De Materie – Phia Ménard/Opera Ballet Vlaanderen/Bas Wiegers
Een schurend vooruitgangsdenken
Sébastien Hendrickx
La Candidate, Anna Rispoli © Kaaitheater
Van de gespierde atleten van Leni Riefenstahl tot de mechanische precisie van militaire parades: het klassieke fascisme vierde steevast het ideaal van een strak, gehoorzaam en onoverwinnelijk lichaam. De experimentele dans van de jaren 1970 zette daar een ‘non-fascistisch’ lichaam tegenover, met contactimprovisatie als bewegingsvorm van geweldloosheid. Bojana Cvejić ziet deze ‘non-fascistische’ erfenis vandaag opnieuw opduiken in het project La Candidate Sans-Papiers, waarin solidariteit centraal staat met juist díe lichamen die het hedendaagse fascisme probeert uit te wissen.
Dat ‘fascist’ zo goed werkt als scheldwoord, komt deels door de esthetische beelden die de uitspraak ‘het zijn fascisten’ oproept. Onze naoorlogse westerse verbeelding is bezaaid, en misschien ook wel vervuild, met verschillende sociale en lichamelijke types die we met het f-woord associëren. Van het neoklassieke lichaamsideaal van de atleten uit Leni Riefenstahls Olympia (1936) en racistische fysionomiestudies naar de ideale gelaatsverhoudingen tot de militaristische tucht van uniformen, oorlogszuchtige gebaren en tierende monologen van leiders. In deze vertrouwde beeldtaal schemeren klassiek fascistische ideeën door over Arische rassuperioriteit, autoritarisme en heteronormatieve genderrollen, zoals in een vaak geciteerde regel van Nietzsche die we weerspiegeld zien in massachoreografieën in stadions: “Zo wil ik man en vrouw: de een geschikt voor de oorlog, en de ander geschikt voor de geboorte, maar beiden geschikt om te dansen met het hoofd en met de voeten.”1
Ook na het einde van het klassieke fascisme keerde deze iconografie herhaaldelijk terug. Pasolini’s Salò en Christophe Marthalers theaterproductie Murx den Europäer! Murx ihn! Murx ihn! Murx ihn! Murx ihn ab! Ein patriotischer Abend uit 1993 zijn de scherpste voorbeelden van een kritische analyse (in het eerste geval) of een politieke satire (in het tweede geval) van “een gereguleerde, anatomische, hiërarchische maatschappij waarvan de tijd zorgvuldig is verdeeld en de ruimtes zijn gecompartimenteerd, gekenmerkt door gehoorzaamheid en toezicht”, om Foucaults (1998, p. 226) beeld van fascistische discipline aan te halen. Vanaf de jaren 1970 volgt een stortvloed aan Nazisploitation in kunst, performance, cinema en popcultuur, waarin de seksuele en driftmatige kanten van fascistische macht worden geësthetiseerd, gaande van het fetisjiseren van uniformen tot sensationele afbeeldingen van geweld, seks en wreedheid, met een shockeffect in de mainstream, of gewoon als kink. Of het nu camp is of een platte provocatie, er wordt al langer graag met fascistische lichaamsfiguren gespot, misschien als een soort guilty pleasure. Maar de laatste jaren heeft die dubbelzinnige, fetisjistische fascinatie voor het fascisme haar glans verloren. Die uitputting voltrok zich gelijktijdig met het verdwijnen van het fascisme als expliciete staatsideologie, en met het groeiende inzicht dat het fascisme de naoorlogse democratie heeft overleefd in andere, minder esthetisch en ideologisch herkenbare vormen.
