“Le diable au corps” (De Witte Kraai) -Foto Keoon

Luk Van den Dries

Leestijd 5 — 8 minuten

Le diable au corps – De Witte Kraai: duizelingwekkend

De Witte Kraai speelt Le diable au corps, een scenario van Paul Pourveur naar de roman van Radiguet. De produktie gaat in Amsterdam in première, maar was als examenvoorstelling reeds te zien in het Conservatorium Antwerpen: de twee mannelijke spelers, Bart Slegers en Frank Focketyn, verdienden er een grote onderscheiding mee.

De Raad van Advies voor Toneel echter, trok in haar jaarlijkse beoordeling van de toneelgezelschappen geel: “De RAT vindt de programmatie voor het komende seizoen onduidelijk en heeft bezwaar tegen het er in opnemen van het eindwerk van de Conservatoriumstudenten. Beoordeeld over de eerste helft van het seizoen waarin slechts één produktie werd gerealiseerd, voldoet de Witte Kraai als gezelschap voor experimenteel of vormingstoneel voorlopig niet helemaal aan de verwachtingen, zodat de RAT geen argumenten ziet voor het toekennen van extra-middelen.” Wat is er tegen coprodukties met opleidingsinstituten? (bv. tegen de coproduktie Harvard University – American Repertory Theatre voor Alcestis is in regie van Bob Wilson.) Sinds wanneer mag men leerling-acteurs geen contract meer aanbieden? En heeft de RAT de produktie wel gezien?

Herinneringen

Altijd zeulen acteurs herinneringen met zich mee. Hun lichamen zijn getekend met sporen van vroegere personages, door hun stemmen hoor je de stemmen van anderen. Bart Slegers bijvoorbeeld zal, voor mij, wel altijd de verscheurde kommandant zijn uit Russische openbaring (H. Müller): zijn gescheurd lichaam trillend van angst, dampend van ingehouden razernij en een stem die van hier tot in de bergen reikt. En Chris Nietvelt hoor ik in Het park (B. Strauss) nog altijd zeggen “Ik ben nogal nief hier. Ik weet nog niet wat ik doe. Ik kem een goe gevuul.” Kort rokje, Mickey Mouse T-shirt, lange benen: een verschrikte vogel, tegelijk erg arrogant. Over dat beeld schuift een ander beeld uit De Hamletmachine/Egofiel (Müller/Bogaerts): naakt, besmeurd met vuile troep, vernederd, tot object gemaakt door een vies kereltje, spreekt ze de Ophelia-monoloog, woorden als messen, onderwijl een gevecht leverend met een overall. Een mengeling van gekrenkte trots en zieligheid, van afschuw en zinnelijkheid. Een beeld dat ik niet licht zal vergeten.

Deze twee jonge acteurs, die veel van het voorbije seizoen goedmaakten, spelen samen met Frank Focketyn Le diable au corps, een stuk dat zich aankondigt als banaal sprookje over de liefde. Paul Pourveur (scenario): “We wilden iets maken over liefde. Maar het probleem daarbij is dat 99 % van de wereldliteratuur daar ook over gaat. Liefde is veeleer een literaire dan een wezenlijke ervaring: als je verliefd bent schrijf je je altijd in een bestaand verhaal in, onbewust loop je in de voetsporen van een bepaald archetype. Vandaar dat we ook gekozen hebben voor de sprookjesondertoon.”

Uitgangspunt was de roman van Radiguet, hoewel daar weinig van overgebleven is. Lucas Vandervost (regie): “Eigenlijk is alleen de titel overgehouden, en wel om de smerige commerciële reden dat, wanneer je zoals de Witte Kraai voor twee derde op Nederland bent aangewezen, zo’n titel natuurlijk schitterend is: ze zijn geil op franse woorden die ze niet begrijpen. Daarnaast hebben we ook de onderhuidse commentaar van Radiguet op de liefde overgenomen: hij gebruikt zijn geliefde om commentaar te leveren op de romantiek.”

Een sprookje rond het verhaal van de liefde, met op de achtergrond de romantische commentaar van Radiguet en verder nog auteursverwijzingen naar Petrarca, De Sade en Grimm. Het resultaat is een heerlijke mengelmoes met kwakende kikkers, een wolvin die twee kinderen zoogt, een appel en een boom en een liefde van twee jongens voor een meisje die, hoe kan het anders, tragisch zal blijken. Daarnaast geeft de tekst ook aanhoudend commentaar: op het discours van de liefde (de rozengeur en maneschijn, het mooie blonde meisje te paard, enz.), op de worsteling van de schrijver om een verhaal steeds een begin, midden en einde te geven, en op het discours-tout-court: er zijn te veel woorden, en te veel woorden hebben te veel betekenissen, zodat er tussen bedoeling, mededeling en interpretatie altijd wel een kink in de kabel loopt, zeker met zoiets precair als de liefde. Voor je het weet vaar je mee op de stroom van bestaande verhalen of raak je verloren in het labyrint van woorden. Het stuk eindigt dan ook zoals het begint: “waarin de wereld ineenstort onder het gewicht van woorden.”

