© Myriam Van Imschoot

Leestijd 23 — 26 minuten

Het werk van de stem

In onze beeldgedreven samenleving wordt de stem al te vaak naar het achterplan verdreven. Ze is in dit tijdsgewricht dan wel aanweziger dan ooit — van The Voice tot sociale media, van autotune tot AI—, maar toch zijn stempraktijken door de decennia heen onderbelicht gebleven. Ook die van Jean-René Toussaint, leermeester en vriend van Myriam Van Imschoot. Met Toussaint als leidraad gaat ze in dit essay op zoek naar een nieuw ‘klankperspectief, een ethischer of utopischer appel voor singulariteit, collectiviteit en relationaliteit’.

Er is iets niet pluis in de mail van Jean-René. Hij zegt het met niet zoveel woorden—ziekte, hoe gaat het met jou, ik hoor dat je kunst goed gaat—maar het klinkt niet goed. Wanneer ik eind maart terugkeer uit Australië, ga ik daarom meteen naar hem toe voor een tête-à-tête in Rotterdam.

Een film speelt zich af wanneer ik uit de metro Coolhaven stap en de weg terugvind naar de zolder waar ik gedurende twee jaar de opleiding Stemwerk volgde. Een striemende wind bijt in mijn gelaat terwijl ik over de brug naar het kadehuis stap. Na een klim op de steile trap, omhelzen we elkaar innig op de overloop. We meten langer dan gewoonlijk de barometer van ons weerzien op.

Op de bank vertelt Jean-Réne rustig, wat in de mail niet geschreven kon worden; hij wordt dement. Het is eruit. Nu gaat het nog wel, maar, en hij wijst naar de ruimte, hij zal de studio sluiten en alleen nog klanten ontvangen voor privésessies bij hem thuis in Den Haag—niemand weet voor hoelang nog. Reizen voor workshops, laat staan om theater te maken, zit er niet meer in. Ik luister open, zonder projectie, zoals ik dat van hem heb geleerd, maar op de terugreis naar Brussel brandt de anticipatiepijn. Het landschap achter het raam schuift voorbij in strepen. Wat betekent het om je geheugen te verliezen, jezelf, je taal en uiteindelijk ook je stem?

“Toen Jean-René Toussaint in de jaren 1980 met een groep doven werkte, ervaarde hij hoe het hele vibrerende, ontvankelijke en responsieve lichaam oor én stem kon zijn.”

De stem is het domein waarop Jean-René Toussaint zijn levenswerk bouwde als acteur, regisseur, denker en therapeut. Een vaak door hem aangehaald sleutelmoment is toen hij in de jaren 1980 met een groep doven werkte: daar ervaarde hij hoe het hele vibrerende, ontvankelijke en responsieve lichaam oor én stem kon zijn. Des te pijnlijker was het dat de doven hadden geleerd hun rauwere keelklanken en hun geaspireerde en meertonige stemmen te verstommen. De geschrokken gezichten van hun toehoorders hadden immers een schok teruggekaatst: dat de stem van de ‘doveman’ abject was, buiten de norm, verwerpelijk zelfs. En dus werd ze in de kiem gesmoord.

De basisbeginselen van Stemwerk zijn in deze werkervaring vervat als in een oerscène. Jean-René zal steeds onderstrepen dat stemmen rijker zijn dan de ‘afgevlakte versie’ die wij ervan hebben gemaakt in de loop van onze cultuurhistorische ontwikkeling, met almaar dunnere spraakprosodieën—een verarming die ook veel geschoolde, uitgestreken zang treft. Bovendien zal hij steevast een waakzame houding aannemen tegenover het latente geweld dat in socialisatie schuilt, en ervoor pleiten dat iedereen een stem heeft die het verdient gehoord te worden. We moeten leren luisteren naar het open boek dat ze is met al haar raadsels en subjectiviteiten, zonder dat ze ooit volledig samenvalt met één vaste ‘identiteit’.

De meeste stemproblemen hebben, volgens Jean-René, hun oorsprong in (ver)oordelend luisteren. Geïnterioriseerde controle leidt tot zelfcensuur en ten slotte ook tot self-harm.

Tegenover het ‘horizontale’ stemgebruik—gericht op betekenisoverdracht, verstaanbaarheid, sociale codering—pleit hij voor de herwaardering van de ‘verticale’ doorleefde en resonante stem, verbonden met impulsen en beweeglijkheid. Wanneer hij voor een primitive voice pleit, is dat niet om terug te keren naar een ongerept primitief verleden, maar om een veronachtzaamd fundament in ere te herstellen.

