Voor de viering van 20 jaar oKo op 12 december in het Concertgebouw Brugge was er taart met cuberdons © Esther Eggermont

Leestijd 15 — 18 minuten

‘De kunstensector is een investeringssector. Dat is de mantra van oKo.’

Enkele maanden geleden vierde het Overleg Kunstenorganisaties (oKo) in het Brugse Concertgebouw zijn twintigste verjaardag. Deze werkgeversfederatie voor de kunsten ging in 1991 van start als de Vlaamse Direkties voor Podiumkunsten (VDP). Sinds die tijd is de organisatie fors gegroeid, het aantal leden sterk verruimd (de teller staat op 165), en hebben de kunsten een avontuurlijke en lange weg afgelegd. Waar waren we toen, waar zijn we aanbeland en waar gaan we naartoe? In het vooruitzicht van de beslissing – uiterlijk eind juni – van de Vlaamse regering over de subsidiëring binnen het Kunstendecreet voor de periode 2013-2016 had Etcetera een gesprek met oKo-voorzitter Hugo Vanden Driessche, directeur beleid Paul Corthouts, en directeur juridische zaken en sociaal overleg Liesbeth Dejonghe.

De in 1991 opgerichte VDP was een voortzetting van de Vereniging van Vlaamse Theaterdirekties (VVTD). Die was ontstaan vlak na het theater-decreet van 1975. De daarbinnen bestaande regeling gold de klassieke theaterstructuren uit die tijd: de drie stadstheaters, het MMT, enkele andere gezelschappen,… Eindjaren zeventig, begin jaren tachtig ontstonden tal van nieuwe structuren: kunstencentra, festivals, dansgezelschappen. Voor deze nieuwkomers was er in het oude decreet enkel plaats in de D-categorie. (Het theaterdecreet was een hiërarchisch systeem met A- tot D-categorieën; onder die laatste viel het experimenteel en vormingstoneel.) De toelagen waren zeer schaars. Onderhandelingen met de overheid leidden tot een nieuwe regeling, het Podiumkunstendecreet van 1993.

Hugo Vanden Driessche: Als voorwaarde bij de totstandkoming van het Podiumkunstendecreet stelde de Vlaamse regering dat er binnen de sector een CAO moest worden afgesloten. Daarvoor is een werkgeversorganisatie nodig. De bestaande vvtd had echter geen vertegenwoordigers van de nieuwe structuren in zijn rangen. Via onderhandelingen werd die organisatie opengegooid naar de nieuwkomers. Maar omdat het nu om veel meer dan theater ging, klopte de naam niet meer, en zo is de VVTD dan VDP geworden, een podiumkunstenvereniging dus.

In het oude theaterdecreet werden de subsidies nog bepaald aan de hand van decretaal vastgelegde looncategorieën. Eigenlijk was het eerder een sociaal decreet. Er stond meer in over lonen dan over artistieke materies. Om het nieuw ontstane veld te ordenen, was een heel ander soort regelgeving nodig. Het bepalen van de lonen is uit het decreet gelicht en werd aan de sociale partners gegeven, die dit voortaan dienden te regelen.

Paul Corthouts: Dat was geen pleidooi voor de jungle. Er is gezocht naar een optimale regeling voor iedereen, aangepast aan de specifieke structuur van de nieuwe podiumkunsten. Het was belangrijk dat de sector de vrijheid kreeg om een aantal zaken zelf te kunnen organiseren. Dat kon beter in het kader van een CAO dan met een algemene wetgeving die voor alles en iedereen geldt.

Het decreet van 1993 werd geschreven op maat van de organisaties die in de jaren ’80 opkwamen. Vandaag ligt een ander landschap voor. Er zijn nieuwe manieren van werken gekomen. Het veld is versnipperd. Je hebt de opkomst van de individuele kunstenaar. Hoe gaan jullie om met de noden van vandaag?

Corthouts: Er zijn doorheen de tijd altijd aanpassingen geweest, VDP is in 2006 0K0 geworden omdat we niet enkel meer podiumkunstenorganisaties vertegenwoordigden. Het Podiumkunstendecreet is zelf ook verruimd tot een Kunstendecreet toen het Muziekdecreet er mee in werd opgenomen. Nieuwe artistieke praktijken en de sociaalrechtelijke vraagstukken die ze oproepen zijn altijd aandachtspunten geweest. Als nieuwe en jongere leden tot de organisatie toetreden, en je hen voldoende kent in wat ze doen, dan blijf je meegaan en worden nieuwe ontwikkelingen mee geïntegreerd.

