Being Britney – Colette Goossens
Het prisonneke van de psychoticus
Charlotte De Somviele
Het voorbije jaar regisseerden en speelden Joachim Robbrecht en Enkidu Khaled het theaterproject Tank Tink. Ze wilden niet zozeer een toneelstuk opvoeren, maar vooral verschillende perspectieven samenbrengen van kunstenaars die elk via hun eigen medium bezig zijn met de relatie tussen oorlog en ecologie. Dit ensemble zette een soort gedachte-experiment op, met als centrale vraag: wat als de natuur de oorlog heeft verklaard aan de mensheid? Deelnemend kunstenaar Brian McKenna blikt terug.
Macbeth (1606) van William Shakespeare gaat over de opkomst en ondergang van een arrogante koning. In zijn hoge positie, zo luidt een profetie, heeft hij niets te vrezen zolang het woud niet naar zijn kasteel komt. Macbeth neemt die bovennatuurlijke prognose bloedserieus. Het waren ook de bovennatuurlijke krachten die hadden voorspeld dat hij aan de macht zou komen, en die hem mee op de troon hielpen. Hoewel het dodental in Macbeth indrukwekkend hoog oploopt, gaat de echte tragedie om overmoed. Uiteraard rukt het woud uiteindelijk op naar het kasteel: Macbeths belagers vellen bomen en gebruiken ze als camouflage. Het stuk kan dienen als een parabel voor onze tijd. Ook daarin ontvouwt zich een ‘ecotragedie’. De krachten van de natuur lijken op te trekken naar ons kasteel, terwijl we de tekens en voorspellingen compleet fout interpreteren.
Tank Tink is ontstaan vanuit de behoefte om conflict, geweld en oorlog op een andere, bredere manier in het publieke debat te brengen. Zowel in het nieuws als in het theater ligt de focus vaak op geweld als een menselijke tragedie, waardoor sommige aspecten onderbelicht blijven. Zo ontsnappen in het directe drama van de oorlog in Oekraïne andere dimensies aan de aandacht. Denk maar aan de langetermijnimpact van oorlog op economie en ecologie, en de langdurige effecten op de menselijke gezondheid.
De titel Tank Tink is een woordspeling op de think tank of denktank: het type onderzoeksinstituut en belangenvereniging dat tijdens en na de Koude Oorlog in de Angelsaksische wereld aan populariteit en invloed won. Denktanks zijn doorgaans particuliere belangengroepen die onderzoek doen en strategieën aanbevelen aan regeringen, militaire organisaties en bedrijven. Denktanks proberen ook via de media en via lobbywerk hun doelen te bereiken. Voorbeelden van actieve denktanks zijn the Foundation for Defense of Democracies (FDD), haar officieuze dochterorganisatie the European Foundation for Democracy (EFD) en the European Policy Centre (EPC). Allemaal hebben ze lange lobbyarmen die tot in Brussel reiken.
Als onderzoeksinstellingen organiseren denktanks geregeld seminaries en nodigen ze experts uit allerlei vakgebieden uit: van industrie en defensie tot de exacte en humane wetenschappen. Denktanks nemen zelfs bekende figuren uit de avant-garde en andere hedendaagse kunstenaars onder de arm. Hun onderzoeksresultaten dienen vaak om een specifieke agenda door te drukken, in lijn met de missieverklaringen van specifieke instellingen. Militaire organisaties en hun partners pompen bijvoorbeeld geld in eerder oorlogsgezinde denktanks, vooral in de Verenigde Staten, waar ze wegen op de publieke opinie en het overheidsbeleid. Zo kreeg het Center for Strategic and International Studies (CSIS) een financiële injectie van het Pentagon en zijn partnerinstellingen. Zulke denktanks worden regelmatig geciteerd in de media, maar worden zelden als bron vermeld.
“Het krachtige verhaal van Ogutu Muraya brengt het verleden naar het heden — een plek waar de onderdrukten uiteindelijk onderdrukkers worden en de cirkel van geweld voortzetten.”