Wat moeten we vandaag met lichamen, in hun verhouding tot de samenleving en tot de sluipende fascisering van het bestuur? Kunnen we vandaag spreken over de opkomst van een ‘nieuw’ fascistisch lichaam, vergeleken met de erotische aantrekkingskracht die de tucht van het fascisme ooit had? Het hedendaagse fascisme opereert in een andere context: niet langer in een disciplinaire maatschappij, maar in de controlemaatschappij, waarin macht geen duidelijke grenzen kent en ze het individu tot in zijn kleinste vezels kan bijsturen. Het resulteert in een wildgroei aan ‘hyperindividuen’ die zichzelf stileren, waarbij je fascistische en non-fascistische overtuigingen of gedragingen nauwelijks nog uit elkaar houdt en geen enkel uiterlijk kenmerk nog iets bewijst. Gespierde bodybuildingsidealen nastreven of opgaan in een cultus van lichaamsverbetering zegt niets over iemands politieke identiteit, over de normen die iemand er echt op nahoudt, hoe het zit met iemands gender en seksualiteit, of iemand racistisch is of niet, enzovoort. Dezelfde lichamen laten zich in verschillende contexten tegengesteld lezen, en dat maakt elke typologie lastig én problematisch.
Af en toe duikt de klassieke fascistische iconografie nog op: bij een aanval van een neofascistische militie of een neonazimars in Europa, met hier en daar een knipoog naar de Hitlergroet. Maar in zijn wereldwijde verspreiding profileert het hedendaagse fascisme zich niet via één uitgesproken, herkenbaar lichaamsideaal. Wie zijn esthetiek wil vatten, moet kijken naar wie het wil uitsluiten, naar de lichamen van de zovele ‘anderen’ die worden geviseerd: geracialiseerde zwarte en bruine mensen, migranten, gekoloniseerde inheemse volkeren, lgbtqi-personen, mensen met een beperking, de armen en geprecariseerden, en iedereen die zich solidair met hen toont. Een betrouwbare graadmeter voor het fascisme van vandaag is de manier waarop deze lichamen tot zondebok worden gemaakt en onderworpen aan kille minachting, vervolging, of subtielere vormen van administratief of institutioneel geweld.
“Of het nu camp is of een platte provocatie, er wordt al langer graag met fascistische lichaamsfiguren gespot, misschien als een soort guilty pleasure. Maar de laatste jaren heeft die dubbelzinnige, fetisjistische fascinatie voor het fascisme haar glans verloren.”
Mijn punt is dit: het oprukkende fascisme raakt niet iedereen op dezelfde manier; de sociale verhoudingen van het moment bepalen wat er voor een lichaam op het spel staat in een proces van ‘fascisering’. Ze bepalen welke lichamen het doelwit worden van racistische, anti-trans- of anti-handicappolitiek, en welke lichamen bondgenootschappen van verzet smeden.
Om dit binnen een bestek van 2.500 woorden concreet te maken, beperk ik mijn onderzoek tot twee vragen, vertrekkend uit de hedendaagse dans en performance in de westerse wereld en Brussel. Ten eerste: hoe heeft de hedendaagse dans, vooral in het spoor van het Amerikaanse experimentalisme uit de jaren 1970, non-fascistische vormen van belichaming voortgebracht? Welke esthetische en politieke blik heeft ze uitgedragen in het sociale leven onder de westerse liberale democratie, en hoe houdt die blik stand in de huidige strijd tegen het fascisme? Ten tweede: welke relationele praktijken in performance kunnen fascisering vandaag tegengaan, nu lichamen worden ingedeeld in zij die erbij horen en bescherming verdienen, en zij wier levens als waardeloos worden gezien?
In de jaren 1970 vierde de anti-oorlogsbeweging in de schoot van de Amerikaanse anarcholiberale tegencultuur een lichaam dat de blauwdruk van het ‘non-fascisme’ zou worden. Als we kijken naar de motieven en esthetische kenmerken van deze fysieke politiek, stuiten we op verschillende idealen die de hedendaagse westerse dans nog steeds hoog in het vaandel draagt en die in de liberaal-democratische samenleving nog altijd doorleven. De postmoderne dans in de VS verwierp de disciplinerende training van de danstechniek en experimenteerde met bewegingen die werden gevormd door zowel de gegeven als de eigen interne condities: zwaartekracht, loslaten van de geometrische verticale as, diep luisteren naar innerlijke sensaties, en fysieke en sociale ontmoetingen met andere lichamen op voet van gelijkheid. Nergens komt het anti-oorlogsethos van deze experimentele houdingen zo duidelijk samen als in contactimprovisatie (CI). Een van de grondleggers, Steve Paxton, haalde de mosterd voor CI bij de Japanse krijgskunst aikido, waar het erom gaat de kracht van een aanval om te leiden in een gedeelde beweging:
“It was a profound shift from dancing to go into aikido movement and suddenly not have art be the reason you were moving the way you were, but you were moving the way you were for survival… You were responding with harmony to the violent—unbelievable!”

