La Grande Bouffe © Phile Deprez

Leestijd 5 — 8 minuten

La Grande Bouffe – Johan Simons/NTGent & Toneelgroep Amsterdam

Toch heb ik de film bekeken, de zogenaamde klassieker van Marco Ferreri uit 1973. Maar dan pas nadat ik La Grande Bouffe had gezien in de toneelbewerking van Johan Simons en Tom Blokdijk, voor NTGent en Toneelgroep Amsterdam. Ferreri bracht voor La Grande Bouffe vijf van de beste acteurs van zijn generatie – Andréa Ferréol, Marcello Mastroianni, Philippe Noiret, Michel Piccoli en Ugo Tognazzi – samen en richtte met hen een vreetfestijn aan. Samen koken ze volgens de regels van de vieille cuisine: veel vlees, vet en room zoals de legendarische kookbijbel van Escoffier het voorschrijft. Ze vreten zich letterlijk dood, maar in hun stervensuur worden ze getroost door enkele prostituees en een schooljuffrouw die geleidelijk aan medeplichtig wordt aan hun orgie – maar zij overleeft.

De film is gedateerd, zonder meer. Ferreri gebruikt een zeer traditionele filmtaal, eigenlijk gewoon stijlloos, om een dun verhaal te vertellen dat ooit choquant was maar dat nu vooral uitblinkt in nutteloze lelijkheid. De decors – een uitgewoond landhuis, een verwaarloosde tuin, stijlloze kunstwerken met een licht erotische toets – waren misschien ooit een passend kader om er contextloos nihilisme in te etaleren. Misschien spuwde Ferreri daarmee ooit in de soep van het maatschappelijk engagement van de jaren 70, en wilde hij daarmee een illusie ontmaskeren, maar zonder dit kader is deze orgie nogal betekenisloos geworden. De sloomheid van de handeling – deze vier doodsdriftige mannen zijn na één banket hun levensritme definitief kwijt, en dan is de film pas een halfuur ver – suggereert amper nog een diepzinniger betekenis van het verschijnsel ‘levensmoeheid’. Ik heb de film dus achteraf bekeken, gelukkig maar, omdat ik anders met huizenhoge vooroordelen zou opgezadeld zitten.

Maar het bekijken van de film bevestigt wel een vaag gevoel van onbegrip bij deze keuze van Johan Simons. Waarom laat je een zwarte komedie – als je La Grande Bouffe zo kunt noemen, in het genre was Bertrand Blier (Préparez vos mouchoirs of Buffet Froid) trouwens een stuk virtuozer – bewerken tot een existentieel drama over universeel nihilisme? Dat is althans de ambitie van bewerker Tom Blokdijk, vermoed ik, want de vertelling is voorspelbaar en al bij al vrij mager: er gebeurt letterlijk niets anders dan vreten en neuken – en doodgaan. Gelukkig heeft Simons een aantal keuzes gemaakt, dramaturgisch en vormelijk, die toch een zekere relevantie doen vermoeden. Hij maakt het toneel helemaal leeg: achteraan een witte wand met een deuropening, waarin personages af en toe kunnen verdwijnen. Tegen die wand worden ook kunstwerken geprojecteerd, maar ze transformeren de kaalheid van de ruimte nauwelijks. Links staat een keukenblok in roestvrij staal, rechts een zelfde soort tafel met rekwisieten. De scène is nergens afgestopt, het licht toont onverbiddelijk alle coulissen. Wanneer na een inleiding de vier heren hun domein betreden, vallen er stukken namaakvlees (al dan niet versneden) uit de toneeltoren, allemaal verpakt in transparant plastic.

Belangrijker nog is de dramaturgische ingreep. Blokdijk en Simons hebben namelijk van een nogal rechtlijnige helletocht een ‘cirkelvormig’ scenario gemaakt. Zonder heel expliciet te zijn suggereren ze een ‘eeuwige terugkeer’: de vrouwen zeggen de mannen vaarwel, de mannen vreten, de mannen neuken de vrouwen, de vrouwen ruimen de dode mannen op. En alles kan weer opnieuw beginnen. In de film van Ferreri worden de doden letterlijk ingevroren, in het toneelstuk is de rigor mortis een korte, voorbijgaande pose. Waar de film eindigt met een nogal zwakke pastiche van Bunuel – de beenhouwers boetseren, met een nieuwe (overbodige) lading vlees, een soort beeldenpark van kadavers – laat Simons de vrouwen die bij het begin afscheid namen terugkeren. Of beter gezegd: één vrouw, want Chris Nietvelt speelt alle vrouwenrollen, behalve de schooljuffrouw. Deze circulaire structuur kan met enige goede wil suggereren dat het gebeuren zich niet in de hel van de bourgeoisie afspeelt, maar in een goddeloos hiernamaals, waar nuchtere vrouwen een doortrapt spel spelen met de gastronomische en seksuele lusten van de mannen. De vrouwen doen namelijk letterlijk alles wat het toneel tot een schouwspel maakt: ze verkleden zich, ze roepen de mannen op, ze steken de lont aan de dramatische conflicten, ze kuisen de scène op die de mannen met braaksel en stront bevuilen. Vooral de schooljuffrouw, gespeeld door Elsie de Brauw, krijgt op die manier een totaal andere invulling. Ze laat zich niet meeslepen in de orgie, ze organiseert als het ware zelf het galgenmaal. En ze doet dit zo geraffineerd, zo perfide, dat de prostituee volstrekt overbodig wordt en kwaad opstapt. Om zich vervolgens voor te bereiden op het nakende afscheid. Waar de meisjes in de film vooral hun eigen onnozelheid – fraai verpakt weliswaar – moeten etaleren en daardoor nogal onhandig door het script bewegen, is de frustratie van die ene relatieve buitenstaander bij Simons en Blokdijk wel ter zake. De scenografie ondersteunt die idee van terugkeer: de voorverpakte kadavers vormen al een beeldenpark, waar de geprojecteerde kunstwerken – geselecteerd door kunstcritica Anna Tilroe – helaas nogal weinig aan toevoegen, behalve wat oppervlakkige decadentie.