Antonin Artaud is niet veraf. Fysiek lijken de twee Fransmannen op elkaar, vind ik, maar Jean-René wuifde dat weg toen ik dat ooit opperde. En toch. Beiden hebben frêle silhouetten die een uitsnede in de ruimte kerven waaruit intensiteit oplaait; of ik zie plukjes dof haar rondom verfomfaaide gezichten waarin kinderen en oude wijzen huishouden. Net als Artaud kreeg Jean-René te maken met een vermorzelend ‘medisch apparaat’. Ook hij werd, zij het om andere redenen dan zijn voorganger, op jonge leeftijd gehospitaliseerd. Als survivor van medical malpractice zal hij ook in zijn therapie opgelegde ziektebeelden en diagnoses als dwangbuizen van zich afschudden en die counteren door de singulariteit en zelfbeschikking van de persoon centraal te stellen. Een radicaal open luisteren wordt zijn ethiek, met de stem als richtsnoer. Net zoals bij Artaud is het vooral de eschatologische stem—te horen in de kreten, het roepen, het hijgen, gesis, het kreunen—die een herbezieling kan inluiden, op de rand van taal.

“Stem hoefde niet alleen om prestatie te draaien, maar kon ook een manier zijn van in relatie staan — van resoneren, luisteren, samen trillen.”

Ook resoneert Jean-Renés aanpak met die van Alfred Wolfsohn, de Duitse, naar Engeland uitgeweken zanger die getekend door de oorlog de schreeuw en het uiterste bereik van de menselijke stem tot leidraad maakte. Via hem beïnvloedde dit denken het Roy Hart Theatre, waarin de stem niet beperkt bleef tot zang of tekst, maar een zoektocht werd naar een verruimd register. Andere lijnen lopen naar de collectieve dynamieken van koren, mantra’s en scanderingen in het Living Theatre van Julian Beck en Judith Malina, de stem als ‘orgaan van relaties’ bij The Open Theater van Joseph Chaikin, of het laboratoriumwerk van regisseur Jerzy Grotowski, die via zijn totale lichaamspraktijk de stem onlosmakelijk met aanwezigheid en transformatie verbond.

Hoewel Jean-René deze referenties tijdens zijn onderricht slechts zijdelings aanhaalde, kan hij gerust tot die voice-lijn vanaf de jaren 1960 en ’70 gerekend worden, waar theater, stem, levenskunst, maatschappijkritiek en/of alternatieve therapie in elkaar vallen. Het ging niet alleen om voorstellingen maken, maar om een geïntegreerde belangstelling die de grenzen tussen kunst en leven voortdurend oprekte. Jean-René Toussaints Stemwerk sluit niet alleen bij die avant-gardistische stemtraditie aan, maar schrijft er een geheel eigen hoofdstuk in.

newpolyphonies, Myriam Van Imschoot & Lucas Van Haesbrouck © Beata Szpagarowska

Dat alles flitst door mijn hoofd op de trein naar huis, naast andere, moeilijker te articuleren kwesties. Hoe komt het dat in de geschiedschrijving van de avant-garde de nadruk meer is komen te liggen—zeker sinds de jaren 1980—op de visuele of dramaturgische innovaties terwijl de voice-lijn gaandeweg is gemarginaliseerd, zoniet uitgewist? Is dat geen amnesie waar we collectief aan lijden? Of is het nu eenmaal het lot van klank in een spektakelmaatschappij om dienstbaar te zijn aan het beeld? Wat zegt het over ons theaterbestel dat we nog wel Philipp Glass naast sterren als Isabelle Huppert, Tom Waits en Marina Abramović vermelden in de in memoriams voor Robert Wilson1, maar niet zijn vaste medewerker Hans Peter Kuhn, die dertig jaar innoverende sounddesigns realiseerde? We kennen de imposante taferelen van Romeo Castelluci, maar Claudia Giudi, die bij het gezelschap Societas de deconstructivistische tekstzeggingen en texturen voor haar rekening nam, blijft onderbelicht. Het lijkt wel alsof klank- en stempraktijken meer ondergronds hun invloed verspreiden. Diffuser ook. Maar zijn ze daarom minder reëel en substantieel?

VOCAL TURN

Toen ik in 2011 met Stemwerk van Jean-René Toussaint begon, had ik net de solo Living Archive gecreëerd, een performatief hoorspel op basis van cassettebandjes uit mijn jeugd. Als een verstomde poppenspeler liet ik vintagerecorders de stemmen van anderen en mezelf vertolken, stemmen die ik koesterde en uiteindelijk ook uitdreef. In de openingsscène leverde ik een scrambled speech af als een stukgelopen plaat met glitches. Dat beeld van de ‘spreker’ of ‘voorzanger’ als een ontheemde plek strookte met Derrida’s kritiek op het logocentrisme: in plaats van thuis te komen in de spraak zijn we hoogstens spreekbuizen—niet de oorsprong van betekenis, maar het kanaal waardoor verschil, herhaling en afwezigheid spreken.

Die gedachte vond ik ook terug bij twee van mijn bijbels uit die tijd met, niet toevallig, een buikspreker en zijn pop op de kaft: Steven Connor, Dumbstruck. A Cultural History of Ventriloquism (2000) en Mladen Dolar, A Voice and Nothing More (2006).2 De auteurs leggen het problematische statuut van de stem en haar onzekere herkomst bloot. Connor schetst het diepe wantrouwen dat in de westerse cultuur heerst jegens stemmen zonder lichaam en hun koppeling met macht, van Delphische orakels en buiksprekers tot computerstemmen.3Dolar zag de stem evenzeer als een uncanny object: geen expressief venster op innerlijkheid, maar iets dat balanceert tussen binnen en buiten. Na een lezing in Extra City raakten Dolar en ik aan de praat bij een sigaret op de stoep, en ik nodigde hem later uit naar Voice Day (2009), het sluitstuk van mijn residentie met Kristien Vanden Brande in de Jan van Eyck Academie. Hij zou er nog jaren terugkeren om Lacan-seminaries te geven.

