Jamila Barakat, ذاكرة (dhakira), mixed media on wood panels, 2025. Courtesy of the artist. Photos by ©️ Loredana Zafisambondaoky

Leestijd 12 — 15 minuten

Artistieke autonomie na Gaza

Hoe culturele censuur in Berlijn solidariteit de kop indrukt

De veelgeprezen Berlijnse kunstscene is in gevaar. Dalia Maini, hoofdredacteur van de Berlijnse straatkrant Arts of the Working Class, legt de vinger op de wonde van een nieuw cultureel mccarthyisme in Duitsland, waarbij bureaucratische valstrikken worden gespannen als politiek wapen tegen solidariteit met Palestina. Hoe houdt een culturele scene stand onder de verpletterende druk van politieke inmenging, administratief isolement en sluipende zelfcensuur?

Er is een belichaamd aspect aan fascisme dat niet alleen het zenuwstelsel aantast, maar ook de fysieke choreografie van lichamen in de ruimte; hun onderlinge resonantie wordt verstoord. Het lichaam registreert dit niet meteen, maar pas gaandeweg. Een van de meest dramatische en gewelddadige instrumenten van het fascisme is de manier waarop het lichamen via bureaucratische en juridische procedures dwingt om zichzelf en anderen onder controle te houden. Het brengt lichamen voort die niet langer open en nieuwsgierig zijn, maar gereserveerd, gecensureerd, verkrampt; gedwongen tot vijandschap met zichzelf, losgezongen van hun vitale omgeving. Een lichaam dat zijn longen vergeet, “een land dat vergeet adem te halen”, zo schrijf ik dit op, denkend aan het werk van de Palestijns-Duitse kunstenaar Jamila Barakat.

Het is door deze afgedwongen vervreemding en onthechting dat een genocide niet alleen mogelijk wordt gemaakt, maar ook haar maatschappelijke rechtvaardiging vindt. Barakats collages—ik herinner me haar solotentoonstelling Hoffnung لمأ (hoop) in Galerie im Turm in Berlijn—verzetten zich tegen deze vervreemding. Ze doen me nadenken over hoe alles onderling verbonden is, ze smeden de fragmentatie en het geweld van de diaspora om tot nieuwe betekenis en nieuwe daden. Haar collages zijn een soort meditatief anker voor de woorden die volgen. Wat mij betreft is dit de kern van antifascist zijn: de weigering om de resonantie met de ander te verliezen, ongeacht de omstandigheden.

Ik denk niet dat ik ooit nog dezelfde zal zijn. Sinds 7 oktober 2023 staat alles in mij op scherp—enkel omdat ik wil blijven resoneren met een Palestijns volk dat te maken krijgt met een escalerende genocide door Israël en zijn westerse bondgenoten. Die datum sloeg een onherstelbare bres; ze ontketende het donkerste imperialisme van Europa en de VS en opende een juridische doos van Pandora. Gesmeerd door onevenredig geweld buiten de eigen grenzen, maar met brute precisie toegediend via een ongelijkmatige dood, raakt het Europese maatschappelijke lichaam ontwricht: het leeft gelijktijdig met en is medeplichtig aan een genocide. Dit lichaam wordt gereguleerd door een gelaagde structuur van nationale en internationale instituten (ICH, NAVO) die zijn ontworpen voor inertie. Ze weigeren deze maatschappelijke onrust te vertalen naar een nieuwe praktijk van gerechtigheid, en daarmee naar een nieuwe praktijk van menselijkheid zelf. Dit is trouwens geen plotselinge ontsporing, maar een historische opbouw van koloniale straffeloosheid waarop het Europese project is gefundeerd. Wat we nu zien, is dus een onmogelijke botsing tussen wat het maatschappelijk lichaam wíl doen, en wat het mág doen van de politieke, juridische en culturele instituten die het juist zouden moeten beschermen.

Regime van censuur

Ik schrijf dit vanuit een specifieke positie op dit slagveld: Berlijn, Duitsland, waar de afgelopen drie jaar pijnlijk hebben blootgelegd hoe weinig de vorige honderd jaar hebben geleerd over het omgaan met het collectieve trauma van de Holocaust. Dat gebrek aan reflectie is geen onschuldig wegglijden in de kieren van de geschiedenis, maar een strak geregisseerd project van sociale conditionering. Decennialang was Berlijn een uitzondering in het Europese cultuurlandschap: een stad die door haar relatieve betaalbaarheid, institutionele porositeit en historische gewicht een verzamelpunt was geworden voor kunstenaars uit de diaspora, migrerende cultuurwerkers en politieke denkers uit het Mondiale Zuiden en de Levant. De onafhankelijke culturele sector bouwde een infrastructuur van ontmoeting op die verder ging dan kunst alleen; het was een gemeenschap waarin nabijheid over grote verschillen heen kon worden gevoeld en geoefend met een zekere mate van bescherming. 7 oktober en de nasleep daarvan lieten zien hoe wankel die bescherming altijd al was. Ik schrijf vanuit dit veld, omdat de cultuursector het laboratorium bleek waar de autoritaire wending zich sneller voltrok dan in andere sectoren. Niet alleen vanwege het complexe en profetische karakter van kunst, maar ook omdat de samenleving zich juist daar op een grilligere, weerspannigere manier kan organiseren.

