, door de eeuwen heen, wisselende graden van erkenning genoten. Ongetwijfeld bevinden we ons tegenwoordig – sedert een paar decennia – in een fase waarin alle vormen van dans erkend worden. Een internationaal verschijnsel. Mooi zo? Wat mij blijft verwonderen is het feit dat dans op de een of andere manier een marginale kunstvorm blijft, een aspect van cultuur dat fundamenteel in een grijze zone blijft leven.
Test het maar eens uit in je omgeving. Bijvoorbeeld tijdens zo’n etentje. Ongetwijfeld zal er bij het vermelden van, zeg maar, de namen van Matisse of Klee, Kafka of Proust, Stravinsky of Schönberg worden geknikt. Maar werp je de naam Balanchine op, dan valt het doek over het tableau van de algemene cultuur. Alsof dans niet tot de cultuur behoort, mag behoren, kan behoren?
*
De filosofisch getinte studie van Frédéric Pouillaude vertrekt impliciet van die bizarre afwezigheid van dans in de culturele sfeer, en onderzoekt er systematisch de redenen voor. Dit gebeurt op een even grondige als boeiende manier en maakt van Le désoeuvrement chorégraphique een van de meest lezenswaardige teksten die over de ‘danskunst’ te lezen vallen. Dat zijn er niet zo heel veel… Opnieuw een bewijs voor de marginaliteit van de dans?
Een grond die te maken heeft met het wezen zelf van de dans is (onder meer) zijn vergankelijkheid. Een dansvoorstelling is, zoals men zegt, efemeer. Maar hetzelfde geldt ook voor theater en muziek, ja, voor alle zogenaamde podiumkunsten. Met één verschil, en daar draait het om: de ‘tekstloosheid’.
Dat is ook het noodlot van de dans! Als ‘kunst’ past dans niet binnen het systeem der kunsten, de klassieke ‘Esthetica’ zoals die in de achttiende en negentiende eeuw door Kant, Hegel, Schelling,… werd ontworpen. Vanaf dat ogenblik is het alsof de filosofie met dans niets meer kan aanvangen. Terwijl in de vorige eeuwen – vóór het ontstaan van de Esthetica – dans wel degelijk een plaats had in het filosofische discours. (Pouillaude weet daar erg interessante dingen over te vertellen.) Dans is nu, binnen de context of het systeem der kunsten, een onzuivere, hybride kunst. Een marginale of mineure kunst.
*
Wanneer er in het tijdperk van de Esthetica dan wel over dans gefilosofeerd wordt, komt enkel een veralgemening van het principe ‘dans’ aan bod. Een veralgemening en verruiming,een soort overwaardering die een onderwaardering bedekt. Zoals bij Nietzsche die, in Pouillaudes woorden, ‘niets zegt over dans, maar daarentegen in staat is veel te zeggen dankzij de dans’. Als metafoor dus.
Zo wordt dans nu eens als de ‘kunst der kunsten’ beschouwd: de oorsprong van kunst, maar zelf eigenlijk geen kunst. Pouillaude wijdt een hoofdstuk aan Erwin Straus, een Duits psychiater en filosoof die schreef over de verweving van muziek met dans, en dans voornamelijk als een ruimtelijk gegeven beschouwt.
Een andere filosoof die Pouillaude in dit eerste deel onderzoekt is Paul Valéry. Dans wordt bij hem losgekoppeld van de ‘opvoering’ ervan. Dat is minder het geval bij twee andere figuren die de auteur bestudeert, Stéphane Mallarmé en Antonin Artaud, die niet bevreesd zijn voor het opvoeringskarakter.
*
Het probleem, de uitdaging die de dans stelt aan de klassieke esthetica is tweevoudig en heeft in eerste instantie te maken met het aspect van de opvoering. Het toneel is altijd problematisch voor filosofen. Het begint al bij Plato en Aristoteles en men vindt het ook bij Plutarchus. (Over Aristoteles, die volgens Pouillaude de kwestie van de opvoering zo niet negeert dan toch ontwijkt, schrijft de auteur enkele interessante pagina’s.) De opvoering ontsnapt aan de rationele filosofische denkmethoden. Het blijft iets onzuivers, iets… ‘vies’.
Beschouwingen over dans hebben de neiging om de paradoxale status van het verschijnsel op te lossen door ofwel de liturgische, sacrale dimensie ervan te beklemtonen, ofwel de ludieke of feestelijke elementen naar voor te schuiven. Dimensies die uiteraard niet afwezig zijn.
Het gaat om een opvoering of uitvoering (voor toeschouwers). Maar een uitvoering waarvan? In tegenstelling tot drama of muziek valt dans niet terug op een ‘tekst’ en kan deze kunstvorm derhalve ook geen ‘tekst’ achterlaten.