Robbrecht en Khaled voerden hun Tank Tink in het najaar van 2022 op in het Kaaitheater en de Monty, en begin 2023 in Theater Rotterdam. Aan de voorstelling werkten onder meer Ogutu Muraya, Caroline Ngorobi, Chris Keulemans, Sara Dziri, Anika Schwarzlose en Brian McKenna mee. Dit ensemble van kunstenaars met verschillende disciplines en achtergronden boog zich over oorlog en ecologie — thema’s die ze verkenden in hun eigen medium. Robbrecht en Khaled wilden een soort denktankseminarie nabootsen. De deelnemende kunstenaars presenteerden autonoom werk dat op het podium in een dialoog werd ingepast. Het geheel ademde de sfeer van een discussieforum — een multiperspectivisch onderzoek naar de wisselwerking tussen oorlog en ecologie in het verleden, het heden en de toekomst.
Via hun bijdragen aan dit forum raakten de deelnemers belangrijke vragen aan over geweld — hoe kun je het weergeven op het toneel, of op een echt ‘oorlogstoneel’, en hoe komt het dat het zo moeilijk valt voor te stellen? Wat voor geweld schuilt er in de schaduw van de oorlog, lang nadat de openlijke vijandelijkheden voorbij zijn? Terwijl we dagelijks overspoeld worden met nieuwsbeelden van gevechten en platgebombardeerde huizen, bestaan er nog andere vormen van vernietiging die misschien te indirect zijn, of te traag om de actualiteit te halen.
De openingsmonoloog van Robbrecht vuurt een positieve boodschap op het publiek af: ‘Ik zie mensen die de wereld willen verbeteren door baanbrekend wetenschappelijk werk te doen, door indrukwekkende kunst te maken, door kritische artikels te schrijven, of inspirerende boeken, of door duurzame bedrijven op te starten…’ Eigenlijk is die inleiding recht uit een TED-talk geplukt, namelijk uit de Why I Chose a Gun-presentatie van voormalig militair commandant Peter van Uhm uit 2011. De monoloog verrast het publiek, dat zich een oorlogsretoriek eigenlijk helemaal anders had voorgesteld. Robbrechts ironische vertolking benadrukt het wijdverbreide ‘psychologische geweld’ waarbij humanistische waarden worden verdraaid om militaristische oplossingen te promoten.
Sara Dziri creëert met haar muziek en soundscapes een auditieve scenografie; een weefsel dat de verschillende fasen van het stuk bij elkaar houdt. Haar scenografie ontvouwt zich met elementaire en gesynthetiseerde geluiden, en evoceert een dialogische ecologie door ‘artificiële’ en ‘natuurlijke’ geluiden te combineren. Strandgeluiden vormen een terugkerend motief: de golven die aan land rollen, de roep van vogels in de verte en mechanische en elektronische geluiden die geleidelijk aanzwellen. Tegen de veranderende achtergrond van deze sonische hyperrealiteit krijgt het gespreksformat van Tank Tink vorm.
“Giftig stof van westerse munitie kan de longen lamleggen en ‘DNA versnipperen’… De zandstormen die verarmd uraniumstof meebrengen, komen almaar vaker voor en laten een spoor van vernieling achter.”
In een mix van vrije en voorbereide passages introduceren en ondervragen Robbrecht en Khaled de deelnemers, waarbij ze hun werk in het forum verankeren en hen terugroepen naar de arena van de denktank. Of is het misschien een rustige vakantie aan het strand? Of zijn we verdwaald in de woestijn? Richting een vallei aan het wandelen? Of ons aan het verstoppen in een bos?
Ogutu Muraya draagt een tekst voor waaraan Caroline Ngorobi meeschreef. Hij is gebaseerd op de memoires van veldmaarschalk-generaal Muthoni wa Gakenia. Het krachtige verhaal brengt het verleden naar het heden — een plek waar de onderdrukten uiteindelijk onderdrukkers worden en de cirkel van geweld voortzetten. Het verhaal wordt ondersteund door oude nieuwsbeelden van de Mau Mau-opstand in het Kenia van de jaren 50 en 60, afgewisseld met nieuwsfragmenten van hedendaags conflict. Scènes van verzet en van vlucht, en van willekeurige bombardementen op het Boniwoud herhalen zich, zij het met nieuwe spelers in de hoofdrol. De huidige Keniaanse regering gelooft dat de terroristische organisatie Al-Shabaab zich er schuilhoudt en vernietigt daarom het woud.
