Dirk Decleir in ‘Dagboek van een krankzinnige’

Leestijd 11 — 14 minuten

Kroniek van een vroeggeboorte

Het experiment van de Werkgemeenschap in de Beursschouwburg duurde slechts twee seizoenen, maar het was een onmiskenbaar teken dat er iets fundamenteel ging veranderen in het Vlaamse theater. Erwin Jans in gesprek met Rik Hancké, Wim Meuwissen en Herman Verbeeck.

De droom van Dries

De eerste gesprekken over een eigen gezelschap in de Beursschouwburg werden in april 1968 gevoerd tussen directeur Dries Wieme en acteurs Wim Meuwissen en Herman Verbeeck.

Herman Verbeeck: ‘In de Beursschouwburg werkte toen al een groepje acteurs, maar die waren erg traditioneel ingesteld. Dries wilde iets anders en nodigde Wim uit, die mij op zijn beurt bij het gesprek betrok. Dries was tien jaar ouder en wijzer, hij had dingen gezien die wij nog moesten ervaren. Er waren zeker fricties, maar Dries stond volledig aan onze kant.’

Wim Meuwissen: ‘Dries was een briljant acteur, hij was directeur geworden omdat hij uit de tredmolen van het traditionele acteersysteem wilde stappen. Het was niet makkelijk om de Beursschouwburg op te bouwen met een raad van bestuur die meer met politiek dan met theater bezig was. Vlaanderen moest in Brussel namelijk opnieuw een voet aan de grond krijgen.’

Rik Hancké: ‘Dries is altijd loyaal geweest. Met het idee van een eigen – Vlaams – gezelschap roeide hij in Brussel tegen de stroom in.’

Herman: ‘Het idee van een collectief was een expliciete reactie tegen de theaters van die tijd: KNS, KVS en RVT. De dynamiek van het kamertoneel was voorbij, we hadden genoeg van het traditionele theater en de hiërarchische structuren. Elk engagement begint met neen zeggen tegen het bestaande. Het was de geest van ’68, van het antiautoritaire denken en de democratisering van de structuren. De Werkgemeenschap was bij mijn weten het eerste initiatief van collectief theater in Vlaanderen.’

Wim: ‘Zelf je eigen repertoire en werkwijze ontwikkelen, uit de schaduw van de directie, dat was ontzettend belangrijk.’

Tastend zoeken

De Werkgemeenschap bestond in het eerste seizoen uit Dries Wieme (directeur), Wim Meuwissen, Herman Verbeeck, Karel Dehaen en Simonne Peeters (vaste leden), Yolande Bertsch, Rik Hancké en Bert André (gasten) en Sylvain Meert en Stefaan Wouters (artistiek-technisch personeel).

Herman: ‘Acteurstraining stond destijds hoog op de agenda bij beginnende groepen. Grotowski maakte in ’66 furore in Parijs met De Standvastige Prins. We waren niet voor zijn theatervisie, wel voor zijn acteurstraining. Het mythische en archaïsche lag ons niet, net zomin als de totale overgave en fysieke uitputting van de acteur. We streefden veeleer een episch spel na, waarbij je als acteur ook uit je rol trad. Ik nodigde Yolanda Bertsch uit om ons te trainen, zij had bij Grotowski gewerkt. We begonnen met het zoeken naar geschikt repertoire. Yolanda koos Escuriaal van De Ghelderode, ik speelde samen met Wim in De Dienstlift van Pinter. We brachten ook een aantal korte stukken van Beckett en een instructieprogramma voor de jeugd. De schoolprogrammering was het belangrijkste onderdeel van de werking. Van de avondvoorstellingen werden alleen de premières goed bezocht. Het publiek van Brusselse Vlamingen was immers klein.’

Scholing en spelplezier

Rik: ‘Het eerste seizoen regisseerde ik De Politie van Slawomir Mrozek. Mrozek zelf kwam kijken en vond het een prima voorstelling, wat ons fier maakte. Van het bestuur kregen we groen licht om het gezelschap uit te breiden met Frieda Pittoors, Lisette Mertens en Dirk Decleir. Dirk was ons paradepaardje. Hij werd beschouwd als de beste acteur van de bende. Zijn prachtige solo Dagboek van een krankzinnige heeft hij bij de Werkgemeenschap uitgediept tot een happening waaraan ook andere acteurs meededen.’