Fall After Newton, Nancy Stark Smith and Steve Paxton © Bill Arnold
Als je jezelf niet “in een positie plaatst die uitgaat van agressie” en niet “terugdeinst” in een gevecht, ben je geen makkelijk doelwit: “it’s much more complex for people to attack you because you’re not presenting yourself as a victim.” Toen ik Paxton ooit vroeg of ‘contacters’ konden worden beschouwd als een speciaal soort krijgers, ontkende hij dat. Ondanks de training in gevechtskunsten, oriëntatie en kracht, “was het punt juist dat ze géén krijgers waren”. Hij pleitte juist voor een methode van ont-trainen (detraining): “het afwerpen van de sociale en formele maskers die we dragen”, om zo uit te komen bij “massa’s, botten, zenuwen en sensaties” als zuiver fysieke gebeurtenissen waarin lichamen elkaar raken.2
Geweldloosheid die transformeert in weerstand tegen de zwaartekracht, onbevreesd zijn in het contact, het geven en opvangen van gewicht, en een fluïde uitlijning zijn allemaal kenmerken die naadloos aansluiten bij de non-fascistische idealen van de jaren 1970. Foucault (1998, p. 227) omschreef het non-fascistische lichaam als volgt: “We must invent with the body, with its elements, surfaces, volumes, and thicknesses, a non-disciplinary eroticism: that of a body in a volatile and diffused state, with its chance encounters and unplanned pleasures.” Zijn oproep tot demilitarisering door jezelf esthetisch en erotisch opnieuw uit te vinden, resoneert nog steeds bij cultuurtheoretici van het fascisme. Zoals Klaus Theweleit (1987 & 2024), die pleit voor non-fascisme (in tegenstelling tot antifascistische militantie) als een strijd tegen “sociale en politieke angsten [die] lichamelijke toestanden zijn geworden”. Theweleit beschouwt fascisme als de angst om de eigen lichamelijke integriteit te verliezen, de angst voor het ontkoppelde lichaam, voor overspoeling en grenzeloosheid, en het fysieke pantser dat wordt opgetrokken om zich daartegen te beschermen, vooral onder mannen. Een non-fascistische oriëntatie zou, volgens Theweleits analyse van fascistische belichaming, inhouden dat we onderlinge afhankelijkheid erkennen in plaats van te streven naar sociale atomisering en hyperindividualisme; dat we tegenstrijdigheid, onzekerheid en alteriteit accepteren in plaats van naar zuiverheid en geslotenheid te streven; en dat we vormen van collectiviteit opbouwen die openblijven voor ‘anderen’ die homogene identiteiten aan het wankelen brengen.
“Het oprukkende fascisme raakt niet iedereen op dezelfde manier; de sociale verhoudingen van het moment bepalen wat er voor een lichaam op het spel staat in een proces van ‘fascisering’.”
Op vergelijkbare wijze kadert Natasha Lennard (2019), een prominente stem in de linkse journalistiek in het Verenigd Koninkrijk en de VS, non-fascisme als een alledaagse ethische en politieke praktijk. Ze neemt in de VS deel aan het georganiseerde verzet tegen het fascisme, maar haar oog voor hoe fascisme op microschaal blijft doorwerken, belet haar om antifascisme als iets anders te zien dan een werk dat nooit af is. Hoe voorkom je dat je fascistisch bent, zelfs (of vooral) als je van jezelf gelooft dat je een revolutionaire militant bent? Die vraag verwijst naar de idee van ‘microfascisme’ bij Deleuze en Guattari: het verlangen naar hiërarchie, zuiverheid, dominantie en uitsluiting—krachten die in elke gemeenschap tussen individuen kunnen ontstaan. Foucault (1983, xiii) waarschuwde er al voor in zijn lofzang op Deleuze en Guattari’s Anti-Oedipus als een boek over een non-fascistische ethiek: “The major enemy is fascism in us all, in our heads and in our everyday behavior, the fascism that causes us to love power, to desire the very thing that dominates and exploits us.” Het blijft tot op de dag van vandaag een belangrijke analytische reflex wanneer we de interne dynamiek van linkse collectieven onderzoeken, of de rol van kunstenaars in projecten met mensen die door fascisme worden getroffen. Hoe vertalen politieke doelen zich naar sociale verhoudingen waarin mensen samenwerken?