Muraya’s woorden nemen ons mee naar Muthoni’s donkerste momenten, toen hij in de jaren 60 in grotten moest schuilen voor bombardementen van de Royal Air Force. Hij voelde het brutale geweld van de bommen op het Boniwoud en al het leven erin. Muthoni’s woorden nemen ons mee de grotten in. Het voelt alsof we daar zijn, in shock, rouw, woede en solidariteit. Maar misschien zijn dit niet echt de donkerste momenten. Misschien is het routine geworden, de zoveelste aanval in een eindeloze reeks. Toch zit de bescherming die we zoeken vanbinnen, op de grens tussen leven en dood. In leven en dood vindt ons hoofdpersonage — een vrouwelijke verzetsheldin die vecht tegen de Britten — enkel het ‘niets’ in zichzelf. Ze moet de tocht ondernemen naar de vallei van de zielen die vastzitten.

Tank Tink, Joachim Robbrecht en Enkidu Khaled © Brian McKenna
Terwijl Muraya de nadruk legt op de cirkel van geweld en de directe gevolgen voor zowel mensen als niet-mensen, focussen Anika Schwarzlose en Brian McKenna op processen die nazinderen nadat de oorlogen bedolven zijn onder het zand van de tijd. Zij brengen een soort speculatieve archeologie ten tonele. Hun bijdrage bestaat uit live-cinemafragmenten rond gevonden voorwerpen: militaire hardware zoals gebruikte kogels en stukken van pantservoertuigen, vervuilde aarde, gewoon zand, prikkeldraad. Met close-upmacrolenzen en een videomicroscoop bootsen Schwarzlose en McKenna een forensisch onderzoek naar geweld na; ze bestuderen een soort fall-outesthetiek, ze roepen de tijd van een ander type geweld op — dat van processen die doorwerken lang nadat wij verdwenen zijn.
Schwarzlose en McKenna spelen met schaal: kogelhulzen van groot kaliber kletteren in slow motion op de grond en doen aan kerkklokken denken. Er zijn ondergrondse geluidsopnames van de holle industriële ‘boem’ van militair materieel en rommelende seismische golven, en van militaire oefenterreinen. Tijdschalen raken verder vervormd door fragmenten van 3D-computerbeelden die door een labyrint van speculatieve assemblages vliegen: roestende militaire hardware in staat van ontbinding, voertuigen, stenen, raketten, geweren en staal versmelten tot postapocalyptische monsters. Terwijl deze visioenen onder het zand verdwijnen, zorgen de seismische trillingen van lage bassen voor een viscerale verbinding tussen lichaam en beeld.
Schwarzloses en McKenna’s audiovisuele analyses verkennen zones van geweld die ver weg zijn in tijd en plaats, en staan daardoor in schril contrast met Khaleds voorstelling van geweld. Zijn performance speelt zich, qua menselijk gebaar, heel erg in het hier en nu af. Dat hij een watermeloen en een mes gebruikt (en een vrijwilliger vraagt om het fruit voor zijn gezicht te houden), maakt de bijdrage diep voelbaar, angstaanjagend, bloederig en verontrustend — maar tegelijkertijd cartoonesk en komisch. Er ontstaat een spanning: we beseffen dat het om theater gaat maar voelen toch een diepe afkeer opborrelen. Hoewel we ons ervan bewust zijn dat het enige echte slachtoffer een watermeloen is, weten we intuïtief nooit zeker waar het geweld zal stoppen.
