Met het openingsnummer, een versie van ‘Aldonza’ uit de Man of La Mancha musical waarmee Lac & Fritz hun meest uitbundige zelve neerzetten (en zich daarbij zelfs letterlijk in de schoot van het publiek werpen), is de thematische toon voor de aandachtige of ingelezen luisteraar meteen gezet. De tandem die de zich ridder wanende Don Quichotfiguur vormt samen met zijn steun en toeverlaat Sancho Panza in de klassieker van Cervantes straalt stevig af wanneer Fritz pront op de schouders van haar kompaan Lac zit. Diens bewegingen refereren in het verdere verloop regelmatig aan de halfbakken hengst waarop Don Quichot en z’n metgezel zich voortbewegen. De ridderlijke strijdlust spat er vanaf wanneer het duo met kleurrijke vlaggen de verschillende hoofdstukken van de welgekende avonturentocht afkondigt. Drie vaandels met achtereenvolgens de opdrukken L’armature, L’amour en La mort worden gehesen. Het harnas aantrekken om te vechten voor de liefde en er uiteindelijk ook aan ten onder te gaan.
Rewind naar onze binnenkomst op de bovenste verdieping van La Raffinerie: op weg naar één van de twee publiekstribunes, die opgesteld zijn langs twee zijden van het ietwat onbestemde speelvlak, passeren we rakelings de performers. Elk aan hun kant staan ze in een country-achtig contrapposto op een been te wippen. Een drafje ter plekke. De geur van plastic komt ons tegemoet. Algauw wordt duidelijk waar die vandaan komt: een strokengordijn van plastic flappen – beter bekend als de toegangspoort tot de koelafdeling van de Colruyt – vormt het achterplan. Wanneer Lac even later ostentatief onder het half opgetrokken plastic door verdwijnt, wordt het publiek met de neus op de feiten (of het spel) gedrukt. De setting werd omgekeerd: wij zitten namelijk mee op scène en de artiesten perforeren steeds de klassieke opdeling tussen conventionele bühne en de plek waar de toeschouwer doorgaans plaatsneemt. Wat insinueert die omkering?
Pathetiek en partnerschap
Dolend door de rijke geluidsband flirten de twee performers met wat wezenlijk is en wat niet. Ze gieten zichzelf in flarden van uiteenlopende benaderingen van Don Quichot door zich te inspireren op artiesten die ergens tegen het doldwaze idealisme van de literaire figuur zijn gaan aanschurken. De orkestrale liederen van componist Jacques Ibert, de door een abortus aangezwengelde folie van experimenteel auteur Kathy Acker, chanson icoon Jacques Brel met z’n bewerking van de Broadwaymusical en variété diva Dalida, allemaal passeren ze de revue. Alle aangewende bronnen knopen direct of indirect aan bij de manier waarop Don Quichot totaal opgaat in de beneveling van de verbeelding. Het is echter wel opvallend dat de totaalsom van al die inspiraties iedere expliciete expressie van uitzinnigheid achterwege laat. Er worden geen windmolens bekampt. Of we zouden het al moeten zoeken in de manier waarop voornamelijk Fritz bij momenten de ruimte lijkt af te surfen als één of andere superheld, triomferend over een imaginaire tegenstander.
Nee, in de verschillende aktes van Knight-Night lijkt alles veel meer rond het paar en het partnership te draaien, de constante wisselwerking tussen Sancho Panza en Don Quichot waarbij het duo Lac en Fritz steeds weer in elkaar verglijdt. Ze helpen elkaar in harnasachtige accessoires, spelden elkaar microfoons op als broches, en delen een kap van een maliënkolder. De twee betonen elkaar vooral gedienstigheid, tot de in pathos gedrenkte piëta-sterfscène toe. Hoewel het er makkelijk zou kunnen naar overhellen, wordt het op geen enkel moment een uitgesponnen meester-slaaf relatie. Analoog aan de avonturenroman kan de verhouding tussen de gestaltes van Lac en Fritz gekarakteriseerd worden als een wederzijds voortstuwen, de synergie tussen een dromer en een nuchtere ziel. Hun partnerschap, dat er één is van steunen en soms onderuithalen, is er misschien ook één die de verhouding beheerst tussen het beeld dat ons voorgeschoteld wordt in de black box en wat we aanschouwen wanneer we er weer uitkomen.
