Laure Prouvost – They are waiting for you (c) Mick Bello/EMPAC

Pieter T’Jonck

Leestijd 7 — 10 minuten

They are waiting for you – Laure Prouvost

Performatik is een festival dat de grenzen tussen beeldende kunst en podium wil aftasten. In de editie van 2019 haperde dat grensverkeer nogal vaak. Het bleef dikwijls bij theater dat poseerde als beeldende kunst of omgekeerd, zonder duidelijk te maken waar beide manieren om dingen te tonen elkaar kunnen articuleren of versterken. ‘They are waiting for you’ van Laure Prouvost was echter wel een eclatante uitzondering daarop. De voorstelling bood een andere, relevante kijk op het materiaal dat de kunstenares terzelfder tijd toonde in een solotentoonstelling in het M HKA in Antwerpen.

De tentoonstelling ‘AM-BIG-YOU-US-LEG-SICON’ van Laure Prouvost in M HKA is oeverloos. Talloze kamers hernemen dezelfde motieven steeds weer anders. Dat gebeurt nu eens in objecten, dan weer in installaties die gaan van een zaalgrote verzameling ‘troep’ tot een piepklein kamertje volgestouwd met schilderijtjes, voorwerpen en video’s. Daarnaast zijn er wandtapijten zonder einde en talloze quasi-pedante, belerende video’s en teksten. De rode draad: een taalalchemie die woorden ontdoet van hun gangbare betekenis om er een nieuwe aan toe te kennen. In de centrale, toverachtige video ‘Dit learn’ richt Prouvost, met een masker voor het gezicht, zich als een fluisterend ‘I’ nadrukkelijk, bezwerend zelfs, tot ‘You, and only you’ om die geheime leer over te dragen. Een schuurborsteltje betekent: ‘opwinding’. Okkernoten: ‘help’. Een blauwig glas: ‘moeder’. Een moersleutel: ‘vader’.

Dat masker is een vondst. Het maakt van de kunstenares een ‘persona’. Het woord is afgeleid van ‘per sona’ of ‘via de klank’, en verwijst dus letterlijk naar een masker dat iemands woorden versterkt, uitvergroot tot een personage, een maatschappelijke figuur. Wat we zien is de ‘constructie’ van een ‘I’, niet de kunstenares zelf, die vanuit die fictief-reële ‘I’ positie een ‘You’ construeert. Je bent als kijker functie van haar constructie. Ze gaat met jou en al wat je denkt dat dat voornaamwoord voorstelt aan de haal.

Soms kan je de woordendans van ‘I’ intuïtief gemakkelijk volgen. Dat een moersleutel ‘vader’ voorstelt, of een blauw glas ‘moeder’, het zijn enigszins voor de hand liggende associaties. Dat een appelsien voor liefde staat of een schuurborsteltje voor ‘opwinding’ leek mij minder evident. Maar het mechanisme is toch hetzelfde: ze verdubbelt de ene metafoor met een andere. Wat doen woorden immers anders dan in de plaats staan van dingen en ervaringen? Waarom zou een beeld dat niet even goed kunnen? Waarom zou je, tenzij omwille van de communicatie, de woord-metafoor wel accepteren en de beeldmetafoor niet? Ze verdubbelt het conventionele taalspel zo op haar eigen voorwaarden, of volgens haar eigen grillen en gaat zo net naast de taal staan. Maar door de spanning tussen het concrete, tamelijk banale beeld van een appelsien of een schuurborstel en een beladen inhoud als ‘liefde’ of ‘opwinding’ laat ze vooral voelen dat woorden een schaamblad zijn voor een moeilijk te omschrijven inhoud.

Prouvosts taalalchemie wordt voluit ironisch als ze het verwijzend voornaamwoord ‘You’ vervangt door het beeld van een geitje. Daar speelt ze immers vals. Het woord ‘you’ is als voornaamwoord immers intrinsiek inhoudsloos, terwijl een geitje als vanzelf een stoet van concrete voorstellingen oproept. Hoe je daarmee omgaat laat ze in het midden, maar ze laat er zo wel geen twijfel over bestaan dat de ‘you’ in haar prekerig en zweverig videoverhaal volledig bepaald wordt door het masker ‘I’. de verhouding tussen het werk en de kijker ontaardt zo in een charade waarin ‘you’ functie wordt van die al te zichtbare en vooral hoorbare, maar toch imaginaire, onkenbare ‘I’.