De monologen waarmee Robbrecht tussenkomt — sommige ervan nemen de vorm van een tirade aan — borduren voort op de ironische houding van zijn opening, en schetsen een ontluikend ecodrama. Hij brengt verslag uit over Gaia, die terugvecht in ‘de oorlog van de mensheid tegen de natuur’: er zijn walvissen die vissersboten aanvallen en kwallen die mediterrane stranden bezetten waardoor budgetreizigers niet meer in het water durven. Hij zet humor in, ook al voelt het alsof daar geen ruimte voor is. Die vreemde mismatch herinnert ons voortdurend aan de cognitieve dissonantie die we ervaren wanneer we, in het volle besef van alle ellende en leed in de wereld, in de zon een ijsje eten. Een superieure positie, in morele of andere zin, lijkt onmogelijk. Ongeacht de positie die we proberen in te nemen in een conflict, lopen we het fatale risico onze eigen zwakheden en onzekerheden te ontkennen. Oorlog, of het veelgebruikte synoniem ‘verdediging’, is tenslotte echt een kwestie van ‘veiligheid’. En hoe dan ook lijkt oorlog ons uiteindelijk altijd in te halen.
“We koesteren het ongefundeerde geloof dat wetenschap en technologie vanzelf wel de ecologische puinhoop zullen opruimen die we met wetenschap en technologie hebben gecreëerd.”
Naarmate Tank Tink verder gaat, begint het ecodrama meer op een ecotragedie te lijken. Vooral het werk van Chris Keulemans maakt dit duidelijk. Hij vertelt hoe hij opgroeide in een groen Bagdad vol mogelijkheden en optimisme. Wanneer hij naar de stad terugkeert, lang nadat ze voor het Westen een ‘mission accomplished’ is, wordt hij er geconfronteerd met sociale en politieke onrust, en met de fysieke weerslag van twee grote militaire ‘interventies’:
“De gevolgen zijn nog elke dag zichtbaar:
1 op de 4 Irakezen lijdt aan astma;
1 op de 40 baby’s geboren in Basra komen ter wereld met misvormde hoofden en afschuwelijke afwijkingen. En dat is nog maar het begin. In 2003 alleen al hebben ze evenveel verarmd uranium op Irak gedropt als 250.000 keer Nagasaki.”
De verwoestijning neemt steeds toe — niets nieuws voor de regio, maar het proces wordt versneld door verschillende dammen in de Tigris en Eufraat, en door Saddams drooglegging van de moeraslanden van Basra in de vroege jaren 90. Misschien wel het ergst van al zijn de zandstormen. Giftig stof van westerse munitie kan de longen lamleggen en ‘DNA versnipperen’… De zandstormen die verarmd uraniumstof meebrengen, komen almaar vaker voor en laten een spoor van vernieling achter.

Tank Tink, Joachim Robbrecht en Enkidu Khaled © Brian McKenna
Dat zich hier een ecotragedie ontvouwt, zou geen verrassing mogen zijn voor wie probeert een eerlijke analyse te maken van hoe oorlog en ecologie op elkaar inwerken. En als dit echt een tragedie is die zich op het toneel afspeelt, dan is een catharsis misschien niet ver weg. Maar kunnen we zo zelfvoldaan zijn dat we onszelf buiten beschouwing laten? Gaan we toelaten dat de grote acteurs en slachtoffers in deze drama’s onze lelijke emoties schoonspoelen? Wat met onze schaamte? Misschien is het een kwestie van perspectief, en is het dat waarmee Tank Tink ons wil confronteren en wakker schudden: het perspectief van onze percepties. Misschien is er echt geen superieure positie mogelijk.
Khaled legt uit hoe theater maken in Irak een manier was om aan de oorlog te ontsnappen. Toen hij in België aankwam, voelde hij zich verplicht om theater te maken over de oorlog. Hij vertelt dat zijn psycholoog hem aanraadde andere onderwerpen te verkennen. Toen hij voor klimaatverandering koos, leidde dat hem meteen terug naar de oorlog. Tot op zekere hoogte zijn oorlog en ecologie hetzelfde. Khaled zegt langs zijn neus weg dat hij zin had in een nieuwe rol, dat hij niet eeuwig het Iraakse oorlogsslachtoffer wilde spelen. Maar nu, op dit podium, omarmt hij de typecasting. In zekere zin is dit de kern van de tragedie: dat je aan de oorlog gewoon niet ontsnapt. Zelfs in totale ontkenning word je nog gedefinieerd in functie van de oorlogstragedie. O ironie.