Gewichtigheid is gelukkig de enscenering vreemd. Overheersend is de sprookjessfeer: een wijds plateau, feeërieke belichting, een mooi blond meisje-zonder-paard-, en twee onschuldige prinsen. Centraal staat een prachtige boom die het midden houdt tussen een paradijsexemplaar en een Beckettboom. In echte sprookjes gebeuren altijd vreselijke dingen, zo ook hier loopt het meisje weg, geven de jongens mekaar de schuld en komt er geruzie van. Het scenario wordt als spelmateriaal gebruikt: wat op papier soms moeizaam leest, komt pas echt tot leven en betekenis in het spel van de acteurs. In Le diable au corps, wordt het woord vlees smakelijk, sappig en pikant. Opnieuw – het is een waarmerk van Witte-Kraai-regisseurs – worden acteurs geleid tot prachtig spel. Chris Nietvelt deed, ditmaal als object-prinses, mijn hart weer sneller slaan; Bart Slegers en Frank Focketyn zijn in hun gekibbel, getwijfel, gestrategeer rond de mevrouwelijke persoon belachelijk grappig. Over de herinnering aan Mickey Mouse, Ophelia, de kommandant, schuiven reeds nieuwe beelden.

Schaalvergroting

Het gezelschap van De Witte Kraai bestaat inmiddels zeven jaar. Opgestart als Theaterwerkgroep Salu, een zaal, De Witte Kraai, verbouwd, er vervolgens weer uitgezet voor een tapijthandel, sindsdien als reizend gezelschap Vlaanderen en Nederland rondhossend met een zeer divers repertoire: Angelsaksisch werk (Pinter, Beckett, Mamet), een Shakespeare, een Müller, twee stukken van Sam Bogaerts, een scenario van Pierre Plateau, veel bewerkingen (Knut Hamsun, D.H. Lawrence, Pessoa, Radiguet). Een lijstje dat op zich niet zoveel zegt: teksten zijn meestal enkel aanleiding, worden trouwens altijd grondig hertaald en/of herwerkt tot een duidelijker ‘Bogaertse’ versie (uitzondering voor Kwartet van Heiner Müller waar niets aan te veranderen viel omdat het Sam Bogaerts de woorden uit de mond nam). De belangrijkste vernieuwing ligt vooral in het regie- en acteertalent: het balanceren op de gespannen koord tussen natuurlijkheid en gekunsteldheid, het constante omkantelen tussen inleven en op afstand houden, het geduldig, minutieus, maar met een groot gevoel voor humor afkrabben van elke vernislaag op het menselijk gedrag; een gevoel voor ritme en montage, later ook het gevoel een ruimte in theatrale ruimtes te herschikken; vooral beheerst Bogaerts de kunst acteurs tot nieuwe dingen te dwingen, tot het uiterste te laten gaan. Dat alles is niet zonder invloed gebleven. Publieke belangstelling is van bij de aanvang erg groot geweest; Sam Bogaerts en De Witte Kraai-acteurs Warre Borgmans en Lucas Vandervost exporteerden hun kunsten naar BKT, KVS, Fakkelteater, Mannen van den Dam, Globe, etc. Ook wegens geldgebrek want het gezelschap werd pas in 1985 met vijf miljoen subsidie gehonoreerd, op een moment dat de vaste regisseur Sam Bogaerts naar Nederland vertrok. Ondanks pessimistische verwachtingen bleef de Witte Kraai bestaan en werd met Pessoa (Tyrannie der hulpverlening) poëtischer en vriendelijker; het acteerpeil bleef, in vergelijking met veel van het Vlaamse theater, duizelingwekkend.

En nu? Na jaren hard knokken zonder middelen, met minieme budgetten, altijd te weinig mensen, is men toe aan een ruimere adem, andere ideeën, nieuwe gezichten. Verder gemarginaliseerd werken in de onderste regionen van het subsidiestelsel biedt weinig perspectieven.

De interne dynamiek van dergelijk gezelschap vereist een schaalvergroting: meer middelen, meer mensen, belangrijker werk. Ivo Van Hove met Akt/Vertikaal zit in dezelfde situatie. Beide gezelschappen willen nu, naar het voorbeeld van het Brusselse Théâtre Varia, als De Tijd gaan samenwonen. Meteen zou een bundeling van middelen en van regie-, acteer- en vormgevingstalent tot stand gebracht worden dat zicht geeft op een middelgroot gezelschap van niveau. In het Vlaamse theater, waar elke kleine en grote artiest zijn eigen gezelschap wil, is een fusie, zeker van dit gehalte, groot nieuws. De overheid mag de kans niet laten voorbijgaan om dit initiatief SERIEUS te steunen. Nu dus. Niet binnen zeven jaar.

 

 

Paul Pourveur studeerde Beeld-Geluid-Montage aan het RITCS te Brussel en volgde een scenariocursus in Los Angeles. Hij schreef scenario’s voor: BRT: De Nand-functie, Gallaxenon, Nena (prijs van de tv-kritiek, 1986), Adriaan Brouwer
film: De koersmachine (ism Peter Simons), De onheilsbode (ism Robbe De Hert)
theater: Tyrannie der hulpverlening (De Witte Kraai), Le diable au corps (De Witte Kraai)

LE DIABLE AU CORPS auteur: Paul Pourveur naar Radiguet; groep: de Witte Kraai; regie: Lucas Vandervost; vormgeving: Valentine Kempynck, Hedy Grünewald, Lukas Vandervost; spelers: Frank Focketyn, Chris Nietvelt, Bart Slegers; wordt nog gespeeld in september, oktober en november 1986 op een dertigtal plaatsen in Nederland en Vlaanderen. Voor preciese gegevens: bel het Gezelschap van de Witte Kraai op 03/21645 61.

 

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

Luk Van den Dries

Luk Van den Dries is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en redacteur van Etcetera. Hij wijdde zijn doctoraat aan de opvoeringsgeschiedenis van Heiner Müller in Vlaanderen en is gespecialiseerd in het naoorlogse Vlaamse theater.  

recensie