De blauw – Lara Staal & NTGent
De politie, wiens vriend?
Sixtine Bérard
© Eva Michiels
Theatermakers Ika Schwander en Judith Engelen verbinden het verhaal van Romulus en Remus met de ervaringen van KOPP-kinderen (kinderen van ouders met psychische of afhankelijkheidsproblemen). Met beeldende vindingrijkheid maakt de Eigen Kweek-voorstelling Howl Baby Howl een complexe realiteit invoelbaar: hoe zorg je als kind voor je ouders en blijf je hen ook graag zien?
Het decor is kaal; geen opsmuk, weinig attributen. Wie eerder al een voorstelling van Ika Schwander zag weet dat op een dik uur tijd veel beelden en personages de revue passeren in die leegte. Maar voor nu dus: een grote witte cirkel links aan de achterwand, en een klein, rond zilveren plateau in het midden.
Engelen wandelt tot vlak bij het publiek en vertelt over een kind, een meisje dat op de trappen zit van wat vermoedelijk haar ouderlijk huis is. Al meer dan een half uur zit ze daar op haar knieën met haar gezicht naar de voordeur gericht. Engelen zou het meisje redden: ‘Ik beeldde me in dat ik haar aansprak. “Ça va, ma pauvre? Qu’est-ce que tu fais là?”’ Ze zou aanbellen. Ze zou de ouders van het kind tot de orde roepen. Steeds sneller, steeds woedender spreekt ze. Ze zou het kind over haar schouder gooien en wegrennen. Ze zou haar zeggen dat er een beter leven zou komen, ver weg van de monsters die haar ouders zijn. Ze raast tot er een kreet klinkt.
Linksachter verschijnt de volle maan. Rook uit een rookmachine, gehuil, luide noise. Schwander komt op met haar benen op stelten in de voorpoten van een enorme opblaaswolf. Als een zwijgende wolfcentaur wiegt ze over het podium.
Wolven zijn belangrijk voor deze voorstelling, meer bepaald de wolf die de achterkleinkinderen van Aeneas zoogde en opvoedde: Romulus en Remus, geboren uit Rhea Silvia en volgens de legende verwekt door de oorlogsgod Mars. Zo leest de technieker van dienst op Engelens vraag af van de Wikipediapagina die hij op de maan projecteert. Aannemelijker is echter dat Rhea Silvia verkracht werd door een doodgewone man en vervolgens Mars aanduidde als vader van haar kinderen, omdat dat eerbaarder is dan kinderen die afstammen van een anonieme zedendelinquent.
Toen Rhea werd opgesloten (de reden daarvoor wordt niet genoemd, en Rhea heeft zelf geen Wikipediapagina die het ons kan vertellen) werd de tweeling opgevangen door een wolf. Al kan het net zo goed zijn dat het Latijnse ‘lupa’ hier voor ‘sekswerker’ staat en de kinderen dus werden grootgebracht door een gewone vrouw. ‘Misschien een doodnormale vrouw die zich ziek voelt, die te moe is om voor de tweeling te zorgen, die pijn heeft en het probeert maar eigenlijk niet zo goed weet hoe. Wolvinnen worden gezien als gevaarlijke dieren maar staan evengoed bekend om hun toegewijd moederschap.’ Dat laatste leest de technieker allang niet meer van Wikipedia af.
In die cocktail van gevaar en toewijding speelt het leven van menig KOPP-kind zich af. Kinderen van ouders met psychische of afhankelijkheidsproblemen zijn met veel: jaarlijks zo’n 350.000 in Vlaanderen. Dat zijn ongeveer zes kinderen in een gemiddelde klas van twintig.
“Wat moet je met een moeder die zoog- én roofdier is, met een ouder die van je houdt én al je kindergrenzen plattrapt?”
Howl Baby Howl beeldt meesterlijk uit in welke complexiteit KOPP-kinderen opgroeien. Hoe balanceer je als kind op de grens tussen ouder spelen wanneer het nodig is en kind spelen wanneer het net zo nodig is? Wat moet je met een moeder die zoog- én roofdier is, met een ouder die van je houdt én al je kindergrenzen plattrapt? En hoe kaart je als omgeving aan dat er iets niet helemaal pluis is, dat er geen concreet misbruik is, maar dat er iets wringt? Dat je getuige bent van ‘een bepaald ongemak, onverantwoordelijk gedrag misschien, maar geweld, nee, dat niet’, aldus de bezorgde herder (Engelen) die met een bijzonder hoog stemmetje aangifte komt doen nadat hij Romulus en Remus bij hun wolfsmoeder in het gras zag liggen.
Intussen hangt de opblaaswolf uit de openingsscène aan het plafond, zonder Schwander erin. Leeggelopen, louter huid. Alleen wanneer Engelen op een kinderstoeltje klimt om haar poten aan te raken, zwelt de moederwolf weer tot haar ware, majestueuze grootte. Ze drinkt de wolf leeg, laat haar opnieuw verschrompelen, legt haar hand op de poot, tot het leven weerkeert. Tot ze er genoeg van krijgt. Wie loopt hier het meest risico verslonden te worden, vraag je je als publiek af: het weerloze roofdier met het lichaam dat tot aan de grens van het bestaan blijft voeden en zorgen? Of het kind dat het wolf-zijn met de moedermelk binnenkreeg en straks moet overleven in een wereld waarin wolven niet voor kinderen mogen zorgen?

