De Materie – Phia Ménard/Opera Ballet Vlaanderen/Bas Wiegers
Een schurend vooruitgangsdenken
Sébastien Hendrickx
Frits & Freddy © Independent Films
‘Tleevn is lik e preute, oe meer daje lekt oe meer leute!’ Dit citaat, dat we onvertaald zullen laten omdat ‘kut’ toch niet rijmt op ‘geluk’, en ‘scheur’ ook al niet op ‘plezier’, komt niet uit Frits & Freddy. We kregen het wel onder de neus toen we thuis kwamen van het wezen kijken naar die succesvolle gangsterkomedie van Guy Goossens (regisseur) en Mare Punt (scenarist), over twee schlemielige broertjes die in het verkeerde huis binnenbreken en zich door hun koppigheid en domheid een hoop ellende op de hals halen.
De finale van De allerslimste mens ter wereld was bezig en het komische jurylid Philippe Geubels had zijn nasaal Antwerps even ingeruild voor nasaal West-Vlaams om bij deelneemster Eva Brems te peilen naar de charme van deze gewaagde witz. Dat trof! Niet alleen hadden we net daarvoor in de aftiteling van Frits & Freddy quizmaster Erik Van Looy al zien opduiken in een cameo, we hadden ons ook al afgevraagd waar Stany Crets zat in deze film die Peter Van den Begin zo lang in beeld hield. En de mengeling van Antwerps en West-Vlaams, die zat ook in Frits & Freddy, want het kolderieke gelegenheidsduo kruimeldieven Peter Van den Begin en Tom Van Dyck uit de Antwerpse Kempen neemt het daarin op tegen de boevenbende van de uitgesproken West-Vlaming Wim Opbrouck. We konden na de film dus gewoon verder blijven lachen voor tv. Er is – in Vlaanderen althans – een vrij brede consensus over de vrij hoge standaard waaraan humor moet voldoen, en een hoop komisch talent dat aan die standaard beantwoordt. De lachband kan dus permanent blijven doorlopen.
Over de humor in De allerslimste mens gaan we het dus niet meer hebben. Over de humor in de grappige en goed gemaakte komedie Frits & Freddy eigenlijk ook niet, en over de wenselijkheid van dialectgebruik al helemaal niet. Maar wel over het feit dat humor en streektaal zo onrustwekkend goed samengaan. Hoe meer dialect, hoe meer leute. De theorie luidt dat dialect en humor de kennis van een door een bepaalde gemeenschap gedeeld logisch systeem van(taal)regels veronderstellen. Daardoor fungeren ze als een spiegel, die naargelang het resultaat van de reflectie zachte (zelfkritiek of behaaglijke zelfbevestiging herbergt. Recent zijn er maar weinig Vlaamse cultuuruitingen geweest die die positieve ‘gemeenschapsbevestigende’ rol zo gespeeld hebben als De allerslimste mens, waarvan het succes echt niet alleen met de spanning, de spelregels of de kwaliteit te maken heeft. Dat succes stuit immers letterlijk op (taal)grenzen. Zo is al vaak gezegd datje het succes van het programma toch maar moeilijk kan uitleggen in het buitenland. Een buitenlander als Youp van ’t Hek mag wel eens komen meedoen om te zien hoe goed en gek wij bezig zijn, maar ik denk niet dat hij dat nieuws in Nederland is gaan verspreiden. Als buitenlandse kandidaat red je het ook niet in de quiz, omdat je niet op de hoogte bent van de plaatselijke roddels. Dat José Manuel Barroso in de finale als een soort onafhankelijke scheidsrechter wat vragen mocht stellen zegt veel. Het leek er af en toe sterk op dat Vlaanderen samenviel met deze quiz, en dat de Franstalige en buitenlandse pers – als ze dan toch eens een inspanning wilden doen om ons te begrijpen, en te zien hoe goed alles bij ons in elkaar steekt – maar best gewoon daarnaar keken. Ook de kolder in Frits & Freddy is niet zomaar vertaalbaar en hervertolkbaar. In ‘Olland’ zouden ze geheid weer voor een remake kiezen. Je kan zelfs al niet gewoon meer zeggen dat Frits & Freddy uit de Vlaamse klei is getrokken, want dat moet ‘uit de Kempense zandgrond’ zijn. Een nuance die ze over de grens niet vatten, want de oorsprong van deze nieuwe Vlaamse televisionele topos gaat via klassieke fragmenten uit In de gloria terug op Cas Goossens in Het Leugenpaleis.