Rond die tijd tekende de vocal turn zich steeds scherper af in de beeldende kunst en theorie. Versterkt door het broeikaseffect van de Jan van Eyck Academie ervoer ik dit scharniermoment als een belofte: een uitnodiging om zich vanuit verschillende disciplines te buigen over de stem als een domein waar tijdsvragen konden worden scherpgesteld. Het prisma was breed en actueel. Binnen dezelfde tentoonstelling konden posities kantelen van ecologie naar community, van juridisch-forensische analyses naar poëtische evocaties. Ik denk aan de koortjestrend waarmee het voor mij begon4, maar ook Mother’s Day (2006) van Smadar Dreyfus, waarvoor Syrische jongeren hun moederdagswensen met soundsystems over de bezette Golan-hoogte katapulteren; de sjamanistische mens-diermutaties van Marcus Coates; en later ook de pushbackgrenscontroles aan de hand van accentherkenning van Lawrence Abu Hamdan. Vormvernieuwing was er bovendien bij de vleet, met invloed van sonic arts, installatiekunst en audio walks, evenals koppelingen met films en videokunst.

Nocturnes for a Society, Myriam Van Imschoot & Lucas van Haesbroeck © Veerle Vercauteren

In de tentoonstelling tijdens Voice Day speelde onder meer de video Shoum van Katarina Zdjelar, waarin een groep Servische mannen met volle overgave ‘Shout’ van Tears for Fears zingt. In het naoorlogse Belgrado, met zijn uitgesproken machocultuur, klinkt deze nogal knullige remake van een wereldhit in gebrekkig Engels als een anthem voor onderdrukte mannelijke gevoelens. Wie zingt wat, en welke boodschappen seinen we door? Kan een liedje een cover zijn voor politieke onrust en collectieve pijn?

“Als kind was ik altijd al gevoelig voor klank. Ik had een spraakgebrek. Ik kon de intense gedachtestroom in mijn hoofd niet overzetten naar mijn tong.”

In de podiumkunsten zijn er zeker parallellen te trekken. Terwijl Jérôme Bel rond 2000 nog popmuziek had ingezet in een ‘kale’ semiotische esthetiek, begon een nieuwe generatie choreografen en performancekunstenaars muziek als affectieve breekijzers binnen te halen met bravoure en pathos. Zingende samplemachines verenigden probleemloos het meesterlijke en het monsterlijke, zoals de counter-diva in de bodyart-drag van Ivo Dimchev (Lili Händel, 2004), waarin elke spierspanning verklankt wordt. Helemaal door het dak gingen Trajal Harrell, Cecilia Bengolea, François Chaignaud en Marlene Monteiro Freitas in Mimosa (2011), met hun flamboyante vogueing en vanonder het stof gehaalde hits vol poses van gespeelde bekentenis.5 Mimicry en mockery lagen er dicht bij elkaar.

Niet toevallig verscheen in die tijd het televisieformat The Voice (2010) in volle primetime, waarbij de jury met de rug naar de kandidaat zit (het oor boven het oog). Ook dit fenomeen—de opvolger van Idool—behoorde tot dezelfde culturele golf waarin de stem opnieuw het podium opeiste. Streamingplatforms als YouTube en Spotify maken de stem alomtegenwoordig in oneindige circulatie en gepersonaliseerde afspeellijsten—on demand, gedeeld, geremixt, tegelijk intiemer én massaler dan ooit. Digitale effecten als autotune, granulaire bewerkingen en compressie lieten stemmen klinken alsof ze volledig kneedbaar waren: plooibaar naar elke maatstaf van perfectie of gewilde vervorming.

Voor een jonge kunstenaar die haar eigen stem zocht—letterlijk en figuurlijk—waren dit ongetwijfeld boeiende tijden, dobberend in een uitdijende oceaan van losgeweekte stemmen die uit telefoons, iPods en computers lekten. Maar de ogenschijnlijke diversiteit bracht ook een auditieve verschraling met zich mee—denk maar aan de voice-trends dieons door preference-algoritmes almaar meer door de strot werden geduwd. Nog nooit klonken stemmen zo kundig, exposed en voorspelbaar. De criticus Mark Fisher zou dit gesloten circuit in zijn gelijknamige boek benoemen als capitalist realism (2009). Voor de valkuil van virtuositeit had filosoof Paolo Virno al gewaarschuwd in A Grammar of the Multitude (2004). Wanneer elk gebaar—elk geluid, elke expressie—op voorhand publiek wordt en zijn waarde ontleent aan zichtbaarheid, dreigt de daad zelf leeg te lopen. Virtuositeit, zegt hij, is performatief maar zonder eindproduct; ze schittert maar verteert zich in haar eigen schittering. In die zin is ze een uithollend spiegelbeeld van onze tijd: indrukwekkend maar ook vermoeiend, een oefening zonder rustpunt.

