Hier, ik als keizerin. Molenstraat 103/bus 5 – Veerle Baetens & Bo Spaenc
Radicale eenzaamheid
Klaas Tindemans
© Royal Shakespeare Theatre, Stratford-upon-Avon
Falstaff? Is dat niet die dikkerd van bij Shakespeare? Hij figureert zowel in de koningsdrama’s rond Hendrik de Vierde als in de komedie The Merry Wives of Windsor. Verdi nam voornoemd stuk als uitgangspunt voor zijn laatste opera. Voor intendant Marc Clémeur was Falstaff in de regie van Giorgio Barberio Corsetti zijn afscheid van de Vlaamse Opera. Johan Thielemans zet naar aanleiding daarvan de gegevens over ‘the finest comic character the English stage has yet known’ op een rijtje.
Als je geen Engelsman bent, sta je tegenover iets vreemds wanneer je Britten over de figuur van Falstaff hoort praten. Op dat wonderlijke eiland dat Engeland is, geldt deze figuur uit de stukken van Shakespeare als een symbool van de natie. Falstaff, dat is de Engelsman ten voeten uit. Maar wat of wie die typische, zelfs opgehemelde Engelsman dan is, doet toch even opkijken. Hij is dik en ijdel, drinkt veel, bewierookt zijn dikke buik, relativeert veel en is een beetje wijs. Hij is een oudgediende van kleine adel, niet meer dan een ridder, een opschepper, een lafaard, een bedrieger en een bon vivant. Als portret van een volk kan dat tellen. De Engelsen worden door Falstaff vertederd en ze vinden hem ook ongelooflijk komisch. Niets dan lof dus voor het personage dat Shakespeare heeft verzonnen. Zo zegt H.J. Oliver in zijn uitgave van The Merry Wives of Windsor1 over hem dat hij ‘the finest comic character the English stage [has] yet known’ is, en hij doet er nog een schep bovenop met de bewering: ‘or [is] perhaps ever to know.’ Met andere woorden: geestiger of komischer dan Falstaff hebben de Engelsen niet in de aanbieding. Het zijn straffe hyperbolen, maar overtuigen doen ze me niet. Misschien omdat ik geen Engelsman ben.
Het personage van Falstaff komt voor in het koningsstuk dat Shakespeare gewijd heeft aan Hendrik de Vierde (1367-1413). De bijhorende, onvermijdelijke grap is dat Hendrik de Vierde in feite over de jonge Hendrik de Vijfde gaat, die hier als Prins Hal rondloopt. Het is boeiend om te zien hoe deze kroonprins niet het minste talent vertoont om zijn vader op te volgen. Hij schuwt de wandelgangen van de macht en houdt zich het liefst op bij sir Falstaff en zijn drinkebroers. Shakespeare had Falstaff aanvankelijk Oldcastle genoemd. Het publiek genoot van de relatie tussen de pochende, sluwe oudere man en de jonge onervaren prins. Maar toen kwam er protest van Lord Cobham. Oldcastle was zijn voorvader en die was helemaal geen lafaard of dronkaard geweest. Integendeel, hij had zich in de strijd zeer moedig gedragen. Later was hij als Lollard een bestrijder van de katholieke kerk geworden, en als martelaar aan zijn einde gekomen. De familie Cobham kon niet lachen met het oneerbiedige portret van Shakespeare. Daarom veranderde die Oldcastle in een andere historische figuur: sir John Fastolf (sic), en gaf hij hem een lichtjes andere naam. Het werd Falstaff. Ook hier klopte niets met het historisch model. Alleen was er niemand die het voor Fastolf opnam, en kwam Shakespeare ermee weg. 2
Het hoeft geen betoog dat de Falstaff uit de koningsstukken veel interessanter is dan de opgeblazen kikker uit de komedie. Elizabeth wilde maakwerk, ze heeft het ook gekregen. Je kan je er nog over verbazen dat de tekst toch over voldoende kwaliteiten beschikt, ook al werkte Shakespeare er maar twee weken aan. De dialogen zitten vol woordspelletjes en Shakespeare amuseerde zich door er allerlei allusies op personen en toestanden in te verwerken.