De manier waarop de kunstenares je aanspreekt lijkt zo treffend op de manier waarop advertenties je voortdurend op je ‘you’-zijn wijzen. Ze doen dat op een paradoxale manier: ze bevestigen je in je identiteit, maar dan enkel doorheen een ‘double bind’ met de onzichtbare, onpersoonlijke instantie die je die ‘you’, en dus die relatie, opdringt en ze definieert. Prouvost maakt dat zichtbaar door zich onkenbaar te maken met een masker, en door ‘you’ concreet in te vullen als een geitje. Die operatie maakt het infantiliserende karakter van zo’n taalstrategie concreet zichtbaar.

Desondanks vond ik de tentoonstelling in M HKA bepaald irritant. Je kan ze lezen als een kritiek op -zoals Roland Barthes ooit opmerkte – het fascistische karakter van de taal, en meteen ook als een pleidooi om de taal achter je te laten en onbevangener indrukken en sensaties te laten bloeien, zoals Prouvost in vele, (letterlijk) bloemrijke en openlijk sensueel-erotische videobeeldflitsen suggereert. Maar onveranderlijk is de ondertoon die van de kunstenaar – die weliswaar ‘not present’ is tenzij als maskerade of in de zotste familiemythologieën – de ziener maakt die dat allemaal ‘for you and only you’ ervaart.

‘Ambiguous’ is dat zeker waar de kunstenares zelf – niet als ‘I’ – haar verhaal/geschiedenis op de voorgrond laat komen. Dat valt letterlijk te begrijpen: in het tweede deel van de tentoonstelling bots je op fragmenten van knusse, kleinburgerlijke interieurs. Kopjes en schoteltjes staan klaar om je op thee te vergasten. Maar het beeld klopt niet volledig. Het is geen Guillaume Bijl. Het meubilair is her en der hardhandig verbouwd en versteld met ruwe planken en spijkers, zodat de interieurs meer weg hebben van een bij het Spit bijeen gesprokkelde, ineen geflanste fantasie. Centraal daarin staan twee geweldige grootouders aan wiens lippen Prouvost als kind hing, en die haar de weg wezen in het leven. Het leven niet als opeenvolging van objectieve feiten, maar als het verhaal dat je ervan maakt.

Prouvost verzeilt hier in een zelf-mythologie, een pseudo-geschiedenis die met plak en spuug verbeelding en verzinsel aan elkaar rijgt. Het doet waarachtig aan, ook als je vermoedt dat het niet objectief waar kan zijn. Het is zelfs grappig. Wie heeft er nu een grootvader die als conceptueel kunstenaar een tunnel groef in de richting van het Afrikaans continent en daar op een dag in verdween? Terwijl grootmoeder thee bleef zetten voor haar buitenissige gasten? Die ‘familietaferelen’ bieden de metaforische wildgroei in het eerste deel van de tentoonstelling een soort ankerpunt. De familie, dat zijn ‘Wahlverwandtschaften’, werelden die je bouwt rond je zelf gekozen oma’s en opa’s, neefjes en nichtjes. Met hen kan je een geheimtaal spreken die geen inhouden communiceert maar banden smeedt.

Het is daardoor beslist geen toeval dat de tentoonstelling pas naar het einde toe overzichtelijk wordt. Maar dan wel meteen ook àl te overzichtelijk. Twee beelden krijgen plots de lucht en ruimte die in de eerdere chaotische woekering van beeld en video ontbrak. In de voorlaatste zaal staan enkel draadfiguren in yogahoudingen, met een hoekige spiegel als gezicht. Als het een parodie is op manische zelfontplooiing, dan trapt Prouvost een open deur in. Maar als pleidooi voor de bevrijding van het zelf is het dat al evenzeer. Het tentoonstellingsparcours culmineert daarna in de grote, ronde zaal met bovenlicht. Slechts één object baadt daar centraal en pontificaal in het licht: een octopus in glas, met twee grote tepels waaruit aanhoudend water stroomt. Octopussen, dat benadrukt Prouvost in interviews, hebben een niet-menselijke, maar sterk ontwikkelde intelligentie die, anders dan bij mensen, over al hun tentakels verspreid is. Lichamelijke intelligentie dus. Het enige wat ze missen is geheugen. Maar als die ‘alternatieve’, geheugenloze intelligentie zo nadrukkelijk geassocieerd wordt met vrouwelijke vrijgevigheid, dan wordt de boodschap, na de eerdere finesse, wel heel drammerig en doorzichtig. Letterlijk en figuurlijk.

