© Yuri van der Hoeven

Leestijd 7 — 10 minuten

Europese man, een kroniek – Carl von Winckelman

Hopen op een vis met pootjes

Met Europese Man, een kroniek schreef Carl von Winckelmann een toneeltekst (2023) die het grote en het kleine verbindt. Aan de hand van zijn eigen stamboom brengt von Winckelmann een historiek van ‘vaders’ in beeld: van de dominante kolonisator tot het getraumatiseerde oorlogsslachtoffer aan de keukentafel. Samengevat: de mens, teruggebracht tot het gevolg van andermans keuzes. Gelukkig is daar ook het perspectief van zijn dochter, dat dit genadeloze determinisme openbreekt. In het kader van Spakespeare is Dead, het festival voor nieuwe toneelschrijfkunst in Leuven, laat Evelyne Coussens haar licht schijnen op de dramatische kwaliteiten van de tekst die vorig jaar genomineerd werd voor de Toneelschrijfprijs.

‘Friedrich Schiller is een lul.’ Met een vermakelijke petite histoire over de grote Duitse dichter die zijn achttiende-eeuwse voorvader een geliefde afsnoepte, trapt von Winckelmann Europese Man in gang. Deze voorvader, Franz Carl, zou na de mislukte romance de wijk nemen naar wat vandaag Indonesië is, als Duitser in dienst van Nederlandse handelaren. Hij is de scout, de durfal, de eerste vis met pootjes die beslist aan land te gaan en aldus de evolutiegeschiedenis (van witte, westerse mensen) een kwartslag laat keren. Franz’ zoon Abraham zal een ‘inlandse’ vrouw nemen, waarna het pikzwarte haar verschijnt in de vrouwelijke familielijn, tot zes generaties later, wanneer de Vlaamse auteur en theatermaker Carl von Winckelmann – Duitse naam, Aziatische gelaatstrekken – plots een dochter krijgt met blond haar.

Met zijn gelaagde tekst neemt von Winckelmann de lezer mee door tijd en ruimte, en niet lineair: we zijn tegelijkertijd 150 miljoen jaar voor Christus, we zijn in Schillers tijd, we zijn in dit millennium. We zijn in Nederlands-Indië, we zijn in Nederland, we zitten in de woonkamer van von Winckelmanns hoogbejaarde vader, waar een beambte van de ‘commissie voor oorlogsgetroffenen afdeling jongenskampen’ de man diens laatste herinneringen aan de jappenkampen komt ontfutselen. We kijken voortdurend door een ander paar ogen: die van de auteur, die van zijn (voor)vader(en), die van zijn dochter. Het zorgt er in de eerste plaats voor dat von Winckelmanns vertelling iets zachts krijgt, iets gelatens misschien – ondanks de onverbloemde koloniale gruwelijkheden die de revue passeren. De verteltoon is observerend, niet veroordelend, von Winckelmanns stijl ondramatisch droog:

opeens slaat een blanke opzichter een inlander
met een stok
van op zijn paard
vol op de rug
de opzichter stapt af
tok tok tok op de kop
van de werkman tot die stopt met lucht happen

De feiten zijn wat ze zijn. Aan de lezer om er iets bij te voelen.

Dat voelen dringt zich op, ontstuitbaar, juist doordat von Winckelmann zo terughoudend is met zijn woorden, zo dienstbaar aan het kijken. Hoe een kind in het jappenkamp achteloos wordt vermoord met een steen. Hoe von Winckelmanns dochter net zoals haar opa vingers haar vingers naar achteren kan plooien tot aan haar pols – “Zij is een echte Indo”, zegt de grootvader. Hoe von Winckelmanns vader zijn waardigheid tracht te behouden in het kamp:

mijn papa ziet: wie zich niet meer wast gaat dood
hij legt zijn kleren ‘s nachts onder zijn rieten matje
zo zijn ze ‘s ochtends gestreken
met een plooi vooraan in de korte broek
zoals de stamvader Franz Carl het zou doen

Elke scène, elke anekdote heeft hetzelfde, kalme gewicht, staat in een nevenschikking naast elkaar. Het leven bestaat uit een aaneenschakeling van gebeurtenissen die in von Winckelmanns taal geen bijzonder reliëf krijgen. Dat dit niet eentonig wordt, maar juist spannend, komt doordat von Winckelmann de gebeurtenissen zelf op een schitterende manier doorcomponeert. We springen van hier naar daar, van toen naar nu, en telkens weet von Winckelmann via betekenisvolle details aan te tonen hoezeer een vlinderslag in de geschiedenis (die ene vis die aan land kruipt) een kettingreactie veroorzaakt aan gevolgen, tot in de persoonlijke levens van hele generaties vaders. Het intieme verweeft zich moeiteloos met het historische. We krijgen niet alleen een haarscherp beeld van de manier waarop kolonialisme doorwerkt in kapitalisme en racisme, maar ook van de manier waarop zonen wanhopig zoeken naar de goedkeuring van hun vader. Wanneer in 1953 de Nederlandse dijken breken, krijgen de ‘Indo’s’ de schuld. von Winckelmanns vader wordt belaagd op de tram. Kleine jongens herhalen wat ze zelf in de oorlogsjaren ervoor hebben gezien. Tegelijkertijd werkt het geweld binnenshuis. Een zoon dekt de plaats van zijn vader aan tafel niet meer in, terwijl de man nog niet eens dood is. “We kunnen maar beter wennen”.