“7 oktober 2023 sloeg een onherstelbare bres; die datum ontketende het donkerste imperialisme van Europa en de VS en opende een juridische doos van Pandora.”

De afgelopen drie jaar heeft Duitsland een streng regime van culturele censuur opgetuigd. De cultuursector werd daarmee zowel het doelwit als het epicentrum van tegenbewegingen die een ongemakkelijke maar glasheldere stellingname eisen tegen de genocide in Gaza. Twee concepten hebben de marges van het antizionistische verzet in Duitsland sterk bepaald. Allereerst de Staatsräson of raison d’état: in Duitsland is deze term nagenoeg exclusief gereserveerd voor de speciale relatie met Israël. Voormalig bondskanselier Angela Merkel muntte de term in 2008: zij koppelde de Duitse kernbelangen rechtstreeks aan de veiligheid van Israël, ingegeven door de historische plicht om een herhaling van de Holocaust te voorkomen. In een toespraak voor de Israëlische Knesset legde Merkel uit dat de veiligheid van Israël “nooit onderhandelbaar” is.

In lijn met deze doctrine nam de Bundestag in november 2024 de Antisemitismus-Resolution aan, die overigens op fel verzet stuitte van prominente Joodse stemmen binnen en buiten Duitsland. De resolutie koppelt institutionele financiering aan ideologische volgzaamheid. Het was een tweede instrument om antizionistische stemmen de mond te snoeren via de definitie van antisemitisme van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA). Die definitie fungeert nauwelijks als bescherming voor Joodse gemeenschappen; het is eerder een dwingend quasi-juridisch instrument. Het is geen botte, openlijke censuur, maar een financiële wurggreep: wie niet meebeweegt, verliest de toegang tot middelen. Wat het met aanzienlijke efficiëntie heeft bereikt, is de administratieve gelijkstelling van een politiek standpunt—solidariteit met Palestina en kritiek op Israël—aan antisemitisme zelf. Ondoorzichtigheid is hier het wapen: het wettelijke kader is vaag genoeg om toegang te weigeren, flexibel genoeg om te discrimineren en ambigu genoeg om eindeloos over te procederen, maar tegelijkertijd helder genoeg om naturalisatieaanvragen te laten stranden en arbeidscontracten niet te verlengen.

Oyoun, Berlin © Queer Analog Darkroom / Oyoun

Om de desastreuze impact hiervan op cultuurwerkers te begrijpen, helpt het om te weten hoe het Duitse systeem van cultuurfinanciering werkt. Overheidssteun voor zowel de institutionele als de vrije kunstsector loopt via een fijnmazig netwerk van federale, deelstaat- en gemeentelijke instanties, en wordt toegekend via aanvraagprocedures die institutionele gehoorzaamheid als basisvoorwaarde stellen. Voor een cultureel divers landschap als dat van Berlijn is een staatsgefinancierd project vaak niet alleen het inkomen van een kunstenaar, maar ook de juridische basis voor hun visum. Zodra de financiering wegvalt of voorwaardelijk wordt, zijn de gevolgen niet louter professioneel, maar existentieel in bureaucratische zin. Kijk naar Oyoun, het Berlijnse cultuurcentrum dat wordt geleid door en voor queer, zwarte en diasporagemeenschappen: de geldkraan werd volledig dichtgedraaid nadat zij in november 2023 een evenement van Jüdische Stimme für gerechten Frieden in Nahost hostten.1 Of kijk naar beeldend kunstenaar Candice Breitz, wier werk uit twee Duitse tentoonstellingen werd verwijderd vanwege haar publieke solidariteit met Palestina. Ondertussen kondigde de federale overheid voor 2025 bezuinigingen tot wel 100 procent aan op de niet-institutionele kunstfinanciering met een aanhoudende daling tot 2028. De budgetposten die worden weggestreept, zijn exact de vrijplaatsen waar de tegencultuur wordt georganiseerd en waar migrerende cultuurwerkers zonder de bescherming van een Schengenpaspoort zich van hun legaal verblijf verzekerden. Dit is een zeer specifieke vorm van fysieke reorganisatie die zich op geracialiseerde lichamen richt. De keuze die rest is die tussen assimilatie, door te conformeren aan de IHRA, of uitsluiting.