De vraag hier is uiteraard wat Prouvost daaraan toevoegde in haar voorstelling ‘They are waiting for you’ tijdens Performatik. Het basismateriaal verschilt niet wezenlijk van wat ze in de tentoonstelling toont. Maar de manier waarop het materiaal verschijnt is wezenlijk anders. Dat maakt een wereld van verschil. Zeg maar: de voorstelling was beter dan de tentoonstelling. Dat heeft niets te maken met de dramaturgie. Die is quasi onbestaand, maar dat is geen gebrek maar een keuze. De impact van de voorstelling zit volledig in de spanning die Prouvost opbouwt door een spervuur aan feilloos geritmeerde beelden die voortborduren op haar beeldend werk. Daardoor ervaar je die op een fundamenteel andere manier.  Je kan niet wegkijken. Je kan het niet voor ‘bekeken houden’. Je valt ervoor of je verzet je, maar de verhouding is hoe dan ook dwingender dan in een tentoonstelling mogelijk is.

Dat dwingende zit al meteen in het ‘I’-‘You’ spelletje van de video ‘Dit learn’ dat ook de tentoonstelling opent. Hier wordt deze op een gaasdoek voor het podium geprojecteerd. Een beeld op een scherm van ruwweg 12 bij 5 meter, is meteen iets heel anders dan een videoprojectie. Maar nog terwijl de video loopt, gebeuren achter het gaasdoek allerlei dingen, die het filmbeeld plots ‘realiteit geven’. Als het gaasdoek omhoog gaat, komt de film inderdaad tot leven.

Prouvost deed daarvoor beroep op ‘neefjes’ Pierre Droulers en Sam Belinfante, twee door de wol geverfde performers en theatermakers. Ze creëerden op enkele dagen tijd de live beelden die de film leven inblazen. Zij brachten percussionist Eli Kezler en drie zangeressen binnen. Die creëren op zich al een soort opwinding. Maar daarnaast geven twee performers, Jack Magai en Terry Hempfling, ‘body’ aan de mysterieuze ‘I’ die ons in onbekende gebieden van de taal begeleidt. ‘You’ is ook aanwezig, als een geitje dat verdwaasd rondkijkt of in de vorm van de draadfiguren in yogahoudingen.

Zo dendert de voorstelling voort. De ene verrassing volgt de andere op, maar door de video die alles vooraf ging heb je een sleutel om de beelden te ‘begrijpen’. Een zak walnoten die over het podium uitgestort wordt: ‘drama, paniek’. Een hefplateau dat over het podium rolt, kondigt een doldrieste grootmoeder aan die naakt, vanuit een helikopter, op het podium neerdaalt. De doeken in de achtergrond die op en neer en heen en weer gaan: een tovergrot. Prouvost bespeelt de aandachtcurve van het publiek met alle ‘truken van de foor’, alsof dit een live interpretatie was van ‘Alice in Wonderland’ – Lewis Carroll is inderdaad niet alleen een onmiskenbare referentie in de tentoonstelling, zoals Sebastien Hendrickx opmerkte in zijn bespreking in DWR 198, maar is ook een sleutel tot de voorstelling.

Alles is hier scenografische illusie, luchtbellen blazen, maar het suggereert wel de emotie en betekenis waar een Gordon Craig van droomde met zijn theater zonder acteurs. Anders dan Craig wil Prouvost geen diepe waarheid reveleren, maar haalt ze die juist onderuit. Prouvost toont hier in kort bestek, maar perfect georkestreerd, hoe theater werkt. Alle mechanismen passeren de revue. Op gezette tijden verblinden spots het publiek, als een eclips die het van de ene ‘werkelijkheid’ in de andere katapulteert. ‘Zegt’ dat iets? Natuurlijk niet. Daar gaat het niet om. Dit stuk toont maar één ding. Op een podium kan alles voor alles staan. Niets heeft een vast omlijnde betekenis. Alles wordt suggestie en mogelijkheid. Betekenis wordt uitgehold tot effect of affect.

Dat heeft iets kinderlijks: volwassenen willen er niet aan, maar voor kinderen kunnen vijf stoelen werkelijk een trein zijn. Enkel als het op een podium gebeurt, gaan volwassenen daar toch in mee. Dat maakt dit stuk radicaal subversief. Het toont niets, maar doet je in dat ‘niets’ geloven. Terwijl je weet dat het ‘niet realistisch’ is. Of is dat ‘realisme’ de werkelijke illusie, die we dan heel dringend moeten ‘dit learnen’?

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

#156

15.03.2019

14.05.2019

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis.

recensie