Wim: ‘Rik kreeg de opdracht een gezelschap samen te stellen. De grote schouwburgen boden geen openingen en ook de kamertheaters waren aan het verburgerlijken. Er was veel ongenoegen onder jonge acteurs en bijna iedereen die we vroegen, stapte mee in het avontuur.’

Herman: ‘Het knetterde langs alle kanten. We waren met negen acteurs die er heel erg in geloofden. De werking werd opgedeeld in cellen: publiekswerving, repertoire zoeken, financiën et cetera. We waren allemaal leerlingen. In dat tweede jaar gaf ik acteurstraining gebaseerd op Grotowski en Decroux. Daarna waren er individuele stemtrainingen met een logopediste. Iedere week organiseerde iemand een filosofisch uurtje. Ik herinner me Wim die seksueel getinte scènes van Bergmans Persona voorlas, of Dirk die het had over zelfbeheer en arbeiderscontrole. In de namiddag repeteerden we, ’s avonds speelden of vergaderden we of gingen naar voorstellingen kijken. Onze hele dag stond in het teken van de Werkgemeenschap.’

Wim: ‘Scholing was het belangrijkste onderdeel van onze werking. We waren ons terdege bewust van onze tekortkomingen. Brecht en de regies van Walter Tillemans waren een belangrijke inspiratiebron. En Dirk Decleir, een erg intelligente man die veel nadacht over theater en die na zijn periode bij de KNS op een totaal andere manier theater wilde maken. Herman Verbeeck was dan weer de man van de beweging omwille van zijn Decroux-opleiding.’

Er was eens een kasteel…

Al snel bleken de artistieke doelstellingen van de Werkgemeenschap niet haalbaar binnen het normale werkschema van elkaar opvolgende producties. De oplossing was een uitsplitsing van de werking: seizoen 1969-70 zou een voorbereidende periode worden, waarin de groep voldeed aan alle contractuele eisen omtrent aantal producties en speeldata, en intussen de tijd nam voor reflectie. In het seizoen erop zou men dan uitpakken met vernieuwend werk.

Herman: ‘We waren geen naïeve dromers of beeldenstormers. We voelden aan dat we de weg van de geleidelijkheid moesten bewandelen. De ideeën knetterden maar we dachten ook na over hoe we ons artistiek moesten vormen. Het idee om een tijd lang in afzondering te werken hing in de lucht. Grotowski werkte zo.’

Rik: ‘We zouden naar Joegoslavië gaan. Alice Toen kon voor weinig geld een kasteel regelen waar we enkele maanden konden verblijven. We zouden er werken aan twee producties, Kijkspel 2 en De wonderbare uitvinding van Professor Filarsky, en seizoen 1970-71 voorbereiden. We wilden ons een tijdlang uit de maatschappij terugtrekken om beter te kunnen nadenken over die maatschappij. Maar voor ons vertrek moesten we nog 109 voorstellingen spelen. We maakten twee producties: Scapin Molière en Dagboek van een krankzinnige.’

Wilde plannen voor het derde seizoen

Herman: ‘Door het samenwerken en door onze filosofische uurtjes evolueerden we al snel van het traditionele uitzoeken van geschikt repertoire naar het creëren van projecten als De Sexpolshow of Oedipus. Ik had gesprekken met de Franse auteur René Kalisky, die een boeiend stuk had geschreven over Fausto Coppi. Er was een andere omgang met tekst en schrijvers. We wilden ook experimenteren met improvisatie.’

Rik: ‘Dirk las over Oedipus en raakte gefascineerd door diens innerlijke marteling. Dirk was maatschappelijk geëngageerd, maar met dat project wilde hij onderzoek doen naar het innerlijke. Hij wilde alle stoelen uit de Beursschouwburg halen om een labyrint te maken, zodat het publiek Oedipus’ verwarring kon ervaren. Mijn project heette Sexpolshow. Daarvoor zouden we in het kasteel improviseren rond teksten van Bert Verminnen, die gefascineerd was door het kolonialisme, door Congo en Marokko. “Sexpol” is bedacht door Wilhelm Reich, een leerling van Freud, die marxisme en psychoanalyse met elkaar trachtte te verbinden en een theorie over de maatschappelijke functie van seksualiteit en het orgasme ontwikkelde. Het was eind de jaren zestig, een generatie jonge artiesten, intellectuelen en studenten was overweldigd door een grandioos gevoel van missie. Een wereld brak open, veel heviger dan nu met het internet. Dat is een technologische revolutie, wij wilden een nieuwe wereld stichten en komaf maken met de conventies.’

