©Charlotte Daniëlse

Leestijd 20 — 23 minuten

‘Hoe ver kunnen we gaan?’

In hun werk verweven en onderzoeken Julie Cafmeyer en Charlotte Van den Broeck fictie en realiteit. Julie Cafmeyer in haar debuutroman De collectieve inzinking van de familie Hofmeyer (2024) en haar voorstelling De Meeting (2025), Charlotte Van den Broeck met haar boek Een vlam Tasmaanse tijgers (2024). Catho De Cordt spreekt hen op een boogscheut van de Antwerpse zoo, over levenslustige narratieven en luisterende protagonisten, de erotiek van het plantenrijk en het belang van dingen met rust laten.

Kennen jullie elkaar? Ik krijg de indruk dat er gelijkaardige thema’s in jullie werk schuilen.

Charlotte Van den Broeck: Het is grappig dat je dat zegt, want ik denk dat we een heel ander temperament hebben, een heel andere werkwijze ook. Toch voel ik die connectie ook heel erg, eigenlijk al sinds we een aantal jaar geleden een eerste keer samen in gesprek gingen.

Julie Cafmeyer: In het werk van Charlotte kom je altijd in een totaal nieuwe wereld terecht. Een wereld die radicaal anders is. Dat is wel iets dat Charlotte en ik gemeen hebben, denk ik. Ook het obsessieve dat in jouw werk zit, en dat bedoel ik op een goede manier, vind ik herkenbaar.

Van den Broeck: Klopt. In het scheppen van nieuwe beelden ontwaar ik in jouw roman ook een connectie. Oké, we zitten hier met al die paradigma’s, maar wat kan een vrouwelijk leven nog allemaal zijn? Of: hoe kunnen we die verhalen vermeerderen, vermenigvuldigen, of meer vanuit verbeelding daar iets tegenover zetten? Ik vind dat heel inspirerend.

Het prikkelendste van de leeservaring van jouw boek was voor mij, en dat bedoel ik in de meest positieve zin van het woord, het kinderlijke redeneren waarbij het ene beeld het volgende beeld genereert. Niet weten waar het uitkomt, de verbeelding haar koers laten varen. Dat flirt met het groteske, en dat groteske drukt voor mij een levenskracht uit. Het leest ook heel snel. Misschien spreekt zelfs nog meer uit het ritme dan uit het verhaal een vitaliteit.

Cafmeyer: Het is heel leuk om te horen dat je de levenslust opmerkt. Het was mijn debuutroman, en de vraag drong zich op hoe ik een manier van schrijven kon vinden die een explosief verlangen uitdrukt. Al moet ik eerlijk zeggen dat die snelheid misschien ook getuigt van een gêne van mij om ruimte in te nemen. Dat was tijdens het schrijven zeker een angst. Misschien heb ik nu wel meer durf om mijn stem te laten horen.

‘MAG ER WOEKERING ZIJN?

Nochtans drukt je roman een vervreemdende onafhankelijkheidsverklaring uit. Liggend in het gras, drijvend op het water, zijn de vrouwen klaar om hun positie in het gezin en de maatschappij te bevragen en bevechten.

Cafmeyer:  Ze verzetten zich tegen de maatschappelijke dwang om je lichaam als vrouw te laten renderen. Maar ik was tijdens het schrijven ook gewoon vaak heel kwaad. Ik wilde met dingen breken. Ik wilde ontwrichten. Vragen rond destructie vind ik heel interessant, want mijn eerste reflex is om te denken: ‘Het is toch niet omdat wij vrouwen zijn, dat het altijd over iets goeds moet gaan, iets vitalistisch, dat het aan ons is om de ruïnes van de wereld weer op te bouwen?’

Tegelijk begrijp ik dat er ook een groot engagement zit in oproepen tot rust. Wat de essentie is van jouw boek Een vlam Tasmaanse tijgers, Charlotte. Jij onderzoekt hoe we ons kunnen verhouden tot de natuur, tot dieren. Hoe ga je om met iets wat misschien nooit meer terugkomt? En hoe sta je als vrouw in dat avontuur? Ik denk aan de scène waarin je bang bent in die tent. Dat vond ik zo cool om te lezen, want het toont onder meer dat het helemaal anders is om als vrouw in dat landschap te zijn dan als man. De genderdimensie is op een heel subtiele manier in je boek verweven. Toch kan de lezer er niet omheen.