Kortom, ik voelde een gemis. Iets knaagde. Dit was niet het klankperspectief waarnaar ik zocht. Ik verlangde naar een ethischer of utopischer appel voor singulariteit, collectiviteit en relationaliteit. Stem hoefde niet alleen om prestatie te draaien, maar kon ook een manier zijn van in relatie staan—van resoneren, luisteren, samen trillen.6 Zocht ik daarom Jean-René Toussaint op?

DE WEG VAN HET LUISTEREN

Hier ligt het voor me, mijn groot dik notitieboek Stemwerk met theorielessen, oefeningen en aantekeningen op de inmiddels vergeelde bladen.

De eerste pagina’s komen me te keurig voor. Het afgemeten handgeschrift staat bol van goede intenties, maar ook van waakzaamheid. Blijkbaar was ik op mijn hoede om met een goeroe te maken te krijgen. Er lopen er wel meer rond die met valse beloftes zwaaien om je ‘ware’ stem te vinden. En je zou versteld staan hoeveel geld sommigen willen neertellen om overtonen te leren of diepe mongoolklanken te rochelen. Rond de stem leeft een markt van zelfhulp, spirtuele make-overs en extractivisme van skills.

“Bewonderenswaardig is dat Jean-René nooit afbreuk doet aan de radicaliteit van zijn methodes, maar ook niet bitter is over de marginaliteit van zijn positie.”

De eerste les gaat over luisteren. Mooi. Daar zaten we allemaal met stemzucht, de drang om ons vocaal te manifesteren, alle registers los te slaan, en dan gaat het over ontvangen in plaats van te produceren. Maar dat is nu juist betekenisvol: luisteren komt eerst. Expressie, als je het zo kunt noemen, is een gevolg.

Door de hele cursus heen zal het luisteren in alle toonaarden terugkeren. Alleen al met de formuleringen waarmee Jean-René het appel van het luisteren kracht bijzet kun je een boekje maken. ‘The silence of listening wants the opportunity of sound.’ ‘Listening with the body is a daring process in which you risk yourself.’ ‘Learn to listen to a “no”.’ Bots je op een muur van verzet, dan is het een uitnodiging om een andere weg naar de overkant te vinden. Vul ook nooit de woorden van iemand in of aan, blijf open staan voor verrassing. ‘Listening is participating in a stream, you never step twice in it in the same way.’

“Luisteren komt eerst. Expressie, als je het zo kunt noemen, is een gevolg.”

Luisteren is zeker geen altruïsme waar je je verliest in het gat van de ander. Het is eerder een spiegel waarin iets verschijnt en ontdubbelt, maar dan wel voorbij het narcisme van het spiegelbeeld als fetisj. Al luisterend kom je immers de ander en jezelf tegen—via adem, vibratie en wat terugkomt, feedback, echo en resonantie. Het is een ‘soort zwangerschap waar iets geboren kan worden’. Je zou verbanden kunnen leggen met de kūki van de Japanse filosoof Kiyokazu Washida, die het luisteren koppelt aan het ‘lucht lezen’. Wat niet in taal gezegd kan worden rijst op in een veld van aandacht, in het interval of de tussenruimte van ma.7

newpolyphonies, Myriam Van Imschoot & HYOID © Beata Szpagarowska

De allereerste oefening die we krijgen is een toonbeeld van dat generatief principe. In de YouYou Groep, het stemensemble waarvan ik sinds 2014 deel uitmaak, is het een standaard geworden. Je gaat in de ruimte dichtbij een element staan—een muur, een raam, de vloer, een stoel of om het even welk object—en je maakt klanken waarmee je de aard van het element opneemt, zowel met de oren als met het hele lichaam. Eerst merk je inderdaad dat de reverb op een hard oppervlak anders binnenkomt dan een geluidsabsorberende matras, maar met enig geduld ontstaat in de akoestische situatie een feedbackloop of een relationele verstrengeling van klinken en weerklinken die ook andere empirische en affectieve info oplevert en de stem op haar beurt wijzigt.

Stemwerk biedt vele variaties op dat principe. Je kunt interageren met een object maar ook met iemand; nu eens geef je alleen stem, dan weer samen of met meerderen. Het gaat er vaak fysiek aan toe, met manuele aanrakingen van zachte beroering tot hardhandiger agiteren en schudden. Soms drukken we de lippen op het lichaam om klanken in het lichaam te stuwen, wat ik in mijn eigen werk verder tot bone-blowing ontwikkelde, waarbij je de beenderen van het lichaam als een misthoorn bespeelt.