Dat prins Hal een liederlijk leven leidde, was wel historisch juist. Maar Shakespeare bedacht de prins met Falstaff, drinkebroer en substituut-vader. Meteen krijgt Falstaff in het stuk een grote rol toegewezen, en wijkt Shakespeare met plezier af van de historische feiten om die te vervangen door een vrolijke theaterwaarheid. Hoe zwaar die doorwoog, blijkt ook uit de concrete situatie waarin Shakespeare werkte. De rol van Falstaff werd toegewezen aan Will Kemp, de ‘clown’ van het gezelschap, en als dusdanig ook de vedette van de troep. Shakespeare liet zijn populaire collega in drie stukken terugkomen. Daarna liet hij de figuur echter sterven in een van de eerste scènes van Henry V. James Shapiro wijst er in zijn fascinerend boek 1599, A year in the Life of Shakespeare3 op dat er een ruzie was ontstaan tussen Shakespeare en Kemp, waarschijnlijk omdat de populaire acteur te vrijpostig omging met zijn teksten, en improvisatie zijn handelsmerk was. Will Kemp ging kwaad weg en Shakespeare, liever dan de rol aan een ander lid van het gezelschap toe te bedelen, verkoos het personage te laten sterven.
Alles in het leven van Shakespeare wordt omringd door vele vraagtekens en veronderstellingen. Zo schreef hij het eerste deel van Henry IV in 1598. Daarna werkte hij aan het tweede deel. Dat is historisch veel minder accuraat, omdat het personage van Falstaff alle ruimte krijgt. De grappen en grollen van de edelman, zijn verwachtingen en desillusies, inspireerden Shakespeare veel meer dan het getrouw navertellen van de politieke moeilijkheden van de stervende koning. In diezelfde periode haalde Shakespeare het personage uit de historische context en stopte hij hem in een vrolijke komedie. De lotgevallen van Hendrik de Vierde speelden zich af in 1400, maar Shakespeare verplaatste zijn Falstaff-figuur radicaal naar zijn eigen tijd. Of hij dat deed tijdens of na het schrijven van het koningsstuk is moeilijk te zeggen. Maar één ding lijkt wel vast te staan: The Merry Wives of Windsor werd voor een heel speciale gelegenheid geschreven. Het is een totale uitzondering in het werk van de toneelschrijver.4 Shakespeare maakte deel uit van de Chamberlain’s Men, de beste troep van zijn tijd, en als dusdanig ging hij een aantal keren spelen aan het hof van koningin Elizabeth. Dat gebeurde dan vaak in Whitehall, haar paleis in Londen. Zo werd in 1597 het eerste deel van Henry IV opgevoerd bij hare majesteit. Zij vond het personage van Falstaff zo leuk dat ze Shakespeare vroeg om speciaal voor haar een stuk te schrijven dat uitsluitend over deze Falstaff zou gaan. Zij gaf Shakespeare niet alleen de opdracht om een komedie te schrijven over een verliefde Falstaff, maar ook om de klus in veertien dagen te klaren. Zo gebeurde. Het stuk werd opgevoerd op 23 april 1597 en de koningin zei dat ze ervan genoten had.
Dit stuk op bestelling vertelt het verhaal van sir John Falstaff, die zo ijdel is dat hij denkt dat elke vrouw voor hem valt. Overal meent hij smachtende blikken te ontwaren. Hij verblijft in een herberg in Windsor (dus vlak bij de andere verblijfplaats van koningin Elizabeth). Hij zit krap bij kas, en moet spoedig aan geld geraken. Geen nood: hij is ervan overtuigd dat twee dames, Mrs Page en Mrs Ford, hem te kennen hebben gegeven dat ze gevoelig zijn voor zijn charmes. Een brief om een rendez-vous vast te leggen, zal onmiddellijk de pecuniaire moeilijkheden doen verdwijnen. Falstaff schrijft twee brieven, en zoals dat in de komedie gaat, komen beide dames erachter dat ze exact dezelfde ‘liefdesbrief’ hebben ontvangen. Zij, vrolijke maar eerbare burgerdames uit Windsor, zullen wraak nemen en Falstaff straffen. Zo komt hij eerst in het water van de Theems terecht. Maar Falstaff geeft niet op, en de dames willen zich best nog eens amuseren. Bij het tweede rendez-vous verkleden ze Falstaff in een vrouw, en wordt hij afgetroefd. Maar nog is het voor Falstaff niet genoeg. Ten derde male gaat hij op liefdespad. De dames willen hem ontmoeten in het nachtelijk bos van Windsor bij een eik. De lustige vrouwtjes, die ondertussen hun echtgenoten bij hun plannen hebben betrokken, verkleden de jongens en meisjes van het dorp. Ze zullen Falstaff als elfjes de stuipen op het lijf jagen. Als de grap lang genoeg geduurd heeft, laat iedereen het masker vallen. Falstaff, totaal vernederd, begrijpt nu hoe belachelijk hij zich heeft gemaakt. Is de ontnuchtering pijnlijk? Niet echt, want ten slotte zal iedereen, Falstaff incluis, naar huis gaan en rond het haardvuur nog eens goed lachen om het gebeuren.