Collage: Lena Vande Veire

Van den Broeck: Ik denk dat een feministisch perspectief in mijn denken altijd met deconstructie samengaat. Met het ontmantelen van bestaande aannames en van daaruit verder denken om tot nieuwe beelden te komen. Bij jou, Julie, gebeurt dat misschien simultaan — gaan constructie en de destructie hand in hand? En daarin zit natuurlijk ook een snelheid.

Mag er woekering zijn? Mag je uit een vorm breken? Tasmanië is een van de laatste plekken op aarde die nog ‘wildernis’ heeft, de laatste stukjes koel gematigd regenwoud. En dat wordt dan extreem begrensd in nationale parken. Je moet een soort drempeltje over, en dan betreed je de wildernis, wat eigenlijk totaal tegenstrijdig is met het concept van … wildernis. In jouw boek vond ik daar een spiegel voor bij het personage van de vader. Iemand die zich in die vrouwelijke omgeving begeeft via zijn dochters en vrouw, die een belangrijke rol in zijn leven spelen. Maar hij is ook met die tuin bezig, met het laten groeien en begrenzen. Die beklemmende vorm zit overal in. Dat is iets heel subtiels, de keuze van zijn beroep als tuinarchitect, maar een zeer intrigerende keuze.

In mijn werk, zowel in mijn poëzie als in Een vlam Tasmaanse tijgers, ben ik geïnteresseerd in landschapsbeschrijvingen en de female gaze. Wat is het potentieel van het relationele ten opzichte van de natuur, in plaats van het puur observerende? Er is ook een zeer diepgeworteld beeld van de vrouw als zou zij vanzelfsprekend verbonden zijn met de natuur door onder andere het moederschap. En daar tegenover dan de vader, die de tuin gaat vormgeven, dus eigenlijk de natuur gaat bedwingen, dat vond ik qua symboliek zeer goed gekozen.

‘Kan je in het mysterie van mijn toekomst geloven met dezelfde vastberadenheid die je in je eigen levensweg legt?’ vraagt Julie in De collectieve inzinking van de familie Hofmeyer aan de vader.

Cafmeyer: Dat sluit ook aan bij dat maatschappelijke patroon en het verzet daartegen. Dat ouderlijk huis, de pater familias, de gesnoeide hagen. Allemaal goed, maar je kunt er nooit eens gaan liggen want er is altijd werk. Er moet geld in het laatje komen, dat huis, die tuin vragen om onderhoud en bovendien is alles voorzien op een kind dat er maar niet komt. Er is voortdurend die dwang, die angst voor het gewoon zijn. Terwijl, wat ik persoonlijk echt erotisch vind, is ontspanning. Iemand die rustig is. Iemand die durft te liggen en niks doen.

“Als ik Charlotte zo over het plantenrijk hoor spreken, dan lig ik al tussen die planten. Het doet me deugd dat die werelden worden opgeroepen.”
— Julie Cafmeyer

De vraag was dus in hoeverre je het leven kunt blijven uitstellen in zo’n perfect gesnoeide omgeving — met een voortdurende beweging tussen woekeren en trimmen. Die vraag gaat ook over uitstel: in de expressie van verlangen vind ik het interessant om twijfel en vergissing toe te laten. Het niet weten, het de hele tijd schipperen. Dat draait voor mij rond de vraag: hoe ontwikkel je een nieuwe, bredere erotische taal?

Fictie als bewegingsruimte waar ons begrip van erotiek kan vervormen?

Van den Broeck: We kunnen eros als een seksuele ruimte zien, als iets van het menselijk lichaam. Maar we kunnen het ook breder zien. Hoe is eros aanwezig rondom dat lichaam? In het plantenrijk bijvoorbeeld komen erotiek, agressie, machtsrelaties, vruchtbaarheid en verval samen. Ik vind die gelaagdheid en dat impliciete leuk om een erotische ruimte te creëren waarin je je verbeelding kunt laten bewegen.