Ik blader voort en zie thema’s als horizontaliteit/verticaliteit, emoties, seksualiteit, communicatie enzovoort defileren. Er is een morfologie van het lichaam. De voorkant/ achterkant, linker- en rechterzijde van het lichaam hebben andere gevoelsgesteldheden. We leren meer vooraan op de zolen van onze voeten lopen, omdat ze ‘gevoeliger’ informatieo pnemen dan de hielen. Schouders, ribben, heupen passeren onze handen en monden. Vooral de rug blijkt een boeiend resonantievlak te zijn. Doordat hij ontsnapt aan de controle van een frontale communicatiecultuur is hij een opslag van herinneringen en emoties. Hij is ook een ideale plek om vergeten stemmen op te wekken.

Een hele kenniskorf wordt maand na maand aan ons overgedragen. Doordat het met mondjes­ maat gebeurt, wordt het onderricht niet pedant of ostentatief, maar opent het vooral een denkwijze. Het brengt ons naar evolutionair en cognitief onderzoek, culturele antropologie, EMDR, de kliktalen uit Afrika, het smeden van bronzen klokken, de akoestische plekken voor gemeenschapsbeleving en verering, zoals in de grotten in Spanje of de romaanse abdijen van Zuid-Frankrijk waar het gezang van monniken vanuit de benedenruimte opstijgt en zich mengt in de welvingen erboven. Er is ook een lange uiteenzetting over Artaud en alchemie, allicht omdat Jean-René omstreeks die tijd ook een stuk had gemaakt rond alchemical theatre bij het Frear Ensemble Theater in Philadelphia.

Naarmate de cursus vordert kom ik duidelijk meer in de flow van de oefeningen te zitten. Met het groeiende vertrouwen tussen de deelnemers lukt het beter om elkaar te spiegelen. We ontwikkelen een nieuwe zintuiglijkheid en communicatie-instrument. De vocale ‘stroom’ vergelijk ik weleens met een lillend klankplasma dat tussen ons uitrolt in de ruimte en diepte-inzicht verschaft, zoals de gevorkte tong van een slang chemische informatiedeeltjes lijmt en rijmt. Sciencefictionauteur Octavia Butler zou dit geweldig vinden, denk ik nu.

Bewonderenswaardig is dat Jean-René nooit afbreuk doet aan de radicaliteit van zijn methodes, maar ook niet bitter is over de marginaliteit van zijn positie. De meeste vernieuwende ideeën leven aan de rand voor ze in de mainstream worden opgenomen, zegt hij. Hij ziet dat proces niet als recuperatie of annexatie, maar als een organische verwerking van informatie die we als mensheid nodig hebben. De buitenstaanders hebben een rol.

newpolyphonies, Myriam Van Imschoot & HYOID © Beata Szpagarowska

Met terugwerkende kracht zie ik dat het mensbeeld dat achter Stemwerk zit meer politiek dan therapeutisch is. Niet genezing is het doel, wel transformatie. We balanceren allemaal continu tussen gezondheid en aandoeningen, maar in plaats van te focussen op de kwaal kunnen we méér zijn dan een probleem. Durf opnieuw te beginnen, altijd opnieuw, of vind andere invalshoeken in het narratief. Leef als een vraag. Sur-viving betekent vooral ‘meer leven’ in plaats van ‘over-leven’. Bovendien is er een plicht naar de volgende generaties toe. Levensles. De wereld verander je niet vanuit grote utopische constructies, maar als een werk aan de basis, te beginnen met jezelf. Stemwerk. Vergis je niet, Jean-Réne zou een perfecte ally kunnen zijn van de op dat moment almaar sterker wordende care movement, ware het niet dat hij woorden als care systematisch uit zijn lijstje schrapt. Hulpverstrekking houdt volgens hem asymmetrische rollen van afhankelijkheid in stand terwijl hij een meer impulsgerichte levensdrang wil opwekken, die reflexen activeert om ‘te nemen en genomen te worden’. Take support in plaats van hulp te krijgen. Het is misschien wel de moeilijkste les voor mij.

“Tegenwoordig zijn stemcoaches meer in trek dan dramaturgen om performers klaar te stomen voor ingenieuze vertolkingen. Maar men neemt de skills mee en niet de filosofie.”

De les die ik koester gaat over authenticiteit. Hij heeft reserves bij het ware ‘ik’, zegt hij, en hij voelt weinig voor identitaire fixaties omdat het dreunverhalen zijn die niet meer bewegen. Hij gelooft niet in het defaitisme van ‘there is no alternative’, want we kunnen voortdurend keuzes maken. Maar maken we ze ook?

Laatste les: we leren bestaande oefeningen van Jean-René ombuigen of nieuwe maken. Zijn lessen zijn geen leer voor een school met volgelingen. Ga op eigen benen staan. Het experiment houdt nooit op. Je blijft hoe dan ook luisteren, want er zijn geen pasklare formules. Enfin, hopelijk kun je er wat mee. En dan, dan is het afgelopen. In tegenstelling tot Deep Listening van Pauline Oliveros en BMC (Body-Mind Centering) van somatic researcher Bonnie Bainbridge Cohen krijg je bij afloop geen certificaat. Je maakt geen deel uit van een gemeenschap of een instituut met een titel en discounts bij nieuwe publicaties. Je gaat de wereld in.