© Eva Michiels
Howl Baby Howl maakt gebruik van elementen waarvan we in tijden van minimalistische ensceneringen en monologen soms vergeten dat ze het theater eigen zijn: een veelheid aan personages die allemaal een eigen stem en accent krijgen, indrukwekkende kostuums die soms hooguit één minuut in beeld komen, licht waarvan je hoofdpijn krijgt, muziek die loeihard de ziel uit je lijf trekt. Het doet deugd: theater dat niet de woorden, maar een sensorische totaalervaring centraal stelt. Theater dat niet de maker, maar het gemaakte centraal stelt.
“Het doet deugd: theater dat niet de woorden, maar een sensorische totaalervaring centraal stelt. Theater dat niet de maker, maar het gemaakte centraal stelt.”
Over wie het precies gaat in deze voorstelling is niet duidelijk (over zes kinderen in een gemiddelde klas, maar niet over één bepaald persoon, ook niet – of in ieder geval niet expliciet – over de makers zelf). En dus werken de makers niet met documentair materiaal wanneer ze een kind aan het woord laten, maar met een geprojecteerde AI-avatar. Twee keer komt het kind aan het woord. De eerste keer wanneer Engelen met een stemvervormer de perfecte imitatie van een Vlaamse prepuber levert: ‘Ze staan in een kring. En die roepen altijd dingen naar elkaar. En die hebben scheve tanden. Het zijn altijd die tanden die hen verraden.’ Het kind hoort niet langer tot de groep van de verschoppelingen, zegt ze, ze kust haar vrienden op hun spierwitte tanden. Trekt ze uit hun mond en neemt ze mee naar huis. Slikt ze stuk voor stuk in. ‘Mama zegt dat ik dat morgen wel zal gaan voelen.’ De scène doet denken aan ‘tandwolf’, een oude volksnaam voor tandbederf. En tandbederf is dan weer een verklikker van sociaaleconomische problemen.
Later in de voorstelling is het Schwander die haar Nederlandse accent leent aan de avatar. Ze lijkt een heel ander verhaal te vertellen – over haar moeder die bij de buurman op bezoek gaat en zijn kale schedel kamt, over de chipssoep die haar moeder brouwt van vier soorten chips en die ze voor de televisie drinken als avondmaaltijd, over hoe ze volgens haar moeder ‘het àllerdomste meisje op aarde’ is. Langzaam gaat de vervormde stem van het kind over in Schwanders normale stem, als om aan te geven: dit verhaal gaat dóór, ook nu nog, nu het kind volwassen is en een voorstelling maakt. Of het kind nu eerst chipssoep dronk en daarna schone tanden kreeg, of omgekeerd, of het nu een heel ander kind is, of niet. Het maakt weinig uit: je kan de tand wel uit de wolf halen, maar de wolf niet uit de tand.

© Eva Michiels
Misschien is het een ander verhaal. Misschien is het deel van hetzelfde verhaal dat Engelen vertelde; een andere episode uit een onberekenbaar leven. Zeker is dat de grenzen vervagen: de grenzen tussen de twee spelers die fysiek op elkaar lijken, en de grenzen tussen de personages die ze vertolken (moeders, wolven, kinderen, juffen). Met die grensvervagingen geven ze niet alleen de voortdurende modus weer van veel ouders met psychische problemen en de wisselende ouder-kind rol van KOPP-kinderen. Ze verbeelden er ook de harde realiteit van generationele belasting mee: kind wordt ouder wordt kind. Het is een heftige waarheid waarmee de voorstelling afsluit: ‘Het is erfelijk, dat heb ik een keer ergens gelezen en altijd onthouden. Of het slaat een generatie over, dat kan ook, dat zou nog erger zijn.’
“Het repetitieve hinkelspel ontdaan van elke variatie en elk plezier toont vooral de bodemloze vermoeidheid van als kind vermomde ouders.”
Stampende, schreeuwende muziek. Engelen en Schwander voeren een hinkelspel uit, hand in hand, met uitgestreken gezichten en hun identieke tweelingoutfit met glinsterjeans. Ze voeren een hinkelspel uit, maar hier is niets speels aan. Het repetitieve hinkelspel ontdaan van elke variatie en elk plezier toont vooral de bodemloze vermoeidheid van als kind vermomde ouders. Terwijl de snerpende muziek de fysieke nervositeit in stand houdt, vindt op het podium een tijdelijke vrede plaats tussen twee blonde vrouwen die elkaar omhelzen.
Nog één keer komt de puber-avatar terug. Ze zingt ‘It’s the end, friend of mine’ met de wondermooie stem van Sybille Baier. Komt er een eind wanneer de herder met zijn gehakkelde getuigenis een politioneel onderzoek in gang zet? Komt er een einde wanneer een kind een ouder achterlaat tussen een stapel lege flessen? Kan er een einde komen aan nooit kind zijn? Kan er een einde komen aan de liefde tussen een ouder en een kind? Waarschijnlijk zijn er dingen die eindigen en dingen die voor altijd doorgaan. Voor antwoorden moet je Howl Baby Howl niet zien. Voor al het andere absoluut wel.
De speellijst van Howl Baby Howl vind je hier.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.