Gedeelde kennis van de terroir is zoals gezegd noodzakelijk voor het goede begrip van humor, en de makers van Frits & Freddy lijken dat besef te expliciteren. Hoewel de film zelf uitblinkt in volkseigen humor, toont hij ook bewust hoe ‘de eigen logica’, die in humor en dialect een emotionele uitdrukkingsvorm vindt, over de (taal)grenzen op onbegrip botst. In andere politieke tijden zouden we misschien niet op het idee gekomen zijn om deze film te communautariseren, maar ook Frits & Freddy drijft op gemeenschapskwesties. Het succes van de film heeft net als dat van De allerslimste mens weinig met spanning of de vernuftige uitvoering van de genreregels te maken, maar eerder met de vertolking van de Vlaamse komische talenten die onze volksaard en logica tot in de finesses kennen en exploiteren. Ze deden dat ook al in Matroesjka’s, in Van vlees en bloed, in Duts en in De Ronde van Jan Eelen. De zelfkritiek die uit hun personages spreekt is nooit ver weg, maar het aan de kaak stellen van de zelfgenoegzaamheid mag toch de pret niet bederven: een zinsnede als ‘na zèn we pas goe gezjost’ klinkt gewoon te prettig om er niet nóg eens een keertje uitbundig om te lachen. Ook Frits & Freddy balanceert nadrukkelijk tussen dergelijke zelfbevestiging en zelfkritiek. De mooie begintrailer die Super 8-beelden van de jonge Frits en Freddy fingeert, laat bijvoorbeeld zien dat komische duo’s hun bestaan danken aan een innige gemeenschappelijke band en de daaruit voortvloeiende verstandhouding. Quick en Flupke maken de beste kans om later uit te groeien tot Zware Jongens. Dat de groot geworden Frits en Freddy vervolgens een mislukte inbraak laten escaleren tot een hachelijke ontvoering en meervoudige gijzeling, heeft alles te maken met het feit dat ze per se hun particuliere logica blijven uitproberen en tenslotte opdringen aan een buitenwereld die er vanzelfsprekend niet in thuis is. Vooral Freddy ontbeert het vermogen om zich in andermans logica te verplaatsen en wordt in de plaats hopeloos agressief. De plot wordt ook steeds weer voortgestuwd door principekwesties van de twee in verband met hun eigen volk: het gunstige oordeel van ‘onze pa’, de woede om de vernietiging van ‘den otto van ons moe’, en de vernedering door de bende van Wim ‘in ons aaigen ois’. Omdat ze hun eigen denkbeelden maar niet in vraag stellen, eindigt de film tenslotte waar hij begon: met nieuwe pogingen van de twee schooiers om als huis-aan-huis-verkopers (aan het begin van bijbels, op het einde van korans) de bewoners van een rijke villawijk te overtuigen van hun ‘geloof’.
Significant is eveneens dat het ‘kosmopolitische’ karakter van de film zich beperkt tot de vlucht van Frits en Freddy naar La Roche, waar de twee een stacaravan hebben ‘om in de zomer eens te komen wandelen met de familie’. Het deed me denken aan de uitstap naar het hellend vlak van Ronquières in Mare Diddens Brussels by Night. Wanneer een Vlaming met een Ander in botsing komt en een uitweg zoekt, dan durft hij eventueel wel de grote oversteek te maken naar de Ardennen. Daar zal niemand hem komen zoeken en denkt hij toch nog het overzicht en de controle te kunnen behouden. Maar in La Roche spelen Frits en Freddy duidelijk niet meer thuis. Door zich te onttrekken aan de huiselijke normen (ze liegen pa wat voor en stelen het busje van de buren) hopen ze een vrijplaats te vinden waar ze hun zaakjes zonder pottenkijkers kunnen afhandelen. Maar daarmee vallen ook hun laatste zekerheden weg en komen ze met hun logica helemaal nergens meer. Zelfs de welbespraakte Frits begint nu te stotteren, omdat het daar in het Frans, voir het Ardeens patois, van de steeds weer opduikende lokale politieman te doen is. Zijn knullige vertaling van een Vlaamse spreekwoord ‘La prochaine fois tu dois trakter’ klinkt zelfs beneden in het dal nergens naar. De champetter hoeft ook niet op te treden om de zaak opgelost te zien. De protagonisten wentelen zich liever in de onschuldige-slachtofferrol die hun eigen logica hen toebedeelt, in plaats van een helder zicht te krijgen op de situatie door zich in de ander te verplaatsen. Daarom is Frits & Freddy een komedie en geen misdaadfilm, maar daardoor zegt hij als metafoor misschien ook nog net iets meer.
Op het einde gaat het duo dus terug naar af. In plaats van tegen een West-Vlaming met zwart geld, begint Freddy nu te fulmineren tegen een ingeweken Hollandse villabewoner die onverdraagzaam zou zijn, omdat hij de hem aangeboden koran afwimpelt. Dat brengt ons weer even bij de vraag waarom de Nederlanders onze cinematografische en televisionele succesrecepten niet lusten. Het antwoord is dat die niets met hen te maken hebben. Ik probeer zelf soms bij wijze van sport eens met Nederlandse ogen (pakweg die van Youp van ’t Hek, Matthijs van Nieuwkerk of Paul de Leeuw) naar die Vlaamse successen te kijken. Zelfs in de wetenschap dat Nederlanders veel te weinig inspanningen leveren om iets van Vlaanderen te begrijpen, verliezen deze successen door zo’n Nederlandse bril inderdaad vaak veel van hun glans. Als je wegdenkt wat aan humor en acteer finesses rechtstreeks met de Vlaamse volksaard te maken heeft, blijft er vaak nog weinig over. Die wetenschap kan helpen om een zuiver interne aangelegenheid als het ontmaskeren van de Vlaamse zelfgenoegzaamheid door onze uitstekende Vlaamse acteurs te relativeren als prestatie. Ze vertelt misschien ook iets over ons gebrek aan zelfreflectie, internationale oriëntatie, en begrip van, pak ‘m beet, onze Nederlandse of Waalse buren. Misschien dus toch maar die witz vertalen dan: Het leven is als een Vlaamse pruim, er gretig aan likken bevordert de goede luim.
Regie Guy Goossens, scenario Mare Punt, met Peter Van den Begin, Tom Van Dyck, Wim Opbrouck, Lucas Van den Eynde, Tania Kloek, Erika Van Tielen. Productie: Guy Goossens & Mare Punt (Independent Films), 2010.
www.fritsenfreddy.be
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.