DE ANDERE KANT VAN NABOOTSING

Toen ik de Stemwerk-opleiding volgde, kon ik niet voorspellen hoezeer dit parcours mij zou tekenen. Jean-René heeft mijn werk nooit gezien. En ik vroeg hem nooit om artistieke raad, behalve die ene keer over Stripsody van Cathy Berberian, een speels zangstuk op basis van een visuele partituur met stripgeluiden. Cathy Berberian was in de dyade met componist Luciano Berio een muze, co-schepper en vertolker van vele van zijn werken, zoals het iconische Sequenza III dat op haar lijf geschreven was. Haar theatraal instinct, ongedwongen multistijl en humor konden de uitbreiding van het stemvocabularium in de nieuwe muziek geloofwaardig maken, en in zekere zin was ze de voorloper van de performatievere wending van de jaren 1960 en ’70, waarin het lichaam van de uitvoerders zelf tot partituur werd.8

Ik kwam bij Jean-René met het idee af om ook een grafische score te maken die de Tarzan-kreet, the yodel-jingle of the jungle, zou mixen met andere ‘wilde’ kreten uit de populaire film en literatuur, waarmee het Westen heropvoert wat het eerder ‘monddood’ maakte. Tegelijk zou het kantelen naar een ander stemgebruik. Als oprichter van ‘primitive voice’ zou Jean-René de perfecte vertolker zijn, toch? Hij schudde zijn hoofd en prevelde wat over oppervlakkige nabootsingen. Ik begreep het wel. Het was slim, zo’n postkoloniale ontregeling van noties als het ‘barbaarse’ en ‘le sauvage’ in een semiotisch spel van betekenaars, en ja, kunst kon dieper gaan.

“Jean-René, je lessen zijn goud waard, en het grootste cadeau zou zijn als je ze terug aan jezelf kan schenken.”

Nabootsing was op dat moment nog een overlevingsstrategie voor mij. Ik kon breken uit het solfège van de muziek door de klanken rondom mij als nieuwe noten in te zetten. Als kind was ik altijd al gevoelig voor klank. Ik had een spraakgebrek. Ik kon de intense gedachtestroom in mijn hoofd niet overzetten naar mijn tong.

Gaandeweg leerde ik al luisterend om te communiceren en verstaanbaar te spreken. Mijn eerste groepsstuk What Nature Says (2015) is één groot spel van vijf performers als foley artists die zowat alles imiteren: de autostrades rond Kortrijk, Afrikaanse savannes, ontbossing van tropische wouden. En ik stel er de vraag wat het betekent te luisteren naar biotopen in crisis en hun noodkreten. Ketsen we ze af, of doorvoelen we ze door ze diep in ons te laten weerkaatsen?

Maar met newpolyphonies (2021) stap ik door de mimetische spiegel. Met de vier zangers van HYOID—Fabienne Seveillac, Andreas Halling, Gunther Vandeven en Els Mondelaers—ontwikkel ik mijn klanktaal met wereldklanken verder vanuit de meest eenvoudige, kleine cellen en laat ze uitgroeien tot bouwstenen van een auditieve kosmologie. Ze is nog wel geïnspireerd door insecten en machines, krekels en knekels, vliegen en vliegtuigen, maar het gegons slaat om in minder bestemde tremolo’s, vibrato’s, geronk en gedonder voorbij specifieke referenties.

Op tournee nodigen we telkens vijftien lokale deelnemers uit—muzikale ervaring niet vereist!—om in enkele workshops deze triltaal te leren en vervolgens met ons op te treden als een zwerm. Bij aanvang van de voorstelling rijzen we op uit het auditorium, een voor een, en worden we een collectief klanklichaam dat de ruimte overneemt.

Een van mijn favoriete momenten is de zwanenzang in de slotscène, waar Jean-Renés invloed tastbaar is. Een performer tippelt met een perche-microfoon voorzichtig (niet vanuit hielen!) tussen een groep bone-blowers (lippen bespelen lichaamsdelen als fluiten!).

Nocturnes for a Society, Myriam Van Imschoot & Lucas van Haesbroeck © Veerle Vercauteren

Zij vangt hun klanken en laat ze versterkt klinken op het surroundsysteem in de zaal. Houdt ze de microfoon dichtbij, dan vergroot ze zo een detail, verderaf komt veel meer het geheel samen. Het publiek wordt één met haar oor en hoort een orkest van misthoorns, het gezoem van een bijenkorf of zelfs het rottingsproces van vlees. Tot het gaat tollen in een wervelwind waarin iets anders meezingt.

In newpolyphonies is klank niet alleen polyfoon vanwege de meervoudige stemmen in de massa, maar door te werken op een meervoudige ‘perceptie’. Ik noem het ‘sympathische consonantie’. Klanken, zoals het gezoem van een vlieg, worden portal sounds en openen een deur naar weer een andere betekenis, een motor, een bourdon … En zo schuift het maar verder door tot we uit de cirkel van identiteit breken. Dat is duizelingwekkend, maar ook troostend: in dit verstrengelde resonantiesysteem kan zelfs het kleinste gebaar een kwantumsprong worden.