De geest van ’68 uit de fles

Herman: ‘Die twee jaar, van 1968 tot 1970, waren een knetterende periode voor de Werkgemeenschap. Er circuleerden veel nieuwe ideeën over theater: Grotowski, Decroux,  Brecht, Barba, het pas opgerichte Théâtre du Soleil, The Living Theatre, Bread and Puppet Theatre, The Open Theatre van Joe Chaikin… En we gingen samen naar die groepen kijken. De gebeurtenissen van 1968 zaten in ons lijf: de Parijse opstanden in mei, maar ook de Praagse Lente waaraan in augustus een einde kwam door de inval van de Russen. Alles gistte. Je had T68, het manifest opgesteld door Hugo Claus, Carlos Tindemans en Alex van Royen. We zaten in de Amsterdamse Stadsschouwburg toen tijdens Toller, een stuk over de opkomst en ondergang van de Beierse radenrepubliek, stinkbommen werden gegooid.’

Wim: ‘We hadden veel contacten met het Werktheater in Nederland. Ze hadden van de minister van Cultuur een studiejaar gekregen, dat was ongezien. Ook visionair als je bedenkt hoeveel goede acteurs daaruit zijn voortgekomen. Het Werktheater was maatschappelijk gericht, terwijl de Werkgemeenschap – vooral onder invloed van Rik – toch bezig was met een zekere politieke scholing. Het politieke theater is pas enkele jaren later echt doorgebroken, maar het werk van Ernest Mandel heeft zeker een invloed gehad op ons denken.’

Rik: ‘We hadden het gevoel deel uit te maken van een wereldbeweging. Alles moest en zou veranderen. Ik heb nog ergens een kaartje liggen van een meisje met daarop de woorden:  Dit is het begin. Dat is het gevoel dat we hadden: we staan aan het begin van iets nieuws, iets groots, iets belangrijks. Enkele jaren later, toen ik bij Proloog speelde, werd dat werkelijkheid: we trokken met drie bussen door het land, speelden 350 voorstellingen per jaar!’

Tegenwind van hogerop

Wim: ‘Vanuit het Ministerie van Cultuur is er na het eerste jaar druk gekomen om de Beursschouwburg veel meer receptief te laten werken. Men wilde kleinkunstvoorstellingen programmeren. Ook onze politieke scholing werd door het bestuur niet altijd geapprecieerd.’

Herman: ‘We werden ingehaald als helden, kregen een diner aangeboden bij het begin van het tweede seizoen. Het bestuur was helemaal mee, alles wat Dries en Rik voorstelden, vonden ze goed. Maar ze hadden geen benul van wat het betekende. Onder druk van het ministerie is het bestuur van mening veranderd. Plots werd die studieperiode in Joegoslavië een groot probleem, in het bijzonder de afwezigheid van Dries als directeur. Toen het Dries officieel verboden werd naar Joegoslavië te reizen, hebben we de hele trip afgeblazen. Het was iedereen of niemand.’

In het najaar volgden de dramatische gebeurtenissen elkaar snel op. Vanuit ministeriële hoek kreeg de Beursschouwburg te horen dat ze zo snel mogelijk moest fusioneren met het Brussels Kamer Toneel en meer kleinkunst en kamertoneel moest ontvangen. De relatie tussen de Werkgemeenschap en het bestuur verslechterde met de dag. De toekomst van de Beursschouwburg was de inzet geworden van een discussie op het hoogste politieke niveau. Er werd een actiecomité opgericht door Walter Tillemans (regisseur KNS), Alex van Royen (leraar RITCS), Marianne van Kerkhoven en Pol Arias (dramaturgen KNS), Leo Madder (acteur KNS) en leerlingen van het RITCS en Studio Herman Teirlinck. Maar er viel niet meer te praten: op 28 november kreeg Dries Wieme zijn ontslag. Tot groot ongenoegen van het bestuur werd enkele dagen later, tijdens een persconferentie naar aanleiding van Studio Amsterdams opvoering van De Nonnen, een solidariteitsverklaring met de Werkgemeenschap uitgedeeld door Vlaamse en Nederlandse acteurs.

De Werkgemeenschap besloot toen om op 13 december, na afloop van de première van De Nonnen in de Beursschouwburg, met een strop om de hals te scanderen: ‘De  Werkgemeenschap dankt u voor uw aanwezigheid. De overheid fnuikt ieder initiatief van onderuit. Ook het onze. Leve de overheid!’ De actie liep echter helemaal uit de hand.