Cafmeyer: Als ik Charlotte zo over het plantenrijk hoor spreken, dan lig ik al tussen die planten. Het doet me deugd dat die werelden worden opgeroepen. Een vlam Tasmaanse tijgers stelt de vraag: wat als je in een wereld iets met rust kunt laten? Het boek laat op een liefdevolle manier veel ruimte voor het ongrijpbare. In die onzichtbare werelden, die je niet moet bezitten of controleren, daar zit voor mij een erotische kwaliteit.

Als het over het ongrijpbare gaat, ga ik van de Tasmaanse tijger naar de eicellen springen. In mijn boek zitten bepaalde zaken die in mijn leven ook gebeurden, zoals de vraag van mijn vader om mijn eicellen te laten invriezen. Ik vond dat een ongelooflijke vraag. Hoezo kan dat? Het niet-weten op zo’n momenten is voor mij juist heel goed, daar zit ook een potentieel tot overgave in.

“Wat betekent het om nee te zeggen tegen bepaalde narratieven? Nee tegen doorgedreven productiviteit, nee tegen alles kapitaliseren. Wat als personages iets gewoon níét doen?”
— Julie Cafmeyer

Het beeld van de muis die uiteindelijk de gekloonde Tasmaanse tijger zal baren, dringt zich bij mij op. Als het gaat over de natuur met rust laten, is dat het tegenovergestelde.

Van den Broeck: Absoluut. Dat is de opzet van het boek. Je als mens op de achtergrond plaatsen, niet passief, maar juist om aandacht te genereren voor wat rondom ons leeft en van daaruit betekenissen te verbreden. Ik vind wat je zegt heel inspirerend, Julie, om in je leven niet altijd over alles beslissingen te nemen.

“Als het werk niet betrokken is, is het dan wel werk? En misschien vind ik betrokkenheid een veel empathischer woord dan activisme.”
— Charlotte Van den Broeck

Ik voel een subtiele maar besliste systeemkritiek in jullie werk. Kunnen we het woord ‘activisme’ gebruiken?

Cafmeyer: Wat betekent het om nee te zeggen tegen bepaalde narratieven? Dat vind ik een boeiende vraag. Nee tegen doorgedreven productiviteit, nee tegen
alles kapitaliseren. Wat als personages iets gewoon níét doen? Als ze iets niet zeggen, onzichtbaar laten. Of als ze iets niet kunnen, en dan denk ik aan Charlottes boek Waagstukken (2019). Je kunt de narratieven centraal stellen die draaien rond de vraag: wat als iets niet lukt? Wat als we iets niet kunnen?

Van den Broeck: Ik heb het moeilijk met het begrip ‘activisme’ met betrekking tot mijn werk, omdat het zo beschouwend is. Ik associeer ‘activisme’ met daden en handeling. Tegelijk denk ik niet dat ik iets zou kunnen schrijven dat niet activistisch is, in de zin dat het niet betrokken zou zijn op de wereld. Ik denk dat je als schrijver altijd een engagement aangaat met een thema en met de wereld rondom jou, met jezelf en met de andere mensen. In wezen denk ik dus dat schrijven altijd activistisch is. Als het werk niet betrokken is, is het dan wel werk? En misschien vind ik betrokkenheid een veel empathischer woord dan activisme.

Mijn werk gaat heel erg over welke functie verhalen kunnen spelen: schrijven gaat voor mij altijd gepaard met een nadenken over schrijven. Omdat iemand die verhalen maakt part of the problem is. Een deel van de oplossing ligt dan voor mij in het beschouwende.

Collage: Lena Vande Veire

Jezelf niet de hele tijd als een protagonist zien, of tenminste niet als het onderwerp van je eigen verhaal. Maar om je juist luisterend op te stellen, daaruit spreekt denk ik ook een heel anti-mannelijk beeld van de kunstenaar. Kijk naar de generaties schrijvers voor mij. Dat waren toch echt mannen die… veel opiniestukken schrijven, die uitgenodigd worden om hun gedachten te delen over thema’s waar ze niet per se autoriteit in zijn. Ik ben meer geïnteresseerd in het creëren van denkruimte als een creatieve luisteraar dan in de hele tijd standpunten verkondigen.