Naast dit centrale verhaal heeft Shakespeare nog andere elementen uit de komedietraditie gebruikt. Zo is Anna, de dochter van Mistress Page, verliefd op Fenton, een kandidaat die de ouders niet zien zitten. Zij zien liever Caius, een Franse dokter die constant het Engels vermoordt – een taaie conventie binnen de komische traditie. Maar in de verwarring van de nacht wordt iedereen verschalkt en zullen de geliefden in het geheim in het huwelijk treden.
Verdi was als boerenzoon uit het kleine dorpje Busetta in grote mate een autodidact geweest. Hij had altijd geloofd dat componisten die echt meetelden een indrukwekkende fuga moesten schrijven. Nadat hij als jonge man door het conservatorium van Milaan door was gestuurd, durfde Verdi zich aan deze academische, ingewikkelde vorm niet wagen. Maar het bleef knagen. Tot hij de finale van Falstaff moest schrijven.
Dit alles levert natuurlijk geen subtiele komedie op. Het hoeft geen betoog dat de Falstaff uit de koningsstukken veel interessanter is dan deze opgeblazen kikker uit de komedie. Elizabeth wilde maakwerk, ze heeft het ook gekregen. Je kan je er nog over verbazen dat de tekst toch over voldoende kwaliteiten beschikt, ook al werkte Shakespeare er maar twee weken aan. De dialogen zitten vol woordspelletjes en Shakespeare amuseerde zich door er allerlei allusies op personen en toestanden in te verwerken. Het is zeker dat het publiek van toen heel veel binnenpretjes had. Het lijkt zelfs alsof Shakespeare ook over zichzelf grappen maakte. Falstaff is pas tot de adelstand verheven, zo leren we – ook al is ‘ridder’ een van de lagere ordes. Hij beroept zich voortdurend op zijn sociale status. Shakespeare zelf had net zijn uiterste best gedaan om in de adelstand opgenomen te worden, iets wat in die tijd voor een toneelauteur uitzonderlijk was. Schrijven voor het toneel had nog altijd iets verdachts. Pas wie poëzie schreef, telde artistiek mee. Je kan je voorstellen met welke fijne glimlach koningin Elizabeth de drukdoenerij van de nieuwe ridder op de scène gadesloeg.
Na de dood van Shakespeare (1616) bleef het toneel in Engeland een grote bloei kennen – met boeiende schrijvers, die bij ons – onterecht – zo goed als onbekend zijn gebleven. Maar eens de puriteinen de macht hadden veroverd, was het met het toneel gedaan en in 1642 werden
alle schouwburgen gesloten. Toen een tiental jaar later een eind kwam aan de puriteinse republiek, konden de Engelse koningen uit ballingschap terugkeren, maar die hadden intussen in Frankrijk een ander soort toneel leren appreciëren. Alleen als stukken aan de Franse stelregel van de ‘bienséance’ voldeden, konden ze ervan genieten. Het stond voor hen vast dat Shakespeare grenzeloze mankementen vertoonde. Als hij werd gespeeld, dan moest hij aangepast en bijgeschaafd worden. In de achttiende eeuw domineerden in heel Europa de kritische theorieën van Voltaire, die ook voor aangepaste versies zorgde.
Het ruige karakter van Shakespeares stukken trok pas de romantici opnieuw aan. En dat niet alleen in het Engeland van Coleridge of William Blake. Shakespeare werd een internationaal auteur, hogelijk geprezen in Duitsland en vereerd met schitterende vertalingen van Schlegel. Ook Italië koesterde een grote bewondering voor hem, maar het kon pas van zijn stukken genieten eens ze vertaald werden door Carcano. Hij behoorde tot de intellectuele en artistieke kringen in Milaan. Belangrijk was de salon van Contessa Clara Mafei. Onder haar gasten bevond zich ook de jonge componist Giuseppe Verdi, die een grenzeloze verering had voor de Engelse schrijver. Zijn carrière als operacomponist werd regelmatig doorkruist door libretto’s ontleend aan Shakespeares stukken. En al was dit reeds meerdere malen het geval geweest bij andere componisten vóór 1847, het jaar waarin Verdi’s eerste Shakespeareopera Macbeth werd gecreëerd, toch was er een groot verschil: Verdi poogde zo dicht mogelijk bij het origineel te blijven.