Tank Tink eindigt met een ‘zandstorm’, een totale desoriëntatie: Dziri’s soundscape die het verlies en het eenzame ronddwalen van de spelers onderstreept; onze ultieme collectieve toekomst; Muraya’s verhalen over de ontbladering van het Boniwoud die tot in het extreme is doorgevoerd; een volgende fase in Schwarzloses en McKenna’s millennialange fall-out. Ironisch en zelfbewust ploegt de denktank voort in de apocalyps die ze zelf heeft gecreëerd.
Door het apocalyptische overkoken en omwoelen van de grond komen in Tank Tink culturele artefacten aan de oppervlakte: situationele en paradoxale objecten. Het zijn fragmenten van verhalen, persoonlijke fotoarchieven, metallurgische monsters vergroot door een microscoop, verre echo’s van herinneringen, nieuwsuitzendingen en kogels, om er maar een paar te noemen. Wat menselijk en niet-menselijk is — wat we zijn en hoe we onszelf zien — is voortdurend in beweging in die objecten. Oorlog neemt ons onze menselijkheid af, en terwijl we naar menselijke connecties grijpen, lijken we op de ene of andere manier het niet-menselijke en ecologische weefsel van ons leven te vergeten.
Tank Tink eindigt met half geformaliseerde, pittige discussies met het publiek — een soort tegengif tegen de verpulverende desoriëntatie van het project. Er spreekt een vertrouwen in het mens-zijn uit, in het samenbrengen en delen van onze perspectieven. De verschillende performances lokken een open en gepassioneerde discussie uit over oorlog, zijn gevolgen en onze medeplichtigheid — stilzwijgend of niet. Er borrelen gevoelens op die iedereen schijnbaar ervaart.
Blijkbaar hebben we bijvoorbeeld geleerd dat we ‘onszelf moeten veranderen’ om de wereld te veranderen, maar aan dat advies kleeft precies altijd een soort individualistisch-consumentistische ondertoon. In onze huidige staat van humanitaire en ecologische crisis lijkt het winstbejag van leiders niet zwaar genoeg te wegen om onze koers betekenisvol te veranderen. Wanneer wijzen we dan met de vinger, en in welke richting? Verder lijken we te denken dat de mens van nature gewelddadig is. Maar klopt dat wel? Of worden we zo eigenlijk alleen maar uitgenodigd om mee de verantwoordelijkheid te dragen voor de misdaden van een select groepje? Waarvoor kunnen en moeten we onze verantwoordelijkheid nemen? Misschien zijn wij het slachtoffer, maar houden we met de angst, het verraad, de haat en de woede om onze slachtofferrol de cirkel van geweld niet juist in stand? Hebben we dat nu nog niet begrepen?
Net als de profetieën van de heksen en bovennatuurlijke verschijningen van Macbeth, hebben onze überrationele wetenschap en technologie ‘de mensheid’ buitengewoon machtig gemaakt. Maar we lijken net zo goed de onheilspellende signalen en voorgevoelens te negeren en liever onze onoverwinnelijkheid te koesteren. Daarbij komt nog eens het ongefundeerde geloof dat wetenschap en technologie vanzelf wel de ecologische puinhoop zullen opruimen die we met wetenschap en technologie hebben gecreëerd. In het echte leven zijn denktanks zelden zo ongevoelig voor eigenbelang dat ze tot zinvolle zelfreflectie komen. Maar op het podium biedt Tank Tink ruimte voor ironie, oprechtheid en minder ‘geoperationaliseerd’ onderzoek. Zonder het expliciet te proberen, lijkt dit theaterproject te suggereren dat onze ecologische problemen misschien eerder moreel en minder technisch van aard zijn.
Hoewel Macbeth veel op zijn kerfstok heeft, hoewel hij voorstelt om de boodschapper van zijn ondergang te martelen en te doden, laat zijn schaamtegevoel hem nooit helemaal in de steek. Dankzij die schaamte blijft er iets van zijn menselijkheid bewaard, zelfs na de dood. Opnieuw kan deze tragedie dienen als een parabel voor onze huidige humanitaire en ecologische situatie. Misschien zal onze schaamte ons redden — misschien is dat alles wat we hebben.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.