In je boek merk je op hoezeer de westerse geschiedenis op basis van geweld is geconstrueerd. Enkele zinnen verder schrijf je: ‘Ik ben blij dat ik hier in de zomer ben.’

Van den Broeck: Die scène beschrijft de wandeling die ik in Australië op Cradle Mountain maakte. Daar staan inheemse bomen die er al twee- tot drieduizend jaar zijn. Ik probeerde dat met onze menselijke beleving van tijd en verbeelding te bevatten en de optelsom te maken: die boom staat hier al sinds de val van het West-Romeinse Rijk. En wat hebben wij sindsdien gedaan? We ordenen onze geschiedenis in tijdlijnen op basis van oorlogen, veroveringen, dynastieën, uitvindingen … Verhalen die heel mannelijk zijn, terwijl je ook de verteltijd van die boom kunt hanteren om het menselijke bestaan in kaart te brengen. Je kunt de tijd op een heel andere manier ordenen, er op een heel andere manier over vertellen. Daarnaast merkte ik bij mezelf de reflex om een frivool beeld te schetsen, juist omdat ik er in de zomer was, terwijl het in de winter misschien een totaal ander register zou oproepen, een ander verhaal zou vertellen.

“Ik heb drieënhalf jaar onderzoek gedaan en pas dan ben ik beginnen te schrijven. Er is altijd een punt waarop ik tegen mezelf moet zeggen: stop, nu moet je het doen met wat je geleerd hebt.” — Charlotte Van den Broeck

SCHRIJVEN ALS VERANKERING

Ik wil vragen hoe ze zich verhouden tegenover de intimiteit van een schrijfproces en het zich openstellen naar een publiek, maar Julie Cafmeyer is me voor.

Cafmeyer: Wat is het schrijven voor jou, Charlotte? Hoe werk jij? Is dat voor jou een plek van genot? Ik vraag het omdat ik echt wil weten wat het schrijven voor iemand is. Als schrijver en maker verhoud je je tot praktische dingen als geld en de tijd om te schrijven. Als ik ander werk moet doen, kan dat echt pijn doen aan mijn vel, dat kan trekken. Werken, de was ophangen en weer werken — dan denk ik: is dit nu het leven? Ik kan heimwee voelen omdat ik wil schrijven terwijl dat niet altijd gaat.

Daarom denk ik graag na over de vraag hoe je je als schrijver kunt organiseren. Life Is but a Dream is een tekst die zich niet zozeer inschrijft in de marktlogica van productie in de klassieke zin, omdat ik de tekst gratis uitdeelde, maar in een ander soort van logica. Een logica die eigen is aan je praktijk, die nauw op je praktijk aansluit. Een logica die vertrekt vanuit een drijfveer om te schrijven vanuit levenslust, omdat je niet anders kunt.

“Ik vind dat fictie ver mag gaan. Een voorstelling, een gedicht, een boek mag echt een mep in je gezicht zijn.”
— Julie Cafmeyer

Van den Broeck: En tegelijkertijd is alles wat zich buiten het schrijven bevindt ook het echte leven, doet dat er ook toe. In die zin zie ik het intieme schrijversleven als een basis waarnaar ik kan terugkeren wanneer het leven dat toelaat. De tekst waaraan ik schrijf vormt altijd een rode draad in mijn leven. Dat geeft mij rust en onrust, daarin sluit ik me bij Julie aan. Maar het is de lijm die de dingen samenhoudt, mijn eigen levenskracht. Het verankert mijn geest in de wereld, en mijn lichaam ook.

