De Materie – Phia Ménard/Opera Ballet Vlaanderen/Bas Wiegers
Een schurend vooruitgangsdenken
Sébastien Hendrickx
Niemand zal ontkennen dat het bijwonen van een theatervoorstelling buitenshuis gebeurt. Het theater, de dans en de performance zijn de laatste artistieke bastions van de werkelijkheid. Elke kunstvorm heeft aan het begin van de eenentwintigste eeuw een perfect surrogaat gevonden – architectuur het beeld, film de dvd, beeldende kunst het boek, muziek de cd – dat ervoor zorgt dat we de woonkamer niet meer moeten verlaten om van kunst te genieten. Alleen theater blijft buiten achter, materieel, driedimensionaal en onreduceerbaar. Of niet? Het boek dat bij uitgeverij Lannoo verscheen naar aanleiding van het tienjarige bestaan van het Mechelse gezelschap Abattoir Fermé laat het alleszins vermoeden.
Nu is het werk van Abattoir Fermé misschien wel het slechtst denkbare om in een boek te belanden. ‘Echte’, klassieke teksten die aan de basis van hun voorstellingen liggen, bestaan er nauwelijks, en worden hier dan ook hoogstens fragmentair en voorzien van vlekken en krabbels weergegeven. Aan theorieën, interpretaties of intellectuele kaders hebben de makers een hekel. Het allerbelangrijkste is wat er op de scène gebeurt, en hoe dit de toeschouwer overhoop haalt en rillingen van afschuw, opwinding of vervoering bezorgt. Foto’s kunnen het schokkende, angstaanjagende of adembenemende karakter van de afzonderlijke scènes echter nauwelijks reproduceren. In Tinseltown, een voorstelling uit 2006, haalt Abattoir-actrice Tine Van den Wyngaert bijvoorbeeld een meterslang rood lint uit haar geslachtsdeel te voorschijn. Hoe krijgt dat een neerslag op traditionele pagina’s? Hoe kan het lezen of het doorbladeren van een boek daar tegenop? In bijna alle teksten die in dit boek zijn opgenomen, wordt dan ook gehamerd op het belang van de ervaring van de toeschouwer en van de theatrale werkelijkheid. ‘Het gaat niet meer om wat jullie willen vertellen, en hoe ik dat begrijp,’ schrijft Wouter Hillaert in een eerder in rekto:verso verschenen brief aan het gezelschap, ‘maar om hoe jullie het doen, en wat ik daarbij ervaar.’
Het boek over Abattoir Fermé bestaat uit vier vrij inwisselbare delen met beschouwende teksten, onderverdeeld in Origins (‘het zaad en de aars’), Talkies (‘scherpe zinnen met woorden die tot in de onderbuik snijden’), Silents (‘vergeilde beelden’) en Sparks (‘het kloppende hart’). Het boek is verder aangevuld met foto’s op glanzend zwart papier, tekeningen, affiches, collages, korte tekstfragmenten, een appendix met sfeerbeelden en groepsportretten en een lijst van alle voorstellingen. Er ontbreekt dus een thematische of conceptuele structuur die de dramaturgische opvattingen van het gezelschap kan overstijgen of vanuit een andere hoek zichtbaar kan maken.