Als er één werk is dat ik Jean-René had willen tonen, dan wel dit werk: ik leerde in dit werk com-poneren—telkens opnieuw bijeenleggen wat uiteen dreigt te vallen. De voorstelling ontstond en ging midden in covid in première. Terwijl adem een gevaar werd, stonden twintig performers in de Bijloke te blazen, hissen en sissen. Het masker werd een membraan. Juist in een tijd van angst en afstand hielden we vast aan de verbeelding van het collectief.

EN ATTENDANT UNE NOUVELLE (VAGUE)

Het is mei en ik vraag Jean-René of ik hem kan terugzien voor een interview voor Etcetera. Tussen de regels zal hij begrijpen dat ik iets wil bewaren nu het zwarte gat aan hem trekt. Maar afspreken lukt niet. De groeiende verwarring van mijn leermeester blijkt uit de tegenstrijdige berichtjes die ik krijg via WhatsApp, Messenger, sms en ten slotte ook e-mails die niet voor mij bestemd zijn.

Het wordt juni en zomer. Aandringen op een reactie vind ik onkies. Ik begin naar de opnames van zijn lessen te luisteren die ik heb gekregen van Michel Yang, die na mij de opleiding volgde, kort voor ze in 2020 overleed. Het is in zekere zin haar erfenis aan mij. En telkens wanneer haar stem even hoorbaar is tijdens de uiteenzettingen van Jean-René flitst het hiernamaals met een knipoog.9

Ik maak een map met citaten en kernbegrippen. Deze luisterbeurten zijn als een herkansing. Opnieuw leren. De map groeit als een spin. Ik voel me minder triest nu. Zeker wanneer ik denk aan het laatste moment op de bank in zijn Rotterdamse studio, toen hij zijn telefoon bovenhaalde om de foto’s te laten zien van het volkstuintje waar hij en zijn partner zo graag verwijlen. Bomen staan in een tooi van pril groen, bloemen omzomen gangpaden, en daar is ze, een rosse poes met een staart als vraagteken. Zo eindigde mijn bezoek; met het bladeren in een fotoalbum met een poes die van foto naar foto springt.

En attendant begin ik deze tekst te schrijven. Ik schrijf maar door. Tot het zover is. Tot er geen afspraak meer kan komen omdat ik op toernee naar Australië, Japan en Korea vertrek. Tot zeeën en continenten ons scheiden. Tot de Etcetera-deadline er is. Tot de tekens op zijn. En tot ultimatums irrelevant zijn geworden. Deze uitwisseling zal een andere gedaante krijgen.

Ik zou hem zoveel willen vragen. Bijvoorbeeld, hoe staat híj tegenover virtuositeit? Tegenwoordig zijn stemcoaches meer in trek dan dramaturgen om performers klaar te stomen voor ingenieuze vertolkingen. Maar men neemt de skills mee en niet de filosofie. Onder de podia slurpt een moeras dat betekenisvolle gebaren weg draineert omdat er niets stolt in een collectief veldmoment. We zijn inwisselbare paradepaardjes in de tredmolen van intelligent vertier.

Is hij in theater blijven geloven? Artaud heeft het nooit meegemaakt, hetgeen waarvoor hij pleidooide. Het bleef een profetische art to come. Zoals de alchemisten werkte hij er een leven lang aan zonder garantie op resultaat. Vindt Jean-René ook, zoals Artaud, dat eerst iets moet ontbinden (de zogenaamde symbolische dood) vooraleer het naar een hoger element kan klimmen?

Ik heb vragen over vragen. Jean-René begreep de methodiek van het zoeken: ‘Een vraag is tien keer meer belangrijk dan een antwoord.’ ‘Leef als een vraag.’ Ik vraag me af hoe de ziekte hem momenteel verandert en of hij zijn leven zal beëindigen voor het einde? ‘Sterven treedt pas in als we ons vermogen tot beweeglijkheid verliezen’, klinkt het op de opname.

Jean-René, je lessen zijn goud waard, en het grootste cadeau zou zijn als je ze terug aan jezelf kan schenken. Je sprak over ‘steun nemen’, maar je lijkt me een loner. Dat vertellen die kiekjes van de rosse poes. Ze kijkt naar jou, onvoorstoorbaar in het pact van toeval en affectie. Schurkt tegen je benen. Loopt alweer een volgend bloemenperk in. Weg is ze.

Voor mij is gemeenschap het antwoord. Ik weet dat het een modewoord is, maar het bestaat echt. De tijdelijke sonic communities van Nocturnes for a Society, de praktiserende gemeenschap van de YouYou Groep. Het openen van een ruimte in Manchesterstraat als een commoning van praktijen rond stem, klank en luisteren voor al wie wil. Dat was nog maar het begin, Jean-René. Ik beloof het. Ik zweer het.