Collage: Lena Vande Veire

Poëzie is echt plezier voor mij, het wordt ook steeds plezieriger. Het is een intuïtief proces dat ontstaat vanuit klank, de muzikaliteit van taal. Maar mijn non-fictiewerk is heel cerebraal. Voor Een vlam Tasmaanse tijgers heb ik drieënhalf jaar onderzoek gedaan en pas daarna ben ik beginnen te schrijven, wat dus maar een heel klein stukje van dat hele proces is. Er is altijd een kantelpunt waarop ik tegen mezelf moet zeggen: stop, nu moet je het doen met wat je geleerd hebt. Want ik zou eeuwig kunnen blijven zoeken.

Cafmeyer: Een goed personage is dat, een eeuwige zoeker.

Je merkt dat wel aan je boek. Wat een werk was dat, met zoveel liefde. Het is zoveel informatie, er zijn zoveel verschillende standpunten.

Van den Broeck: De eindeloze nuance, daar kan ik me soms in verliezen, ja. Je wordt geconfronteerd met de onmogelijkheid van fictie, want je kunt nooit iets volledig vertellen. Ik heb hier nochtans geprobeerd om niks te verzinnen. Het dier was zo weird dat ik merkte dat als ik dingen begon te verzinnen, alles ongeloofwaardig werd.

Julie stelde de vraag: hoeveel ruimte mag ik innemen? Die vraag hield mij ook bezig. Hoe gedetailleerd mag ik zijn? Hoeveel informatie kan ik geven? Hoeveel onderzoek kan ik de lezer aandoen? Hoeveel is er nodig? En hoeveel verhaal blijft er nog over? Ik merk dat ik mijn eigen positie als verteller ook heel anders aanpak dan in Waagstukken. Ik blijf meer op de achtergrond. Al is het
onmogelijk om jezelf als persoon volledig uit te schakelen. Je blijft altijd een specifiek lichaam dat zich door de ruimte beweegt.

Cafmeyer: Ik vind dat fictie ver mag gaan. Een voorstelling, een gedicht, een boek mag echt een mep in je gezicht zijn. ‘Aandoen’ vind ik echt een goed woord als het over kunst gaat, en over de relatie tussen je werk en de lezer. Ik vind het fijn om een lezer echt iets te durven aandoen. Hoever kunnen we gaan? Dat vind ik een inspirerende vraag.

KWETSBARE TUSSENRUIMTES

Cafmeyer: Zeker als het gaat over thema’s zoals grensoverschrijdend gedrag en machtsverhoudingen, vraag je je onvermijdelijk af: kan ik daar wel iets over schrijven? Mag ik niets fout hebben gedaan om het erover te hebben? Moet ik correct en gehoorzaam zijn, een onberispelijk imago hebben? Dat klopt natuurlijk niet. Het heeft ook te maken met wat het speelveld precies is, en hoever je daarin kunt gaan.

Dat leidt meteen ook naar de vraag hoever de toeschouwer kan gaan. Je voorstelling De Meeting speelt met de reflex van de interpretatie. Door delicate feiten te thematiseren in het theater, wrikt ze ook aan wat theater kan zijn. Ik las dat als een uitnodiging om verbeelding en onzekerheid toe te laten in de gesprekken rond machtsmisbruik en grensoverschrijdend gedrag.

Van den Broeck: Als het over de tussenruimte gaat die Julie in De Meeting oproept, heb ik het gevoel dat het in de wereld vandaag heel moeilijk en beangstigend is om in die tussenruimte te zijn. Omdat er op dit moment heel veel gebeurtenissen zijn die om standpunt vragen, en om radicaal standpunt.

Cafmeyer: Waarover schrijf ik? En wat is het effect? Als het over tussenruimtes gaat, over ontregelen of ergens mee breken, dan was het maken en spelen van De Meeting voor mij een verwarrende ervaring. Je toont een probleem, en aan dat tonen is er misschien niets verzachtends. De vraag is dan of je een oplossing verwacht door je voor het publiek open te stellen.

Maar als je geen openheid voelt in de zaal, dan is naar huis gaan deprimerend. De Meeting is een voorstelling. Alleen als er op die manier naar gekeken wordt, voel je je serieus genomen. Tegelijk is het natuurlijk ook ingewikkeld. De problemen omranden je werk, maar lopen op verschillende manieren ook door in de realiteit.