Er wordt geteld in vaders, zeven vaders op een rij, maar waar zijn de moeders? En de dochters? Het doet deugd om te merken dat von Winckelmann zelf deze lacune aan personages in zijn kroniek bemerkt, en benoemt. De inlandse vrouw van Abraham Franz wordt bezwangerd en vervolgens “geschrapt – af”. In de rest van de kroniek krijgt geen enkel vrouwelijk personage nog een deftige rol, op von Winckelmanns dochter na. Dat zij de voorlopig laatste in de lijn is, en daarmee brug naar de toekomst, lijkt een bewuste poging van von Winckelmann om deze mannengeschiedenis bij te sturen. Door de hele kroniek heen gebruikt von Winckelmann overigens de metafoor van het toneel. Hij voert zijn voorvaderen op als personages, hun levensverhaal gefictionaliseerd, hij kruipt in hun huid als de acteur die hij in werkelijkheid ook is (“Ik beeld mij in. (…) Ik heet nu Ernst Philip.”) Hij doet dit in het volle bewustzijn over de kracht van fictie als identiteitsvormende (en soms: levensreddende) constructie. In de eerste plaats schrijft hij dit verhaal immers voor zichzelf, deze Vlaamse theatermaker met de Duitse naam en de donkere ogen, op zoek naar een identiteit die woorden moet krijgen, want “Je bent wat je vertelt.”

Hier situeert zich de kern van von Winckelmanns pijn, de motor voor zijn schrijven. Er is geen naam voor wat hij is, voor wat zijn vader is. Als kind wordt von Winckelmanns vader, nochtans gerepatrieerd als Nederlander, “voor het gemak” bij de Marokkanen gerekend. von Winckelmann zelf is “niets half en alles half”. Een onbepaald lichaam dat ruimte inneemt in een samenleving die houdt van eenduidigheid. Terwijl: “Geef iets een naam en het is van jou”. Dit is wat von Winckelmann doet met zijn titel: zichzelf en zijn vader een plaats geven binnen een meerduidige identiteit. Dat onbepaalde ‘Europese man, zonder lidwoord, is een ode aan de vloeibaarheid: hij is niet dé Europese man, zelfs niet ‘een’ Europese man. Zo simpel is het niet: “Het gevaarlijkste ding in de wereld is de belofte van een eenvoudig verhaal”. In Vertel van je pijn, niet te complex aub (De Groene Amsterdammer, oktober 2025) schrijft journalist Rasit Elibol over het werk van de Amerikaans-Vietnamese auteur Việt Thanh Nguyễn. Nguyễn onderzoekt in zijn essays wat het het betekent om gelezen te worden als ‘de ander’. Anders-zijn krijgt pas waarde als het als herkenbaar trauma wordt verpakt, als de ander duidelijk slachtoffer is en diens pijn leesbaar, behapbaar. Zonder morele ruis.

© Yuri van der Hoeven

Europese man, een kroniek geeft niet toe aan deze roep om een eenduidig/eenvoudig verhaal. De voortdurende perspectiefwissel verhindert dat simpelweg. Af en toe weten we niet meer welke voorvader nu eigenlijk aan het woord is, want de zonen zijn niet vrij van de perspectieven (en de schuld) van hun vader(s). Op het eerste gezicht lijkt Europese man, een kroniek door die herhaling een ‘bewegingloos’ en dus deterministisch verhaal van koloniseren en kapitaliseren, van geweld bovenop geweld, van revolutionairen die even erg zijn als bezetters. Vader boven vader: autoritair zijn ze allemaal. Maar gelukkig glipt daar, door tijd en ruimte heen, die tweede kleine vis, die haar pootjes op nieuwe grond durft te zetten. In het stem geven aan zijn zesjarige dochter zie je dat de auteur von Winckelmann wankelt, het is niet evident om haar binnenwereld geloofwaardig in taal te vatten. Maar desondanks beklijft zij als personage het meest. Dankzij het pijnlijke graafwerk van haar vader zal zij misschien, hopelijk, anders in het leven staan, of leven in een hopelijk andere wereld, waarin meerduidige, vloeibare identiteiten niet de uitzondering zijn, maar de norm. En waarin de keten van intergenerationeel geweld tot stilstand komt.

ik geloof dat ik een verschil kan maken
ik geloof dat een nieuw leven nu begint


Met Europese man: een kroniek werd Carl genomineerd voor de Toneelschrijfprijs 2025. Op 10 juni wordt tijdens het festival Shakespeare is dead, festival voor nieuwe toneelschrijfkunst, een reading gedaan van de Engelse vertaling van de tekst.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

#182

15.04.2026

14.09.2026

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!