Where is everybody, Platform K & ZOO, Thomas Hauert © Bart Grietens
Als het non-fascisme sinds de jaren 1970 de motor was achter progressieve kunst en cultuur, waarom kan het dan geen weerstand meer bieden aan fascisering? Van de vele antwoorden op die moeilijke vraag wil ik er één uitlichten: het moralistische purisme van het non-fascisme. Ten eerste wijst het non-fascisme individuen vaak op zichzelf, in plaats van op het smeden van een band met mensen die anders zijn. Ik heb gezien hoe gemeenschappen in klaslokalen, dansstudio’s en artist-run spaces uit elkaar vielen door een combinatie van eigengereidheid, schuldgevoelens en policing, die uiteindelijk eerder een gevoel van individuele morele verhevenheid versterkt dan dat ze de gemeenschappelijke zaak dient. Ten tweede slaagde het geneutraliseerde lichaam van contactimprovisatie (en andere experimentele vormen van de jaren 1970) er niet in om in dialoog te gaan met de zwarte en Latinx vogue balls van het Harlem uit die tijd, terwijl precies die lichamen het fascisme anders ervoeren dan de hoofdzakelijk witte Amerikaanse dansers. Het experimentalisme van de jaren 1970 vertrok niet vanuit het lichaam dat het fascisme ook nu nog aanvalt. Verzet tegen het hedendaagse fascisme begint bij het scheppen van voorwaarden waarin die uitgesloten lichamen zelf kunnen spreken—een punt dat ik nu zal uitwerken.
Brussel is een laboratorium voor sociaal experiment binnen performance in brede zin, en voor een scala aan sociaal en politiek activisme als gescheiden of juist verbonden terreinen. Van de vele recente samenwerkingen in de hedendaagse dans en het theater—Where Is Everybody (2026) van Zoo/Thomas Hauert en Platform K of The Latecomers (2026) van Decoratelier/Jozef Wouters en de Molenbeekse solidariteitskeuken Cassonade—springt La Candidate Sans-Papiers eruit. Het laat zien hoe artistieke en activistische methodes van collectiviteit elkaar kunnen versterken.
Het project werd opgezet en gefaciliteerd door performancekunstenaar Anna Rispoli en de queer-feministische denker Nina Ferrante, en verenigt vrouwen uit verschillende politieke organisaties om tijdens de Belgische gemeenteraadsverkiezingen van 2024 een campagne te lanceren als protest tegen anti-immigratiebeleid. Het collectief brengt ongedocumenteerde vrouwen in Brussel samen met hun allies. België houdt ongeveer 1 procent van zijn bevolking in de illegaliteit, waardoor die mensen een makkelijk uit te buiten bron van goedkope arbeid zijn. Deze vrouwen werken vaker in Belgische gezinnen dan in dat van zichzelf en zorgen, slecht of zelfs níét betaald, voor ouderen en zieken, passen op kinderen en onderhouden huishoudens en kantoren. Ze zijn voor een groot deel van onze samenleving onmisbaar. Deze ‘labour of love’ draagt de dubbelzinnige belofte van een verblijfsvergunning in zich, maar roept een fundamentele vraag op: wie zorgt er voor degenen die voor ónze samenleving zorgen?
“Hoe voorkom je dat je fascistisch bent, zelfs (of vooral) als je van jezelf gelooft dat je een revolutionaire militant bent? Die vraag verwijst naar de idee van ‘microfascisme’ bij Deleuze en Guattari: het verlangen naar hiërarchie, zuiverheid, dominantie en uitsluiting.”