Van den Broeck: Daardoor wordt er ook geen sluitende conclusie gegeven. Dat vind ik eigenlijk ook heel brutaal. Dat was naar mijn gevoel ook de intentie van je tekst Life Is but a Dream. Het is niet zwart of wit, je hebt iets gecreëerd dat uit verschillende facetten bestaat, zodat mensen misschien die onderwerpen in al hun complexiteit kunnen benaderen. Je mag niet vergeten dat het een extreem kwetsbare positie is om je standpunt open te laten. En dan bedoel ik nog niet eens de kwetsbaarheid van de personen die binnen het dader-slachtofferdiscours worden opgedeeld. Ik weet nog dat ik me zorgen maakte, te midden van de hele polemiek rond jouw tekst. Omdat ik wel voelde dat verbeelding geen deel van het gesprek was.

Hoe verhouden jullie je ten opzichte van het ultraconfessionele register? Schuilt er een herstellend potentieel in de fictie op zichzelf?

Van den Broeck: Dat gaat over de paranoïde obsessie met de vraag wat echt is, en wat niet. Dat merk je ook in die heel grote liefde voor autofictie, die op dit moment de literatuur toch een beetje domineert, zou je kunnen zeggen. Julie, ik weet niet of jij dat misschien ook al meemaakte, maar het is opvallend dat de interviews of de publieksmomenten dan vaak momenten blijken om dieper op de autobiografie in te gaan. Is het echt gebeurd? Hoe speelt dat in je eigen leven? Nog extra informatie uit het eigenlijk al autofictieve boek proberen te krijgen is een valkuil. Alsof het gesprek rond het boek nog confessioneler moet zijn dan het boek op zichzelf al is. Het lijkt heel moeilijk om te aanvaarden dat dingen zich vaak in de tussenruimte tussen de fictie en de autobiografie bevinden. Nochtans is ‘echt’ een problematisch begrip, net zoals ‘fictie’ dat is. Willen we dat alles echt mogelijk is? Dat is iets heel onhaalbaars om te verlangen.

Cafmeyer: Ja, autofictie keert zich op die manier soms tegen de auteur. Ik dacht er deze week nog over na dat autofictie vaak onderschat wordt. Er hangt rond het genre iets van ‘ik heb dit meegemaakt, nu ga ik daar wat franjes aan hangen en klaar’.

Het is net iets complexer dan dat. Voor De collectieve inzinking van de familie Hofmeyer heb ik bijvoorbeeld veel gewerkt met De tweede sekse van Simone de Beauvoir. Ook het werk van Clarice Lispector, Ariana Harwicz en Pauline Peyrade was heel belangrijk voor mij in het schrijfproces. Dat inspireerde mij. Wat is een moeder? Wat is een minnares? Je dialogeert zo hard met al die referenties, dat was bij Life Is but a Dream niet anders. Het is voor mij dus waarachtiger om over autofictie te spreken in termen van een schrijver die zich actief ten opzichte van een traditie plaatst. Daarom vind ik autofictie soms een ietwat onderschattende term, en zal ik die ook niet snel op mijn werk plakken.

Collage: Lena Vande Veire

Uit angst voor de vragen?

Cafmeyer: Juist niet uit angst.

Van den Broeck: Omdat het werk dan weer wordt vernauwd? Want je hebt nu wel net ontsloten dat je vader je dat van die eicellen ook echt gevraagd heeft, maar even reëel, even autobiografisch, is het feit dat jij resoneert met het werk van Clarice Lispector. Even waarachtig is het dat jij Simone de Beauvoir hebt gelezen. De teksten die je leest, de voeding die je krijgt, maken evengoed onderdeel uit van je biografie. En toch lijkt het gesprek dus vaak in de richting te gaan van ‘heeft je vader dat echt gevraagd?

Cafmeyer: Inderdaad. En dan pak je een schrijver al snel op haar zwaktes, in plaats van in te zoomen op het werk dat ze doet, op haar intelligentie die verbanden schept. Zo word je ook vastgezet in een onwillekeurige slachtofferrol, terwijl je werk juist vitaliteit en lust uitdrukt.

