Iphigenia – De Roovers
Geef mij maar het verzet van Klytamnestra
Mia Vaerman
Wim Helsen © Katrijn van Giel
Wim Helsen is overal. Op het witte doek is hij te bewonderen in de hoofdrol van Dirty Mind, de nieuwe film van regisseur Pieter Van Hees. En met zijn eigen voorstelling Het uur van de prutser trekt hij sinds januari langs de Nederlandse en Vlaamse theaterzalen. Wim Helsen is overal. Maar wie is Wim Helsen?
Als we de superlatieven mogen geloven waarin Helsens eigen stem hem bij het begin van zijn voorstelling op voice-over aankondigt, is Wim Helsen heel wat. Hij is de koning van het ouderwetse schuddebuiken, de langverwachte lolbroek. Hij is de vlotte, sympathieke cabaretier die voor ons een avond vol pret en vertier in petto heeft. Niet meer dan logisch dat het publiek zich tegenover zo’n raskomiek een beetje onzeker voelt. ‘Zullen we wel een goed publiek voor hem zijn?’ Helsen beweert het ons van op het podium te horen denken. Al snel blijkt echter dat ook Helsen niet de onwankelbare brok zelfvertrouwen is die hij ons wil voorspiegelen. Portretteerde hij zich bij het begin als Wim Helsen, de humor die flappert door de nacht van onze zielige kloteleventjes, al na enkele minuten wordt de held Helsen overvallen door een hardnekkig hoestje. Helsen superstar? Ahum.
Er zijn wel meer grootheden die in deze voorstelling op een wankel voetstuk balanceren. Neem nu Jezus, die in Helsens beschrijving gestript wordt van het James Bond-imago dat hem als rondtrekkende wonderdoener aankleeft. In werkelijkheid blijkt hij vooral een jammerende, futloze zeurpiet te zijn, die op de koop toe ook nog eens loenst. Niet meteen messiasmateriaal op het eerste gezicht, maar een beetje zorgvuldig reputatiemanagement kan soms letterlijk wonderen doen. Profeet of prutser, zero of hero, tot op zekere hoogte kunnen we zelf sturen hoe anderen ons zien. Ter illustratie strooit Helsen gul enkele tips in het rond. Wat te doen wanneer in gezelschap het gesprek over theater gaat en we niet willen overkomen als cultuurbarbaren? Helsen helpt! Hoe onszelf geloofwaardig opwerpen als gekwelde artiesten met een diep en stormachtig gevoelsleven? Helsen weet raad!
Met die tips laat Helsen evenwel behoorlijk in zijn kaarten kijken. Na verloop van tijd wordt immers duidelijk dat hij tijdens de voorstelling doelbewust zijn eigen adviezen in praktijk heeft gebracht. Dat werpt een heel ander licht op zijn verhalen. Wat we voor ontwapenende bekentenissen hielden, zou wel eens doordachte strategie kunnen zijn. Zelfs Helsens ontroerend kwetsbare relaas over zijn overleden zus aan wie hij de voorstelling opdraagt, lijkt ontmaskerd te worden als een tactisch verzinsel, bedoeld om Helsens imago te pimpen. ‘Misschien is niet alles wat ik vertel echt gebeurd,’ geeft Helsen toe, ‘maar er zijn ook veel dingen die echt gebeurd zijn die ik niet vertel.’
Op die manier doorprikt Helsen regelmatig de ballonnetjes die hij over zichzelf heeft opgelaten en is hij tegelijk bouwer en sloper van het beeld dat wij ons van hem vormen. In het zorgvuldig opgezette breiwerkje dat hij voor ons tot stand brengt, laat hij op gezette tijden een steek vallen. Door de gaten die zo ontstaan, wordt de prutser in Wim Helsen zichtbaar. En zo heeft Helsen het graag, zegt hij. Als het even kan, wil hij zelfs de prutser in ons allemaal naar boven halen en de wereld in sturen. In de niet van enige meligheid gespeende slotscène beschrijft Helsen een rijke en succesvolle projectmanager die eigenlijk veel liever de eigenaar van een bescheiden fietsenwinkeltje zou zijn. Uit angst om door zijn vrouw verlaten te worden, heeft hij deze ambities echter nooit aan haar kenbaar gemaakt en de schijn hooggehouden plezier in zijn job te hebben. Projectmanager of prutser, wie is nu zero en wie hero?
We vertellen allemaal een verhaal over onszelf, waarbij we telkens weer voor de keuze staan welke elementen we in de spotlight zetten en welke we achterwege laten. Dat verhaal bepaalt niet alleen hoe anderen over ons denken, maar ook hoe we over onszelf denken. Hiermee raakt Helsen aan het gedachtegoed van de in 2005 overleden Franse filosoof Paul Ricoeur. Volgens Ricoeur construeren we onze identiteit met behulp van verhalen. Wanneer we de vraag ‘wie ben ik?’ willen beantwoorden, kunnen we dat antwoord niet rechtstreeks kennen, zoals we bijvoorbeeld wel de trekken van ons gelaat perfect kunnen traceren door een simpele blik in de spiegel. Om te weten wie we zijn, nemen we noodgedwongen een omweg: we zoeken een samenhang in de wirwar van gebeurtenissen die het kluwen van ons leven uitmaakt. Zoals in een kleurboek voor kinderen, verbinden we stap voor stap verschillende punten die schijnbaar toevallig over het papier zijn uitgestrooid, tot er een tekening opdoemt. Wat op die manier tevoorschijn komt, is volgens Ricoeur niet minder dan ons eigen ‘ik’, het voorwerp en onderwerp van ons systematisch uit puzzelstukjes van ons leven opgebouwde autobiografie.