Wil men het wezenlijke vatten, dan raakt men onvermijdelijk aan de dubbelzinnige status van deze op voeringskunstvorm(en): enerzijds zij die over een tekst beschikken, zoals drama of muziek, anderzijds de dans die daar problemen mee heeft. Terecht wijdt Pouillaude dan ook een grondige discussie aan de opvattingen van Nelson Goodman en de meer recente beschouwingen van Gérard Genette over Goodmans Language of Art.
Voor onze auteur is de opvoeringsdimensie doorslaggevend; dit hoofdstuk vond ik bijzonder geslaagd en verhelderend, ook al vergt het enige voorkennis.
Direct hieraan gekoppeld is het gegeven dat een dansopvoering of -uitvoering geen sporen achterlaat. De danskunst heeft geen tekst of partituur waardoor ze als ‘werk’ kan worden overgeleverd. Het dans-werk wordt overgeleverd niet door middel van het woord, of door een andere vorm van notatie, maar door middel van het lichaam: de overdracht geschiedt op een lichamelijke manier. Dans is echter meer dan het product van lichamelijke activiteiten, want al tijdens het ontstaansproces is dans wezenlijk verbonden met lichamelijkheid. In een praktijk dus. Aan de hand van voorbeelden, zowel uit het klassieke balletrepertoire als uit de hedendaagse dans, wordt uitvoerig onderzocht hoe deze praktijk zich voltrekt.
Dans verzet zich als dusdanig; tegen het objectiveren, de reïficatie die traditioneel in het ‘werk’ zijn neerslag vindt Een kunstwerk getuigt immers van de ‘onsterfelijkheid van sterfelijke wezens in deze wereld’ (Hannah Arendt).
Doch wanneer Pouillaude het begrip ‘werk’ (oeuvre) in correlatie met ‘désœuvrément’ als een centraal gegeven hanteert, gaat het hem niet in eerste instantie om ‘kunstwerk’, maar om een over te leveren – in de tijd doorgeefbaar – gegeven. In de Franse context is dit veel helderder dan in onze Nederlandse context wij hebben geen equivalent voor dit gebruik van’oeuvre’. Welja: ‘kunstwerk’ komt er het dichtst bij… als men er maar voor zorgt het begrip ‘kunst’ niet al te zeer te beklemtoren! En ik gebruikte zelf ’tekst’… bij gebrek aan beter.
Dans is dus, grof gezegd, een kunstvorm zonder werk, of juister gezegd: een kunstvorm waarbij het begrip ‘werk’ een problematisch bestaan kent. Terwijl de kunstvorm toch enigszins overgeleverd kan worden en wordt, toch enigszins sporen achterlaat inde geschiedenis, zoals alle andere kunstwerken. (Enigszins is hier van belang!)
Dat kan misschien vergezocht en ingewikkeld lijken, maar dans is nu eenmaal de moeilijkst vatbare ‘kunstvorm’ (héhé). Wie het eenvoudiger wil, moet zich maar bezighouden met minder paradoxale kunsten. Maar dat doen wc dus niet, en we lezen met spanning hoe Pouillaude alle valstrikken vermijdt en op een briljante wijze alle aspecten van deze kwestie te lijf gaat. Helder en systematisch, met een even grote kennis van vele klassieke ‘vergeten’ geschriften over dans als van hedendaagse dansvoorbeelden. En hij mijdt evenmin de registers van de ‘performance’ en andere vormen van improvisatie.
Dat zijn voorbeelden – voor de meest hedendaagse dans – doorgaans eerder op de Franse context zijn afgestemd, hoeft niet als een bezwaar te worden beschouwd. Voorbeelden dienen enkel ter illustratie van een theoretisch vertoog, niet omgekeerd.
Jammer vond ik wel dat hij het model van het New York City Ballet dat het ‘oeuvre’ van een Balanchine ‘systematisch’ (of kunstmatig?) probeert over te leveren en zo in leven te houden, niet bediscussieert. Het zijn kwesties die zich bijvoorbeeld ook aftekenen rond de toekomst van Pina Bausch’ oeuvre …
Onze auteur buigt zich uiteraard ook grondig over de verschillende notatiemethedes die het mogelijk moeten maken van de dansopvoering een’tekst’ te maken, de sporen van de uitvoering/opvoering vast te leggen in schrift. Dat dit maar gedeeltelijk werkzaam is in de danscontext, wordt door Pouillaude overtuigend en genuanceerd beargumenteerd.
Enige zwak punt misschien is dat Pouillaude naar mijn gevoel al te snel heen stapt over de rol van die andere notatiemethode: videoregistratie.
*
Le désoeuvrement chorégraphique is een referentiewerk omdat de lezer duidelijk beseft dat Pouillaude weet waarover hij spreekt: hij heeft een filosofische opleiding (Derrida), doceert aan de Sorbonnne (Paris IV) , maar heeft ook een opleiding klassieke zowel als hedendaagse dans achter de rug.
Frédéric Pouillaude, Le désoeuvrement chorégraphique. Etude sur la notion d’oeuvre en danse. Librairie philosophique J. Vrin, Paris, 2009, 427 pp, geïll.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.