Het narratief dat de Duitse medeplichtigheid aan de daden van Israël beschouwt als een traumareactie op de Holocaust, blijft in de mainstream grotendeels onbesproken. Evenmin belicht: het winstbejag van Duitse wapenbedrijven en de geopolitieke belangen in de Levant, die het beleid vele malen sterker sturen dan welke morele gewetenswroeging dan ook. Het zelfverklaarde ‘filosemitische’ linkse cultuurmilieu in Duitsland is daar het pijnlijkste voorbeeld van—gefinancierd door staatskapitaal dat medeplichtig is aan genocide, en in het zadel gehouden door een anti-antisemitisch neo-mccarthyisme, viseert het paradoxaal genoeg juist Joodse stemmen die zich weigeren te schikken. Een dergelijke performatieve alliantie blokkeert elk dieper begrip van de Israëlisch-Palestijnse verhouding en maakt van culturele instellingen de handhavers van die blokkade. Die bleken niet alleen onvoorbereid, maar toonden zich actief vijandig tegenover perspectieven die kritisch reflecteren op het handelen van de Israëlische staat. Het stopzetten van de subsidie aan Oyoun bewees dat het hosten van een Joodse organisatie die kritiek heeft op het Israëlische beleid genoeg is voor de totale intrekking van publieke middelen. Het cancelen van Candice Breitz liet zien dat de politieke uitspraken van een kunstenaar buiten het instituut worden gebruikt om haar aanwezigheid binnen het instituut te besmetten. Dit is nog maar het zichtbare topje van een veel breder chilling effect waarin zelfcensuur, preventieve annuleringen en stille uitsluiting de nieuwe operationele standaarden van het Duitse culturele leven zijn geworden.

De banaliteit van het kwaad

In Eichmann in Jerusalem stelde Hannah Arendt dat de Holocaust de morele ineenstorting van een hele samenleving betekende. Ze zag dat de meest alledaagse mens, functionerend binnen de meest alledaagse instituten, tot buitengewoon kwaad in staat is—niet door te veranderen in een monster, maar door zijn eigen oordeelsvermogen op te geven en op te houden met denken. Wat ze de “banaliteit van het kwaad” noemde, was geen vrijpleiten van maar een aanklacht tegen een heel maatschappelijk lichaam dat systematisch had geleerd het gewicht van de eigen daden niet meer te voelen. De Duitse herdenkingscultuur heeft op deze aanklacht gereageerd door ze te mystificeren in plaats van ze ter harte te nemen. Men koos voor het abstracte, totalitaire beeld van de Joodse vernietiging in plaats van de analyse van de alledaagse, incrementele, sluipende omstandigheden die ertoe hebben geleid. Schuld kreeg de voorkeur op begrip, omdat begrip zou vereisen dat men vraagt hóé het zover is kunnen komen—en ‘hoe’ is een vraag die direct terugslaat op het heden. Zo is de Joodse identiteit onvermijdelijk gereduceerd tot een token, vastgepind in een eeuwig slachtofferschap dat wordt geïnstrumentaliseerd door de instituten die claimen haar te beschermen. En dit herhaalt zich nu op pijnlijke wijze.

“De budgetposten die worden weggestreept, zijn exact de vrijplaatsen waar de tegencultuur wordt georganiseerd en waar migrerende cultuurwerkers zonder de bescherming van een Schengenpaspoort zich van hun legale verblijf verzekerden.”

We gaan een fase in waarin de autoritaire wending in Europa, gesteund en gemodelleerd door de regering-Trump, zich consolideert en normaliseert. Maar maatschappelijk gezien missen we de praktijken en de structuren om ons politiek en sociaal te organiseren. Zoals politiek analist Anton Jäger opmerkt in zijn recente publicatie Hyperpolitics: hoewel we massaal mobiliseren tegen de genocide, ontbreekt het ons aan onderlinge verbondenheid. We zijn niet voldoende vertrouwd met de arbeid die nodig is om een reële politieke impact te hebben—niet alleen om onrecht aan te klagen, maar om te bouwen aan een nieuwe politieke horizon. De vraag wat te doen en hoe te organiseren te midden van deze repressie is urgenter dan ooit. In een context waarin dissidente stemmen versplinterd zijn en voor hun overleven aan het infuus van mainstreaminstituten liggen, moeten we de betekenis van solidariteit, collectiviteit en burgerlijke ongehoorzaamheid binnen de kunsten herwaarderen. Er bestaat geen (illusoire) comfortzone meer. Wie kritisch wil handelen, moet bereid zijn het eigen belang ondergeschikt te maken aan de sociaal-politieke strijd. De groepen en strategieën die de afgelopen drie jaar zijn opgestaan, verdienen een vermelding. Er zijn coalities gesmeed, petities getekend, walk-outs georganiseerd; tentoonstellingen zijn geweigerd, microfoons doorgegeven en lichamen voor de politie geplaatst. Velen hebben zichzelf professioneel en juridisch in de vuurlinie gelegd. Sommige van deze organisaties aarzelen om in een publieke tekst als deze bij naam te worden genoemd; een risico dat in het huidige juridisch-institutionele klimaat onvermijdelijk is geworden. Onder de groepen waarmee ik gewerkt heb: de bredere ACAB-bewegingen (Arts and Cultural Alliance Berlin), die de reflectie en het debat tussen informele netwerken levend houden; Strike Germany, dat direct na 7 oktober een aanzienlijke coalitie kon mobiliseren door alle kunstwerkers op te roepen tot een staking tegen Duitse instituten, al is die beweging sindsdien in rustiger vaarwater gekomen; en Art Worker Solidarity, de jongste en wellicht meest veelbelovende formatie, die binnen gevestigde structuren zoals de kunstenaarsbond BBK (Berufsverband Bildender Künstler*innen Berlin) opereert om antizionistische kandidaturen kracht bij te zetten en de interne politiek van de professionele belangenbehartiging van binnenuit te kantelen.