De beschouwende teksten bestaan deels uit impressies van eminente Mechelaars of bekende persoonlijkheden (zoals Yves Desmet, Marc Didden, Jan De Smet of Stef Bos). Deze stukjes laten zich vooral lezen als vriendendiensten en drukken sympathie of bewondering uit, zoals in de tekst van Yves Desmet, getiteld ‘Sperma’, over ‘het beeld van een emmer behangsellijm die over de propere vloer werd uitgekieperd’ tijdens een voorstelling, en veel toeschouwers de zaal uitjoeg. ‘Dan weet je altijd dat er iets gebeurd is, die avond in het theater,’ schrijft Desmet. Ook door anderen wordt het stoute karakter van het gezelschap benadrukt – en meteen wordt er ook altijd aangenomen dat als iets aanstootgevend is, het ook wel goed, betekenisvol of existentieel zal zijn. Opnieuw Desmet: ‘Vragen stellen die iedereen verdringt, beelden oproepen die iedereen vermijdt, rauw en ongegeneerd de essentie van het leven dissecterend.’ In interviews met critici of curatoren (Elke Van Campenhout, Bram De Cock of Cis Bierinckx) geven de makers inkijk in hun fascinaties of hun intenties. Wat hier opvalt is het bewust marginale karakter van het gezelschap. Drijvende kracht Stef Lernous zegt: ‘Ik wil graag buiten elke categorie vallen. Voorstellingen maken die anders zijn, een uitzondering.’ In de meer theoretische essays wordt dit verlangde ‘anders-zijn’ in een ruimer kader geplaatst. Karel Vanhaesebrouck schrijft over het neobarokke karakter van de Abattoir-voorstellingen, en beschouwt die opnieuw vanuit hun haast ritueel karakter: ‘Alles draait rond immersie, onderdompeling, alsof je een zwembad induikt en plots afgesloten wordt van de wereld om je heen.’ In de tekst van Kristien Van Driessche wordt die onderdompeling gezien als ‘een ondermijning van de gevestigde idealen en waarden van zowel de hedendaagse maatschappij als Aristoteles’ Poëtica’. Tot slot zijn er de teksten van de makers zelf, zoals een ‘voorbeschouwing’ van het Abattoir Fermé-personage Wilfried Pateet-Borremans, of een kort overzicht op de geschiedenis van het gezelschap door medeoprichter en zakelijk leider Nick Kaldunski, in de vorm van een brief aan het Belgische koningshuis.
Het is interessant om zowel deze teksten als het gehele oeuvre te vergelijken met dat van de voorgangers van het gezelschap in het Vlaamse theaterlandschap: Jan Fabre en Jan Lauwers. Hoewel dat vaak op institutionele of theoretische gronden wordt ontkend, is het werk van Abattoir Fermé inderdaad een decadente of barokke voortzetting in de lijn van de ‘postmoderne’ makers uit de jaren tachtig. De filosofische invloeden uit het poststructuralisme zijn vervangen door populaire trash, pulp, porno en horror. Er staat niet langer één auteur centraal die als een kunstenaar creëert, maar een collectief waarvan de leden vermomd samplen, recycleren en improviseren. De drang naar poëtische, mooie of esthetische beelden is opgevolgd door een eveneens esthetiserende obsessie voor het abjecte en het lelijke. De verlangde opname in een academisch of intellectueel discours is vervangen door korte loftuitingen van bekende koppen. En wat ooit vooruitstrevend en moeilijk wou zijn, wordt nu beschouwd als vanzelfsprekend maar al te weinig beoefend volkstheater, zoals de Nederlandse criticus Martin Schouten het in dit boek omschrijft. Samengevat: waar bij Lauwers en Fabre niet meer de tekst primeert, maar de lichamen voor de inhoud zorgen, worden de ideeën bij Abattoir Fermé door afgescheiden organen voortgebracht of door verdierlijkte subjecten ‘aangeblaft’ (zoals Robert Musil het in de jaren dertig over het expressionistische theater schreef). In vette letters schrijft Wilfried Pateet-Borremans meermaals: ‘Mwhoehahahaha!!!’
De onmogelijkheid om die brute, harde en ontluisterende toneelervaring te vangen in begrijpelijke woorden, wordt in het boek dus telkens weer – inhoudelijk, stilistisch en structureel – benadrukt. Zowel de kwaliteiten als de tekortkomingen van het gezelschap komen daardoor te voorschijn: de voorstellingen van Abattoir Fermé zijn sensationele of spectaculaire ervaringen die men niet meer vergeet, maar die men toch nooit zal kunnen navertellen. De toeschouwer kan er na afloop, in de huiskamer of in de ruimte van het boek, niet mee verder, want het gaat om sensaties waar slechts zeer moeilijk over gesproken of gedacht kan worden – laat staan dat er mee te leven valt. Zo wordt Abattoir Fermé. 10 jaar slachten paradoxaal genoeg een vreemde ode aan de theatrale werkelijkheid, in een tijdperk van totale ervaringsarmoede.
Abattoir Fermé, Anatomie. 10 jaar slachten. Lannoo, Tielt, 2009
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.