Hun fictieve campagne, onder de titel With Love Not for Love, werd geënsceneerd als een satirische modeshow met een reeks modellen op een catwalk tijdens MolenFest. Elk model werd gepresenteerd als een vogue ball-categorie die een aspect van het leven van een migrant verbeeldde: de bewegende slak, de administratieve maalstroom, de klusjesvrouw, de ploetermoeder, de octopus. Terwijl ze telkens een andere vorm van onderdrukking belichtten, articuleerden de vrouwen een politieke eis: het recht op huisvesting, op administratieve transparantie, op menswaardige arbeidsomstandigheden, en het recht op genegenheid dat Europese vrouwen genieten, inclusief medisch begeleide voortplanting, omdat ze hun “beste jaren hebben gegeven aan de moeders en kinderen van dit land”.
Aan With Love Not for Love ging een lang traject vooraf waarin de vrouwen oefenden op spreken in het openbaar, iets wat ik zelf tijdens verschillende workshops kon observeren. Ze deelden en versterkten elkaars talent voor verhalen vertellen en politiek speechen. Bovendien oefenden ze hoe ze zichzelf konden laten gelden—door te dansen, te zingen, zich te verkleden, met een gevoel voor humor, eloquentie en flamboyantie die doorgaans niet worden geassocieerd met mensen die al te vaak gereduceerd worden tot de meid of verzorgster van de Belgische vrouw.
In een van de workshops deelde de jonge danser en ally Kim Ramiandrisoa oefeningen waarin we onze lichamen leerden gebruiken om vertrouwen en gedeelde vreugde op te bouwen. Er ontstond een gekend repertoire van het geven en ontvangen van gewicht tussen duo’s, van vertrouwen op de groep om een individu te ondersteunen dat tijdelijk de controle over zijn evenwicht loslaat, en van het aangaan van fysiek contact. Relaties die voorheen verliepen via politieke discussies of eenmalige acties op straat, werden nu opnieuw op een meer aftastende manier aangeleerd, tussen lichamen die zowel trots waren als bereid om zich kwetsbaar te tonen. Ik zag hoe de erfenis van het experimentalisme uit de jaren 1970—van contactimprovisatie tot luisterende lichamen en het trainen van kinesthetische empathie—zijn weg vond naar de oefeningen.
“Ongedocumenteerde vrouwen zorgen, slecht of zelfs níét betaald, voor ouderen en zieken, passen op kinderen en onderhouden huishoudens en kantoren. Maar wie zorgt voor zij die voor ónze samenleving zorgen?”
***
Het hedendaagse fascisme ontbeert het enkelvoudige, gestroomlijnde lichaamsideaal van het interbellum, maar vormt zich rond de vele lichamen die het uitsluit. Het is heel lichamelijk in zijn haat. La Candidate brengt precies het soort lichaam op het podium dat het fascisme nodig heeft: niet alleen materieel, maar ook omdat het energie haalt uit de ontkenning van de migrantenvrouw in de zorg, via een racistische anti-immigratiepolitiek. In La Candidate is die vrouw niet alleen haar eigen woordvoerder, maar belichaamt ze ook de kracht van de allianties en de solidariteit in verzet tegen het raciale suprematisme en de fascistische uitbuiting.
BIBLIOGRAFIE
Foucault, M. (1983). Preface to Anti-Oedipus. In Deleuze, G. & Guattari, F. (1983). Anti-Oedipus: Capitalism and Schizophrenia (R. Hurley, M. Seem & H.R. Lane, vertalers). University of Minnesota Press.
Foucault, M. (1998). Aesthetics, Method and Epistemology (R. Hurley, vertaler). The New Press.
Lennard, N. (2019). Being Numerous: Essays on Non-Fascist Life. Verso.
Theweleit, K. (1987). Male Fantasies, Vol. 1: Women, Floods, Bodies, History (S. Conway, E. Carter & C. Turner, vertalers). University of Minnesota Press.
Theweleit, K. (2024). La possibilité d’une vie non fasciste : Chroniques d’une Allemagne hantée (C. Lucchese, vertaler; D.V. Brosteaux & C. Lucchese, reds.). Météores.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.