Toch verkeren we, en dit wil ik benadrukken, vanwege de acute schaarste aan middelen nog grotendeels in de politiek van de eerste reflex: de schok, de petitie, de ad-hocbijeenkomst. Het is de politiek van mensen die nog niet de gewoonte hebben ontwikkeld om sámen politiek te zijn.

Het sluit aan bij de diagnose van Jäger. Hyperpolitiek produceert mobilisatie zonder organisatie, intensiteit zonder infrastructuur. We vullen een plein zonder elkaars naam te kennen; we delen een eis, maar niet de praktijk. Dit is het product van de erosie van stabiele organisatievormen, zoals vakbonden en politieke partijen, die de radicalisering rondom Gaza hadden kunnen opvangen, dragen en vertalen—structuren die de staat nu juist probeert te slopen. Voor cultuurwerkers is die erosie bovendien overgedetermineerd: hun arbeid is al geatomiseerd door projectmatige financiering, de moordende concurrentie en schaarste en de geografische verspreiding van migranten over precaire contracten. Het zijn allemaal omstandigheden die al vóór 7 oktober aanwezig waren; de huidige Duitse bezuinigingen jagen ze alleen maar aan. De omstandigheden die onze woede voeden, zijn de omstandigheden die verhinderen dat die woede indikt tot iets wat op de lange termijn standhoudt. Dit is waarom de autoritaire wending ons niet eens rechtstreeks hoeft te verslaan. Ze hoeft ons alleen maar uit te putten en te isoleren, en geduldig af te wachten. Daarom is de taak die voor ons ligt—en dit is geen conclusie, maar een aandringen—niet om radicaler te worden in onze eisen, maar geduldiger in onze relaties. We moeten het verschil leren tussen komen opdagen en blijven. Een coalitie bouw je niet met een eenmalige vergadering; het is een praktijk van herhaling, van frictie, van zorg over verschillen heen en van educatie. Het is ook wat de collages van Barakat proberen: resonanties vinden tussen afgebroken geschiedenissen; het herordenen van wat door migratie is verstrooid tot een nieuwe beweging van de ziel. Het recht opeisen om schoonheid te creëren als een vliegwiel voor rechtvaardigheid, en je erdoor te laten omringen als vorm van verzet, vereist hetzelfde geduld.

“Schuld kreeg de voorkeur op begrip, omdat begrip zou vereisen dat men vraagt hóé het zover is kunnen komen — en ‘hoe’ is een vraag die direct terugslaat op het heden.”

De Palestijnse strijd heeft iedereen die wil luisteren geleerd dat sumud—standvastigheid, weigeren te wijken—op zichzelf een politiek is. We staan pas aan het begin van dit leerproces. Onze eerste reacties lieten zien dat de resonantie met hen die strijden onvermijdelijk is. Onverschilligheid is geen optie, maar het resultaat van een versnipperde politiek. Wat nu volgt is het zwaardere, langere en minder glamoureuze werk: leren hoe we, fragment voor fragment, in elkaars nabijheid kunnen blijven.


Vertaling: Floris Baeke

Read this article in English.

1Jüdische Stimme für gerechten Frieden in Nahost is een in 2003 in Berlijn opgerichte Joodse organisatie die ijvert voor een einde aan de Israëlische bezetting van de Palestijnse gebieden.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 12 — 15 minuten

#183

08.09.2026

—

14.01.2027

Dalia Maini

Dalia Maini is a writer, editor, and community builder. Their work, amongst many intersections, investigates the sociopolitical dimensions of affect: how emotions function as sites of both oppression and resistance, and how our feelings are constructed by, and sometimes pushed back against, systems of power. They are the editor-in-chief of the street newspaper Arts of the Working Class.

© Photo: Dinh Nhung

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!