Artiesteningang: Dries Verhoeven
Dries Verhoeven
© Illias Teirlinck
Met Fratssen maakt Ballet Dommage opnieuw een uitdagende, niet-conventionele jeugdtheatervoorstelling waarin – zoals wezenlijk bij elke Ballet Dommage-voorstelling – de realiteit wordt uitvergroot tot absurde en tragische dimensies. Maar in het spel tussen vertellen en verzwijgen zit de balans niet goed: te veel lijntjes blijven aan de oppervlakte wapperen.
Het is zo’n familiefeest, iedereen kan er zich iets bij voorstellen. Wie erbij had moeten zijn, ontbreekt. Wie eigenlijk had moeten ontbreken, verklaart zich opzichtig present. Uitgewoonde tradities worden grimlachend in ere gehouden, oude moppen passeren de revue. Onder smalltalk en gegrimeerde glimlachjes schrijnen oude wonden. Maar welke precies? En hoe verhouden de uitbundig uitvergrote binnenwerelden zich tot de realiteit buiten de feestzaal?
Ballet Dommage heeft er in ieder geval alles aan gedaan om zijn publiek/familieleden bij het feest te betrekken. Het collectief (Maxim Storms en Katrien Valckenaers, in deze productie aangevuld met een cast verwante acteurs en stagiairs) speelt op locatie, in kleine parochiezaaltjes. Bij buurtwerking Elegast den Dam (Antwerpen-Noord) wordt er door het aanwezige kinderpubliek alvast onvermoeibaar op de ontstemde piano gehamerd – yup, dit is de akoestische hel die zo’n familiefeest typeert.
Er is geen leeftijdsaanwijzing; net zoals op een echt familiegebeuren hoort iedereen erbij, van piepjong tot al wat ouder. Er wordt ook niet frontaal gespeeld: het familiepubliek zit aan tafeltjes verspreid door de zaal, met centraal een mini-podiumpje dat de kijkrichting slechts ten dele bepaalt, want de actie is overal. Zoals dat wel eens pleegt te gebeuren schuift aan ons tafeltje geregeld een kleurrijk familielid aan, om snel-snel achter de hand nog iets lelijks te zeggen over een ander. Zo gaat dat in families, ja: venijn heeft er het aanschijn van humor.
Deze familie heeft een lange geschiedenis die ergens diep in de Franstalige bourgeoisie moet wortelen – een wapenschild en de spreuk ‘malgré tout’ sieren in ieder geval hun baldakijn. Ook hun wat onhandige gebruik van het onpersoonlijk voornaamwoord ‘men’ – zelfs wanneer ze het over zichzelf hebben – wijst erop dat ze een zekere chique hebben hoog te houden. Voor dit feest, dat al ‘1000 jaar’ traditie is, hebben ze zich piekfijn uitgedost, al kan je deze Fellini-achtige figuren met hoogopgetaste kapsels en excentrieke outfit nauwelijks een ouderwets soort standing toeschrijven – more is more, lijkt men vooral te denken. Het contrast tussen hun opzichtige bling-bling en het wat armetierige zaaltje is groot.
Het feest start met een chaotische verwelkoming van het binnenstromende publiek door alle figuren tegelijk en met de random en wat awkward gesprekken die voorvallen op familiereünies waarbij de leden elkaar niet vaak zien. De een is gegroeid, de ander heeft nog steeds last van een ditje en een datje, maar al van bij het begin sluipt ook de pijn in het weerzien. ‘Le mal n’est pas passé’ murmelt een ‘tante’ (Katrien Valckenaers), die de tafels zal rondgaan met een foto van een smartelijk gemiste verwant. Er worden absurde grappen herhaald en wrede spelletjes gespeeld. En af en toe valt iemand helemaal uit zijn rol – dan piept door de verplichte feestvreugde plots een moment van oprechte frustratie of verdriet – waarna de mentale rangen snel weer worden gesloten via een grap of een ritueel. Parce que: ‘C’est la fête!’
“Wat is datgene waarover niet kan gesproken worden, wat speelt er in deze familie, wat speelt er in de buitenwereld en wat hebben beide met elkaar te maken?”
De feestzaal is een microkosmos waar de tijd stilstaat – maar intussen staat de buitenwereld in brand. Het is een procedé dat Ballet Dommage wel vaker inzet (recent nog in Tavern Michelle): de spanning tussen de ‘toestand’ binnen en de realiteit buiten, die krampachtig buiten dient te blijven. Slechts op een paar momenten gaan de buitendeuren open, waarna een afleidingsmanoeuvre volgt (‘Kijk een vogeltje!’) en de boel al snel weer op slot gaat. Slechts één familielid (Zita Windey) voelt aan hoe ernstig de situatie, hoe ongerijmd dit vluchtgedrag is: ‘Moet men dan niets doen? (…) Hoe kan men hier nu gezellig doorfratsen?’ Maar de rest van de familie is al weer verder, hoog opgevend tegenover elkaar over een nieuwe buitentuintafel en een set plooistoelen – de sociale competitie richt zich in deze familie zelfs niet op de geijkte drievuldigheid van huwelijk/huis/job, maar op nog grotere onnozeliteiten.
Kortom: er wordt voortdurend verzwegen, omgeleid, afgeleid, verborgen, verdoezeld, op het verkeerde been gezet. Vraag is: wat is datgene waarover niet kan gesproken worden, wat speelt er in deze familie, wat speelt er in de buitenwereld en wat hebben beide met elkaar te maken? Uiteraard zou het oersaai zijn indien Ballet Dommage dit van a tot z zou uitspellen en zou toewerken naar een anekdotische ‘oplossing’ van de onderhuidse spanningen en familietrauma’s. Anderzijds zijn de aanwijzingen die we nu krijgen te vrijblijvend. ‘Waarom was men niet uitgenodigd?’ roept de ongenode gaste (Leen De Veirman) uit, maar heel erg belangrijk lijkt het antwoord niet te zijn. Daarvoor blijven de familieleden te karikaturaal geschetst en de aard van hun verhouding te onbestemd. Ook de referenties aan het drama dat zich blijkbaar buiten afspeelt zijn te vaag om écht te dreigen. Er is een drama binnen, en er is een drama buiten, maar geen van beide drama’s wordt effectief tot leven gewekt, laat staan met elkaar in verbinding gebracht.
Het gevoel blijft hangen dat Ballet Dommage deze zaken zelf niet helemaal heeft doorgedacht. Het abstraheren van drama in grotesken, in zang en ritueel, in koorspraak en fratsen, in mime en grime, kan maar effectief zijn wanneer bij de acteurs die dit drama belichamen een haarscherp besef leeft van wat er daaronder eigenlijk op het spel staat. Zo niet, wordt voor de toeschouwer de grens tussen spannende suggestie en frustrerende oppervlakkigheid wel erg dun.
Wat van Fratssen uiteindelijk wel blijft hangen, zijn heel concrete gebaren. Hoe de familie een troostend kringetje maakt om de tante die kraakt onder het verdriet van de afwezige. Hoe ze, malgré tout, samen zingen: ‘L’amour est là’. Families. On est nous, malgré nous, et malgré tout.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.