Dit alles levert vooral geloofwaardig theater op doordat de speelstijl die Johan Simons, zeker in zijn Gentse periode, als vakman-regisseur ontwikkeld heeft, een dergelijke dramatische topos, gesitueerd buiten de reële wereld, perfect kan ondersteunen. De spelers zijn voortdurend bezig met een expliciete constructie van een ruimte, van een figuur. Zij zijn in staat tot een heldere vertelling door razendsnel te schakelen van ‘speler’ naar ‘acteur’, van verteller naar personage – en terug. De hoekigheid van Wim Opbrouck, de schichtige melancholie van Aus Greidanus jr., de dwalende onrust van Jacob Der wig: het zijn geen psychologische posturen die ze aannemen, het zijn spelhoudingen die nooit afgewerkt zijn. Als je in deze La Grande Bouffe ergens van geniet, dan is het van die wendbaarheid, van een lichtheid die nochtans nooit in onverschilligheid ontaardt. Alleen Steven Van Watermeulen, die zich meteen nestelt in een zweverige ernst en als een vermoeid spook door de ruimte dwaalt, bereikt helaas die doorzichtigheid niet.

Levert deze intelligente investering in dramaturgisch raffinement en vormelijke scherpzinnigheid een krachtige voorstelling op? Niet echt, want de voornaamste structurele gebreken in het basisgegeven, de gedateerde film van Ferreri dus, blijven zichtbaar. Het is geen fraai gezicht om vier knappe mannen zichzelf ten gronde te zien richten, het is ook – zeker in de kilte van dit scènebeeld – gewoon een vervelend spektakel. Niets existentiële lijdensweg, wel een compromitterende blik op de vermoeidheid van het metabolisme, soms virtuoos gesublimeerd in het acteren, maar dat houdt niemand twee uur lang vol – geen speler, geen toeschouwer. De rol van de vrouwen, die in deze bewerking ver verwijderd is van de manier waarop Ferreri de prostituees als een soort voedsel voor het libido opvoerde, is onduidelijk, in zekere zin zelfs onbegrijpelijk. Waarom doen verstandige vrouwen, zelfs al accepteer je dat extreme decadentie hen fascineert of zelfs opwindt, zoveel moeite om de roos op deze mestvaalt te zoeken – in casu het huwelijksaanzoek van Sonius, de gastheer, aan Elisa, de schooljuffrouw. Natuurlijk is dit een psychologisch-realistisch argument, dat niet echt past bij de gestileerde versie van Ferreri’s verhaal in deze toneelproductie. Maar dit falen van het oorspronkelijke scenario, waar culinair naturalisme zonder diepgang uitmondt in een surrealistisch tafereel dat oppervlakkiger is dan de kitsch van Salvador Dalí, dit falen valt op de scène van Simons en Blokdijk niet meer goed te maken. Zodat je dus gedwongen bent de vraag te stellen naar de opbrengst van deze investering.  Waarom stort een vrouw zich in deze dodelijke lethargie, waarom zoekt ze zo rusteloos naar een betekenis van deze driftlevens? Of, de vraag verruimend, waarom blijven theatermakers geïnteresseerd in deze onnozele figuren, in deze poseurs van bordkarton, waarom steken ze deze menselijke vleeshompen niet meteen in een vacuümverpakking, zoals het vlees dat ze eten? De aanstekelijke energie van het personage Elisa en de actrice Elsie de Brauw zorgen er dus paradoxaal genoeg voor dat de irrelevantie van de onderneming nog duidelijker blijkt. Valt er echt niets zinnigers te vertellen over nihilisme?

Gezien tijdens de eerste speelreeks (voorjaar 2010). De herneming van La Grande Bouffe is in maart en april te zien in Gent, Antwerpen en Delft.
www.ntgent.be
www.toneelgroepamsterdam.nl

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#124

01.03.2011

31.05.2011

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!