De muzikale stijl van Verdi sloot aan bij de Italiaanse traditie. In Duitsland deed zich rond 1850 een radicale omwenteling voor. Wagner verwierp de modellen uit het zuiden en zorgde voor een theatrale aanpak, waarbij de tekst de muziek stuwde. Als opera echt theater wilde zijn, dan moest de muziek volledig de inhoud en de emoties dienen, en was er geen plaats voor nummers die wel mooi klonken, maar onvermijdelijk de actie stillegden. Meteen was Verdi, ondanks al zijn talent, een ouderwets componist. Van zijn jonge collega’s was Arrigo Boito de man die Verdi het scherpst aanviel. Verdi zou het altaar van de muziek bevuild hebben. Het was tijd voor een nieuwe generatie om de modellen uit Frankrijk en Duitsland te volgen.
Toch zou er tussen de jonge intellectueel, dichter en componist die Boito was, en de oude meester, langzaam een grote vriendschap groeien. Na Aida (1871) had Verdi het gevoel dat hij een voldoende bijdrage tot de Italiaanse opera had geleverd, en dat het componeren nu afgelopen was. Maar Boito en de uitgever Ricordi vonden dat daar niets van aan was. Vooral toen Boito over Shakespeare begon, vond hij een gewillig oor bij de oude man. In het verleden had Verdi niet alleen Macbeth gecomponeerd; hij had er ook vaak aan gedacht om King Lear aan te pakken. Boito kon hem er nu van overtuigen om Othello als onderwerp te kiezen. Dat leverde meteen een schitterend werk op, dat zeer gediend was door de virtuoze bewerking van de jongere librettist. Verdi vernieuwde zijn muzikale taal en liet de formule van de nummeropera helemaal achterwege. Je kunt er een invloed van Wagner in ontdekken, maar Verdi verdedigde zich tegen zulk een opvatting. Hij bleef Italiaanse muziek schrijven, beweerde hij, en daarmee was de kous af.
Na het welslagen van Othello kwam Boito aandragen met het idee om The Merry Wives of Windsor op muziek te zetten. Had Verdi, de componist van hoogdramatische werken, niet geopperd dat hij wel eens een komedie wilde maken? Boito zag zijn kans schoon en begon aan een radicale bewerking. In de eerste plaats schrapte hij een aantal personages. Daarna liet hij een heel bedrijf weg. Hij vond er niets aan dat Falstaff zich in vrouwenkleren moest steken om aan de woede van de echtgenoten te ontsnappen. Hij dacht ook dat de figuur van Falstaff niet erg interessant was, als hij hem niet enige diepte kon geven. In Henry IV vond hij een passage over de eer. Het is een woord dat alleen een beetje lucht verzet, maar verder betekent het niets. Boito plaatste dat moment van ontluisterend inzicht vlak na de scène waarin Falstaff in de Theems wordt gekieperd. Boito wilde met deze ingreep de figuur van Falstaff een menselijke dimensie geven, en van de boertige farce, zoals ze er bij Shakespeare staat, een meer gelaagde komedie maken. Falstaff vergist zich door zijn ijdelheid, maar dankzij deze korte monoloog kan het publiek even meevoelen met Falstaff wat het getreiter van het hele dorp betekent.
Verdi accepteerde enthousiast de versie van Boito. ‘Ik ken niemand die dit beter had gekund’, schreef hij aan de librettist.5 Die had zeker voor twee scènes gezorgd die al zijn kunnen op de proef zouden stellen. Verdi had heel zijn creatieve leven lang van zulke uitdagingen gehouden.In het tweede bedrijf had Boito de actie mooi georganiseerd als een samenspel van groepsactiviteiten en acties met twee of drie personages. De vrouwtjes van Windsor stonden niet alleen tegenover de jaloerse mannen. Hij verstrengelde beide groepen, en vroeg aan Verdi meteen een groot, complex ensemble. Pesterijen, sluwheid, jaloerse woede en fragiele liefde liepen door elkaar. Verdi had al altijd uitgeblonken in ensembles (solisten en koor, zoals in Othello), maar hier overtrof hij zichzelf. Hij maakte er een bont en virtuoos tapijt van, vol afwisseling en kleur. Het was tenslotte niet alleen een huzarenstukje van de componist, maar ook een uitdaging voor dirigent en zangers.