Niet alleen de alledaagse verhalen over ons eigen leven drukken evenwel hun stempel op dat ‘ik’. Ieder van ons is geworteld in een breed netwerk van verhalen: we spelen een rol in de verhalen van anderen en leven bovendien tegen de achtergrond van een cultuur die doordrongen is van urban legends, mythes, historische gebeurtenissen en richtlijnen voor sociale relaties. Ook het bepalen van onze verhouding tot dergelijke verhalen is identiteitsvormend. We kunnen ze omarmen of net verwerpen, en dat zegt iets over ons. Vooral onze verhouding tot de geijkte regels voor sociale interactie wordt sterk gethematiseerd in Helsens voorstelling. Zoals gezegd geeft Helsen tips om een goed figuur te slaan in gesprekken met anderen. Maar geheel in de lijn van zijn pleidooi voor een eerlijk prutserschap, moedigt Helsen ons steeds duidelijker aan om ons toch niet te veel aan te trekken van wat we zogezegd wel en niet kunnen doen. Helsen gaat daarin heel ver. Geleidelijk krijgen zijn tips meer en meer het karakter van een handleiding voor aspirant-sociale paria’s. Zo suggereert Helsen ons in een van zijn laatste tips om gewapend met een baseball bat bij de bakker te gaan schreeuwen dat we brood haten.
Wie we zijn wordt volgens Ricoeur bepaald door de manier waarop we de collage van ons leven samenstellen. Knippen en plakken met stukjes biografie en cultuur dus, hoewel Helsen veel vaker de schaar dan de lijm lijkt te hanteren. Hij weigert consequent om rechtlijnig te vertellen, en slingert als een dolgedraaide orang-oetang van zijtak naar zijtak. Begint Helsen met het vertellen van een bakkersmop, dan dring zich al snel een uitweiding over een knorrige loketbediende op, waarna hij opnieuw de draad van zijn bakkersverhaal opneemt, om zichzelf haast onmiddellijk weer te onderbreken met een anekdote over schele Jezus, een ‘hela hola hela hola’- kermisjingle als van een slechte deejay uit Blankenberge of een volleerde imitatie van Rafaella Carra… Dat springen van de hak op de tak wordt overigens ook zichtbaar gemaakt door het decor van de voorstelling: drie houten kisten, waar Helsen op en af hupt dat het een lieve lust is, naargelang het verhaal dat hij vertelt.
De associatieve structuur van Helsens voorstelling wijkt sterk af van Ricoeurs opvatting over de manier waarop wij onze identiteit vormgeven. Ricoeur gaat ervan uit dat wij door eenheid te creëren in een heterogeniteit van puzzelstukken een levensverhaal construeren dat een inzichtelijke en lineaire opbouw kent; een plot met een begin, een midden en een einde. Helsens voorstelling valt echter ver buiten het kader van zo’n traditionele, Aristotelische verhaalvorm. Zijn identiteitsconstructie heeft meer weg van de manier waarop wij tegenwoordig een beeld van onszelf bij elkaar knutselen op het internet. Persoonlijke homepages en sociale netwerksites vertellen niet mooi van a tot z over hun ‘eigenaar’, maar bevatten stukjes informatie die in een willekeurige volgorde opgevraagd en gelezen kunnen worden. Die websites bestaan uit een netwerk van zich vertakkende hyperlinks, net zoals ook Helsens verhaal tot stand komt door steeds maar ‘door te klikken’ op de associaties die zich aandienen. En zoals je al surfend op het net niet altijd op de meest relevante informatie stuit, zo zijn ook niet al Helsens zijsprongen even interessant.
Het afwisselend uitspelen van zijn sterke en zwakke kanten kan beschouwd worden als Helsens handelsmerk. In zijn eerdere voorstellingen, Heden soup! en Bij mij zijt ge veilig, schipperde Helsen ook al tussen beide polen. In Het uur van de prutser is het echter dominanter aanwezig dan ooit tevoren, en in zekere zin is het zelfs uitgegroeid tot het thema van de voorstelling. Durf prutsen! Daar gaat het voor Helsen om. Ook de schijnbaar doelloze en soms net iets te eindeloze associaties waarop hij ons in deze voorstelling trakteert, zijn niets nieuws. Maar in tegenstelling tot zijn eerder werk, is het kader waarbinnen hij zijn gedachten de vrije loop laat hier nogal dunnetjes. Toch moeten we het hem nageven: veel eigener dan dit had hij geen voorstelling over eigenheid kunnen maken. Voor wie het zich nog zou afvragen: in Het uur van de prutser is Wim Helsen vooral heel erg Wim Helsen.
Lieselot Mariën
Bron: V. Frissen, J. De Mul, Under construction. Persoonlijke en culturele identiteit in het multimediatijdperk, Infodrome, Amsterdam (2000)
Het uur van de prutser is nog tot 27 juni op tournee in Vlaanderen en Nederland. Info: www.helsen-williams.be
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.