Lullabye – Anneleen Keppens
Wie zorgt er voor wie zorgt?
Tom Rummens
© Olympe Tits
Altijd fijn wanneer een regisseur onbetreden paden durft in te slaan – het getuigt van een verlangen om de eigen praktijk te blijven bevragen en uit te dagen. Maar in de stretch naar een kleuteropera laat Tom Goossens zijn grootste troef uit handen glippen: de meerlagige ontleding van zowel inhoud als vorm, die zijn vorige producties zo’n diepgang bezorgde.
Nog afschrikwekkender dan een zaal vol kleuters is wellicht de gedachte aan een zaal vol kleuters. Ze vormen, in al hun diversiteit, een groot en wemelend zwart gat vol onvatbare deeltjes: wat kunnen ze, wat willen ze, wat begrijpen ze, waarop reageren ze? Er is in Vlaanderen maar een handvol professionele gezelschappen dat écht expertise heeft met deze leeftijdsgroep; het Gentse 4Hoog is daarbinnen de belangrijkste speler. Geen wonder dat regisseur Tom Goossens, die de afgelopen zeven jaar naam maakte met gelaagde operabewerkingen, zich tot 4Hoog-dramaturge Katrien De Bruycker wendde met zijn idee voor een kleuteropera.
JUPI (3+) is een bewerking van Händels Semele (1744), een driedelig muziekdrama gebaseerd op een van Ovidius’ Metamorfosen. Centraal staat de jaloezie – in het libretto van de seksuele jaloezie, in Goossens’ versie de kinderlijke jaloezie van “wij spelen met twee, joepie jee”, terwijl een derde aan de kant blijft staan. De scenografie (Jana Roos) voert ons hoog de wolken in: twee vriendjes (actrice Carine van Bruggen en sopraan Lissa Meyvis) hinkelen in een witte pluche wereld van wolk naar wolk omhoog, met elke sprong zetten ze een andere toonaard. De een verkent vol bravoure elk obstakel, de ander is voorzichtig en terughoudend. Toch beschikt het personage van Meyvis over een magische kracht: haar stem. Die brengt haar hoger en verder dan de overmoedige Van Bruggen: “Ik kan elk ding, ik aai en spring, maar zingen kan ik niet.”
Wanneer de nacht valt en de slaap toeslaat heeft de een de ander verraden, achtergelaten in het duister. De ochtend brengt een zoete samenzang uit hogere sferen: Meyvis en luitist Thomas Langlois hebben zich – weliswaar in een gouden kooi – verenigd in een nieuw, harmonieus duo. De jaloerse interventies van de ex-beste vriend escaleren tot een wraakzuchtig hoogtepunt – “Blaas maar op!” – en zo geschiedt. Het verzengende vuur waarmee Jupiter in de oorspronkelijke mythe Semele opbrandt, wordt hier een windhoos die haar verzwelgt. Ze verdwijnt, en bij haar ex-BFF begint de spijt te knagen.
“Het lijkt wel alsof Goossens in JUPI werd bevangen door de zuigkracht van het vervaarlijke zwarte gat: de angstige gedachte dat zijn vertrouwde alaam voor kleuters te hoog gegrepen zou zijn.”
De grote kracht van Goossens’ oeuvre is dat hij een vermeend ‘moeilijk’ of ‘elitair’ medium als opera de voorbije jaren wist open te breken voor een breed publiek, zoals in het heerlijke tweeluik rond Strauss’ Die Fledermaus: op de statige bühne van Opera Ballet Vlaanderen injecteerde hij de (concertante) opera met meta-toneel, in de populaire context van de Zomer van Antwerpen maakte hij van toneel een sprankelende operette. Zijn bewerkingen berusten daarbij steeds op twee poten: de postmoderne ontleding van het medium zelf aan de hand van metatheatrale knipogen (maar zonder de schadelijke ironie), en een ingrijpende, vaak erg spitsvondige (veelal Nederlandstalige) en muzikale bewerking van het libretto. Beide procedés breken het medium bijna letterlijk open (in taal, in regie, soms ook in scenografie) en verschaffen zo ‘toegang’, ook voor de niet-operakenner.
Metatheatraliteit en tekst: geen evidentie voor kleuters, inderdaad. Het lijkt wel alsof Goossens in JUPI werd bevangen door de zuigkracht van het vervaarlijke zwarte gat: de angstige gedachte dat zijn vertrouwde alaam voor kleuters te hoog gegrepen zou zijn. Van metatheatraliteit is in JUPI weinig terug te vinden: op een kort spel met het licht na vertelt het verhaal wat het vertelt, treedt het niet buiten zichzelf, maakt het niets zichtbaar naast datgene wat er gebeurt – waardoor JUPI van de weeromstuit een beetje braaf aandoet. Dat geldt voor de regie maar ook voor het spel: Van Bruggen en Meyvis slagen er niet in – hoewel ze ongetwijfeld deze kwaliteiten bezitten – om iets gelaagder te vertellen dan het herkenbare ‘zing maar lalala, alsof ik niet besta’. En eigenlijk is een gebrek aan (zelf)reflectie precies ook het probleem met de tekst, die nogal vlak blijft zowel in vorm als in inhoud – het contrast met de rijkdom van Goossens librettobewerking in BANKET! (2019), naar Verdi’s Macbeth, kon niet groter zijn.
Dat kleuters en meerlagigheid niet met elkaar in tegenspraak zijn hoeft hopelijk geen betoog meer – we zagen het onlangs nog in praktijk gebracht bij 4Hoogs eigen aandoenlijke Rommelpaard. De vraag is, en blijft us, waarom JUPI zo’n bleke afspiegeling is geworden van Goossens’ kunnen.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.