Flaunt your failure
Het toneel dat zich bruusk uit de gangbare werkelijkheid rukt om alles anders te verbeelden, maar daarna de brokstukken van het aan diggelen geslagen plaatje hardnekkig weer aan elkaar probeert te solderen: het resoneert enigszins met hoe er zowel op auditief vlak als in de bewegingstaal een ondertoon van falen opsteekt. Schokkerige uitdrukkingen knipogen naar wat theoreticus Jack Halberstam ’the queer art of failure’ heeft genoemd. Badend in aliënerend groen licht vertoont bijvoorbeeld een gedanst tafereel op een uitgelengde versie van rapper Travis Scotts Antidote precies glitches, zoals mijn gezelschap die avond het achteraf treffend verwoordt. Die oneffenheden benadrukken het onbereikbare ideaal, de onmogelijke queeste.
Het constante ophalen en neerlaten van de doorzichtige wand tussen speelruimte en onbenutte publiekstribune, evenals het permanente doorbomen ervan, leest als een arbitraire scheidingslijn tussen de echte wereld en het vacuüm van het vertelsel.
Eveneens in het opvallende gebruik van de iPhone-speaker als geluidsbron schuilt de poëzie van de kortsluiting. Ingepast in zijn raadselachtige aura gebruikt Lac meermaals de lage geluidskwaliteit van een telefoon om zowel muziek nabij als veraf te laten spelen. De toestellen worden verderaf en terug dichterbij de microfoontjes gebracht die op hun (overigens erg knappe) outfits gespeld zitten. Sonorische nabijheid kantelt in ruimtelijke distantie die dan toch weer terug vlakbij komt aanleunen, wat de crappy sound tot een spatiale muziekervaring opwerkt.
De mechanische choreografieën en stokkerige klanken waarbij stukken van de tracklist in de futuristische hakselaar verdwijnen, staan lijnrecht tegenover de souplesse die het vendelen vereist. Het stuk waarin het tweetal aan het vaandelzwaaien slaat, tilt de voorstelling tot een absoluut hoogtepunt. De luchtverplaatsing die de zwierende vlaggen in de zaal teweegbrengen, klinkt als op hol geslagen molenwieken. De behendigheid waarmee Fritz & Lac met hun vaandels pronken, heeft iets gigantisch innemend, iets ridderlijk heroïek dat nauw verband houdt met een tomeloze overgave aan een groepsidentiteit. Anderzijds schemert er tegen de achtergrond van de waanbeelden die de man van La Mancha worden toegedicht ook een zekere tristesse door, een beroerende pathetiek van textiel dat maar achteloos wappert in de wind.
Theater verwerkelijken en de werkelijkheid theatraliseren
Diezelfde pathetiek is ook vedette Dalida, die in het laatste deel weerklinkt, niet vreemd. In Mourir sur scène zingt ze dat ze wil sterven op het podium, in de spotlight van de illusie, tot ze helemaal uitgezongen is. De songtekst haakt clever in op de verbetenheid van het Don Quichotisme om in het verhaal te blijven en geen genoegen te nemen met de realiteit. Het zijn dit soort associatieve details die Knight-Night tot een begeesterend doch vrijblijvend kluwen maken. Het web aan fragmentarische referenties wijst ongedwongen op ingangen, het zogenaamde bevragen van de grens tussen podiumrepresentatie en het waarachtige aan de hand van uitgekiende manipulaties van het theatrale apparaat is evenzeer zonder veel verplichting. Het constante ophalen en neerlaten van de doorzichtige wand tussen speelruimte en onbenutte publiekstribune, evenals het permanente doorbomen ervan, leest als een arbitraire scheidingslijn tussen de echte wereld en het vacuüm van het vertelsel. Maar de voorstelling beklijft niet in de zin dat je het bevragen van de grens tussen beiden aan den lijve ondervindt. Je wordt uitgenodigd in hun specifieke esthetiek en collagewereld, maar als publiek zit je er nooit echt ‘in’, zelfs al zitten we mee op het podium en wordt de frontaliteit van de theatrale representatie in eerste instantie omgedraaid. Bijgevolg blijven we er toch maar op kijken van buitenaf, wat uiteindelijk even vrijblijvend is als het koelschap van de Colruyt.
Een stuitend probleem is dat niet, integendeel. Al staat de spanningsboog naar het einde toe niet meer al te strak en gooi je achteraf de opeenvolging van hoofdstukken en taferelen door elkaar, het stuk levert nog steeds meer dan genoeg boeiende bespiegelingen op. Van aan de zijlijn kijken we naar de wederzijdse instandhouding van fantasie en feit. Misschien is dat dan wel de afwezige MacBook in deze voorstelling: namelijk dat het er aan beide kanten van de streep tussen (digitaal) schouwspel en realiteit even echt als fake aan toegaat.