Ik hou van wolven, meer dan van poezen. Ze huilen in hun nachtelijke samenkomsten elk op een eigen frequentie, hartverscheurend. Gemeenschappen als klankroedels. Waar was het ook alweer in Frankrijk, het voorbeeld dat je gaf van monniken die in een ruimte onder de vloer hun stemmen lieten opstijgen tot aan de gewelven van de kerk, als was het gezang van de hemelen, maar ze kwam van beneden. We zullen aards zijn of niet zijn. Het bestaat ook werkelijk, op de golfslag van frequenties boodschappen terugkrijgen, als we maar luisteren. Ik luister!

Hoe heet die poes? Mini? Mouche? Momo?
Poes, het is aan jou nu. Miauw maar tegen je baasje, en geef hem een kopje.

1“Of all his collaborators, Kuhn has exercised the most significant influence on Wilson, and the two have radically altered the relationship between sound and image in theater. (…) I want to wake up people who spend their lives sleepwalking in a a perceptual fog. Sound is a miracle.’’ Citaat komt uit een interview met Arthur Holmberg in Holmberg, A. (1996). The Theater of Robert Wilson. Cambridge University Press, 176.2Het beeld op de kaften is van de pop ‘Erich von Stroheim’ (soms ook Erich genoemd) en de acteur Michael Redgrave uit de film Dead of Night (1945), een Britse horroranthologie geregisseerd door o.a. Alberto Cavalcanti.3Een voorbeeld uit de podiumkunsten dat sterk resoneerde met de literatuur van Connor en Dolar, was Jerk (2008) van Gisèle Vienne, met Jonathan Capdevielle als buikspreker. De poppen in dit stuk verbeelden de seriemoordenaar en zijn handlangers. De voorstelling onderstreepte hoe ventriloquie, net als bij Connor en Dolar, een metafoor wordt voor macht en manipulatie.4Meer bepaald met The Singing Lesson 2 (2001) van Artur Żmijewski, waarin een groep doven Bach zingt. Vele kunstenaars maken koortjes, het is een onophoudelijke trend. Allicht het bekendste initiatief is de Complaint Choirs (vanaf 2005) van Tellervo Kalleinen en Oliver Kochta-Kalleinen, waarin burgers hun klachten in zang omzetten.5Mimosa (Twenty Looks or Paris is Burning at The Judson Church (M)) (2011) maakt deel uit van Harrells dansreeks Twenty Looks or Paris is Burning at The Judson Church, waarin hij een fictieve ontmoeting verbeeldt tussen de vogueingscene van Harlem (Paris Is Burning) en de postmoderne dans van de Judson Church (New York, jaren 1960). Andere voorbeelden van ‘voorstellingen-als-concert’ verdienen een plaats, maar vallen buiten de scope van dit artikel. Toch graag nog deze: Sanja Mitrović in 1: Songs (2009) van Nicole Beutler (op arrangementen van Gary Shepherd) voert een reeks tragische vrouwenfiguren uit de theatergeschiedenis op in een verbluffende vocale medley.6Hier hoort Adriana Cavarero thuis met A più voci. Filosofia dell’espressione vocale (Feltrinelli, 2003) / For More than One Voice. Toward a Philosophy of Vocal Expression (Stanford University Press, 2005). In haar relationele opvatting van de stem is er aandacht voor de unieke singulariteit van wie spreekt, maar altijd in verhouding tot een ander die luistert. Stem is geen instrument van representatie, maar een gebeurtenis van exposure — een ethische, kwetsbare vorm van in-relatie-staan.7De link komt niet van Jean-René, maar leg ik zelf. Er zijn verschillen met Washida’s moralistischer gekleurde interpretatie van het ‘lezen van de lucht’ . Toussaints praktijk is meer teruggekoppeld naar het lichaam en de ‘lucht’ is letterlijk hoorbaar en voelbaar als drager van het ongezegde, een veld van nabijheid en trilling.8In Composing under the Skin. The Music-making Body at the Composer’s Desk (2014, Leuven University Press) onderzoekt Paul Craenen hoe componisten in hedendaagse muziek niet alleen klank maar ook de performatieve, zichtbare en fysieke dimensie van het musiceren integreren in het compositiemateriaal. Het lichaam is geen neutraal medium meer, maar een drager van expressie, weerstand en betekenis, waar de grens tussen componeren, uitvoeren en waarnemen vervaagt.9Danseres, choreografe en stemkunstenares Michel Yang (1973-2020) maakte samen met Caroline Daish en Justine Maxelon deel uit van Oracle, een collectief dat stemonderzoek koppelt aan performatieve praktijken. Oracle ontwikkelde een eyes-closed vocal improvisation practice die ruimtes ‘leest’ — van het innerlijk van het lichaam tot publieke plaatsen zoals parken, stations of musea — en via stem en minimale beweging de grenzen aftast tussen individuele expressie en gedeelde ruimte. Ook hier leven ideeën van Jean-René Toussaint voort.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 23 — 26 minuten

#181

15.12.2025

—

14.04.2026

Myriam Van Imschoot

Myriam Van Imschoot maakt performances en creëert geluidspoëzie, vocale stukken, video- en geluidsinstallaties. Ze beweegt tussen verschillende institutionele velden en media en legt zich toe op het experimenteren met contexten, als ze al niet zelf een context creëert.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!