Herman: ‘Er zou iemand vanuit Amsterdam gebeld hebben om kaarten te reserveren op naam van Aktie Tomaat. Dat was niet zo slim, want in Nederland zorgde hun actie tegen het conservatieve theaterbestel al maandenlang voor onrust, de kranten stonden vol met berichten over het tomaten gooien in theaters. Afgevaardigd bestuurder Albert Peerenboom kreeg schrik en belde op het einde van de voorstelling de politie. Er was helemaal niks gebeurd, we hadden alleen met een strop rond de hals een paar zinnen gescandeerd. De interventie van de politie was bijzonder brutaal, daar is uitvoerig over bericht in de pers, het was voorpaginanieuws. Heel veel mensen steunden ons, ook vanuit Nederland. In heel wat theaters werden protestbrieven voorgelezen. Wij dachten dat dit goodwill zou kweken bij de overheid, maar niets was minder waar.’

Rik: ‘De politie dacht dat het om een bijeenkomst van flaminganten ging en klopte er duchtig op los. Groteske taferelen hebben zich afgespeeld op de trappen van de Beursschouwburg! We wisten niet wat ons overkwam, we waren als schapen zo braaf. Door de matrak zijn we in wolven veranderd. We waren gebeten.’

Het einde van de droom

Wim: ‘Onze voorstellingen hadden niets aanstootgevends of vernieuwends. Maar plots stonden we in het brandpunt van de belangstelling.’

Herman: ‘We bleven trainen en repeteren bij mij thuis. We dachten na over hoe we de Werkgemeenschap buiten de Beursschouwburg konden voortzetten, maar het was onmogelijk om voldoende geld te vinden.’

Wim: ‘Marianne van Kerkhoven kwam toen naar ons met haar stuk De stuitbare opkomst van Viktor de Brusseleire, dat in de KNS geweigerd was. Ikzelf speelde Paul Vanden Boeynants in de voorstelling. Dat was het einde van De Werkgemeenschap en het begin van Het Trojaanse Paard. Vanaf dan heeft het theater in Vlaanderen zich gepolitiseerd. Herman en ik hadden daar niet zoveel mee en zochten andere uitdagingen op. Rik is daar wel erg in meegegaan. Het avontuur van Paul Van Malskoe of de dubbele omkering van Van Ostaijen, de voorstelling die Dirk Decleir samen met Leo Madder maakte in 1973, en waarin Herman Gilis, Geert de Jong en ikzelf speelden, is voor mij een realisatie van wat ons bij De Werkgemeenschap voor ogen stond.’

De erfenis van De Werkgemeenschap

Rik: ‘Uiteindelijk bestonden we maar anderhalf jaar. Kort maar heel intens.’

Herman: ‘Het was een unieke, onvergetelijke periode. Misschien was de Werkgemeenschap een eerste incarnatie van de geest, de sensibiliteit van de tijd. We zochten naar een andere manier van theater maken. We zijn door die niet vervulde droom met elkaar verbonden gebleven en houden er allemaal een warm gevoel aan over. Ook al werd onze grote enthousiaste droom gefnuikt, toch denk ik dat we een kleine rol gespeeld hebben in de emancipatie van het Vlaamse theater.’

Wim: ‘Het aanwezige potentieel van de mensen in de Werkgemeenschap was groter dan wat we hebben kunnen realiseren. Onze grootste verdienste is dat we van onderuit initiatief hebben genomen. Zelf je werk bepalen, geen rekening houden met politieke benoemingen, dat was essentieel. Plots was er een vrijplaats, een laboratorium. We zetten autonoom dingen op en zochten verbanden. Dat is nadien door anderen gelukkig met meer succes gedaan.’

Deze tekst is een vrije bewerking van de boekversie. Beursschouwboek, met bijdragen van Marc Didden, Erwin Jans, Eric Min, Geert Sels, Pieter T’Jonck, Bernard Van Eeghem en Johan Wambacq, is een uitgave van Lannoo en verschijnt op 27 januari.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

gesprek
Leestijd 11 — 14 minuten

#139

15.12.2014

—

14.03.2015

Erwin Jans

Erwin Jans is dramaturg bij het Toneelhuis (Antwerpen). Tevens publiceert hij over theater, literatuur en cultuur in onder andere De Morgen, De Tijd, Eutopia, Etcetera, DW B, rekto:verso, nY, De Reactor, De Leeswolf en Theatermaker.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!