Van den Broeck: Wat ik bij autofictie voel, is dat het vaak over confessies gaat. Over iets meemaken en open zijn over je pijn. Wat ook zeer straffe boeken oplevert, voor alle duidelijkheid. Rauwe boeken waarbij geen evidente schrijfprocessen komen kijken, denk ik. Maar er zit ook iets exhibitionistisch aan. Ik ben wel benieuwd naar het tegenwicht — om bijvoorbeeld even expliciet over plezier te spreken. Over de niet-complexe kanten van het leven. Zeker als vrouw.

Nu ik zwanger ben, krijg ik boeken over zwangerschap aangeraden. Rauwe en best angstaanjagende boeken. Daardoor ben ik in een intern conflict verzeild geraakt. Aan de ene kant denk ik: het is zo belangrijk dat deze boeken over de complexiteit van moederschap verschijnen, net als het gesprek errond.

Tegelijk vraag ik me ook af waar de liefdevolle boeken zijn. Er is iets modieus aan spreken over je diagnose en aan kwetsbaarheid, maar vreugde en geluk zijn ook heel intieme gebeurtenissen. Binnen het heersende discours is het ironisch genoeg bijna kwetsbaarder om je vreugde uit te drukken dan om je pijn uit te drukken. Maar herstel, dat gaat ook over samen vreugde en plezier dragen. Dat mis ik in de literatuur vandaag, zonder daarom in een rollenpatroon van de jaren 1950 te hervallen waarbij moederschap alleen maar verheerlijkt wordt.

HOE KAN IK VERDER?

Julie, jij werpt wel een heel ander licht op moederschap en op de kleine baby in de buik.

Cafmeyer: Kijk, ik probeer uiteraard genereus te zijn in mijn werk, maar het is soms ook een manier om verder te kunnen. Als ik thema’s aansnijd zoals (twijfelend) moederschap en machtsverhoudingen tegenover een baas en een vader, dan is de vraag ‘hoe kan ik verder’ een onderlig gende impuls.

Ook bij Life Is but a Dream zat die intentie in de tekst. Hoe kan ik mij als vrouw ten opzichte van een ingewikkelde werkomgeving verhouden? Of: hoe kan ik mij bevrijden van een situatie waarin ik me geïntimideerd voel, waarin mij het zwijgen wordt opgelegd? In mijn roman druk ik de verwarring uit over de verwachtingen die je vanuit familie worden opgelegd. Na het schrijven zijn bij mij bepaalde denkoefeningen ook echt rustiger geworden. Wat mij naar het volgende boek toe heel enthousiast maakt: omdat ik weet dat ik dat heel anders ga doen, maar datje het altijd doet om verder te kunnen. Ik vind dat een hoopgevend idee.

Van den Broeck: Dat zei een collega eens tegen mij, Ingrid Vander Veken, die ondertussen al een grote staat van dienst heeft en met veel verbeelding boeken schrijft. Dat je altijd totaal veranderd uit een schrijfproces komt. Ik had dat voor mezelf nog nooit zo bewust verwoord, maar dat resoneert heel erg met mijn ervaring. Ik weet nog steeds niet hoe ik dat precies moet beschrijven, maar het is inderdaad iets heftigs, om in je leven constant voor verandering open te staan. Om die transformatie telkens opnieuw toe te laten, niet wetende waar je zult uitkomen. Ik denk dat er op dat vlak dus zeker een dialectiek is tussen schrijven en leven. Julie, als je dan vertelt hoe het schrijverschap je in een bepaalde richting heeft gewezen bij fundamentele vragen, dan denk ik: dat vraagt moed en overgave.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

interview
Leestijd 20 — 23 minuten

#180

15.09.2025

14.12.2025

Catho De Cordt

Catho De Cordt studeerde Drama aan het KASK, Engelse Taal- en Letterkunde aan de UGent. Ze is schrijver en maker-speler. Momenteel werkt ze aan haar eerste voorstelling, young girls.



NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!