Het laatste bedrijf trok Verdi zeker aan. De boom, Falstaff als hert (o ja, de hoorndrager) en de nimfen in de nacht vormden een prachtig romantisch onderwerp. Als het kinderkoor aan de muziek deelneemt, hoor je zo de sfeer terugkomen van die andere grote partituur op tekst van Shakespeare: de elfen van Mendelssohns Midzomernachtsdroom. Zo teer en magisch had Verdi nog nooit muziek geschreven.
Er was nog een ander probleem. De komedie bleef naar inhoud toch een beetje plat. Boito had wel een betere versie gemaakt dan Shakespeare. Maar hoe moest de opera eindigen? Verdi had de vreemdste inval. Om die goed te begrijpen moeten we eerst even schetsen hoe Verdi zichzelf zag. Hij was als boerenzoon uit het kleine dorpje Busetta in grote mate een autodidact geweest. Hij had altijd geloofd dat componisten die echt meetelden een indrukwekkende fuga moesten schrijven. Nadat hij als jonge man door het conservatorium van Milaan door was gestuurd6, durfde Verdi zich aan deze academische, ingewikkelde vorm niet wagen. Maar het bleef knagen. Tot hij de finale van Falstaff moest schrijven. Nu hij tachtig jaar oud was en wellicht zijn laatste opera schreef, voelde hij het ogenblik gekomen om eindelijk wraak te nemen op zijn leraars en een proeve van kunde af te leggen. Hij schreef een stuk muziek dat aan alle conventionele eisen beantwoordt, maar wist er een imponerende, vitale bladzijde van te maken.
Verdi was er zo op gebrand om zijn werk met een fuga af te sluiten dat hij er nog niet eens een tekst voor had. Boito moest later maar iets verzinnen, en hij kwam op de proppen met de tekst ‘heel de wereld is een gekkenhuis’. Niet alleen de personages op de scène, maar ook iedereen die in de zaal zit, laat zich beetnemen. Het wil zoiets zeggen als: lach niet met een ander, want je bent zelf ook de pineut. Verdi liet de zangers uit hun rol treden en de zanger die Falstaff vertolkte, nam op dat moment de leiding van het ensemble. Zo bekwam hij als effect dat Falstaff toch een diepere laag krijgt, en meer is dan de bouffonnerie die eraan voorafgaat. Moet het gezegd dat dit einde zoveel beter is dan dat van Shakespeare?
Om afscheid te nemen van de Vlaamse Opera heeft Marc Clémeur een bestaande Falstaff-productie uitgenodigd, die eerder in Straatsburg werd gemaakt, de stad waar hij nu naar verhuist. Bij de Vlaamse Opera heeft hij achttien jaar lang een zeer interessant parcours afgelegd, en dat verdiende afgesloten te worden met een productie die als een mooi afscheid kon gelden.
Helaas, het heeft niet mogen zijn. We kregen iets dat uit een verre provincie leek te komen. Veel woorden moeten er niet aan besteed worden. Dit was ondermaats. Mij zal vooral de scène bijblijven waarin zomaar uit het zwerk – pardon, de toneeltoren – twee elfen aan zeer goed zichtbare draden boven de scène onhandige buitelingen maken. Dat gebeurt terwijl Nanetta een zeer gevoelige aria zingt (zowat de enige in de hele partituur). Hoeft het gezegd dat de muziek totaal kapotgemaakt werd door deze onvergeeflijke inval van een Italiaans regisseur? Daarbij had hij (of de assistent die voor de herinstudering tekende) ervoor gezorgd dat Falstaff zelf een klein, komisch burgermannetje was, met alle tics van een ouderwetse onkomische komiek.
Neen, dan moet deze voorstelling het op alle fronten afleggen tegen de productie die enkele jaren geleden in De Munt te zien was. De Duitse regisseur Willy Decker had daar gekozen voor een gewaagd concept, en werd gediend door José van Dam in de titelrol. Als Falstaff in de handen van een begenadigd acteur terechtkomt, gaan alle kwaliteiten van Verdi’s werk open. Dan vermengt zich de lach met bitterheid. Zonder twijfel zoals de tachtigjarige componist zich dat heeft voorgesteld. Bij de première van Falstaff in 1893 was Verdi tachtig jaar, inderdaad, en tot wat een vitaliteit en vernieuwing was de oude meester in staat. Het blijft verbazen, en ergens voelen we ons dankbaar dat Boito, met respect en enthousiasme, Verdi aan zijn schrijftafel heeft gekregen. Een meesterwerk sloot zijn rijke creatieve loopbaan af.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.