Dat gaat op als die nieuwkomers zelf ook organisaties zijn. Maar wat met de individuele kunstenaars? Voelen die zich vertegenwoordigd door 0K0? Zij zijn vaak hun eigen werkgever. Is 0K0 niet vooral een dub van zakelijk leiders die de belangen verdedigt van de organisaties die zij vertegenwoordigen?

Corthouts: Wij vertegenwoordigen met 0K0 het hele veld. Piepjonge organisaties én mastodont-structuren. Elk lid heeft één stem, en elke stem is evenveel waard. Die individuele kunstenaars zitten in het beste geval bij een managementbureau, dat wél lid is van 0K0. Dus we representeren ook dat deel van de sector. Maar inderdaad, niet iedere individuele stakeholder daarbinnen.

Liesbeth Dejonghe: Met name op het vlak van het sociaal overleg ervaren we dit wel degelijk als een probleem. De twee partijen aan tafel zijn de werkgeversorganisaties en de vakbonden. In dat overleg vertegenwoordigen wij dus de organisaties en gezelschappen. Vele daarvan werken ook met individuele artiesten. Maar wij representeren hen niet rechtstreeks. Hetzelfde geldt echter voor de vakbonden, want individuele artiesten vinden niet altijd de weg daarnaartoe. Bovendien is er voor artiesten sinds het statuut van de kunstenaar in 2002 de mogelijkheid om als zelfstandige te werken. Dat is een grote groep die sowieso niet participeert aan het sociaal overleg, want dat gaat enkel tussen werkgevers en werknemers.

Acteur en theatermaker Diederik Peeters leverde onlangs een opgemerkt statement met een beschrijving van zijn praktijk als ‘post-fordistische, immateriële cultuurarbeider slash jobhopper’. Een technicus of danser bij pakweg Rosas is in loondienst en voelt zich gerepresenteerd. Diederik Peeters echter niet. De regelgeving is op hem niet van toepassing, of ze is irrelevant, want hij heeft geen of weinig financiële middelen.

Corthouts: Artiesten als Diederik Peeters zijn actief in verschillende sectoren, ’s Ochtends doen ze een radiospot, ’s middags spelen ze via een SBK (Sociaal Bureau voor Kunstenaars) in een film, ’s avonds staan ze op de scène en vallen ze onder het Paritair Comité 304 (dit is het Paritair Comité voor het vermakelijkheidsbedrijf, dat bevoegd is voor werknemers en hun werkgevers die publieke vertoningen geven, nvdr). Hun sociaalrechtelijke realiteit is dus erg fragmentarisch. Als werkgeversfederatie kan 0K0 zich maar op een deel van hun loopbaan enten. Dat deel proberen wij te optimaliseren. Voor het andere deel zijn we echter niet bevoegd. Maar als belangenbehartiger van de hele sector willen we er voor hen ook zijn op momenten dat ze elders aan de slag zijn. We zoeken momenteel naar een sociaal overlegmodel waarbij alle kunstenaars, ongeacht hun statuut of statuten, betrokken kunnen worden.

In het programma bij de viering van zo jaar 0K0 schrijven jullie dat onze samenleving – en dus ook de kunstensector – ingrijpende veranderingsprocessen ondergaat. De twee topics op de viering waren sociaal overleg en de specificiteit van private dan wel publieke financiering van de kunsten. Is het op die terreinen dat de grote veranderingen plaatsvinden?

Dejonghe: Dat zijn absoluut de actuele uitdagingen. Met het thema van de financiering -privaat of publiek – bedoelen we in ruimere zin: de positie van de kunsten in een samenleving. Hoe staan zij in het publieke veld? Dit thema is er gekomen naar aanleiding van de lopende discussie en het actuele discours daaromtrent. Wij vinden dit niet het juiste discours. Het is niet omdat er minder subsidies zijn, dat de kunstensector moet worden doorverwezen naar de vrije markt. We vinden het belangrijk dat een overheid – namens een maatschappij die zichzelf au sérieux neemt – investeert in kunst. In de toepassing van het sociaal recht is de uitdaging vooral dat we oplossingen moeten zien te vinden voor de situatie van de individuele kunstenaar. Dat wil zeggen: hoe kunnen we de CAO’s en mogelijke reglementeringen afstemmen op hoe die kunstenaar werkt.

Zijn er vandaag niet te veel kunstenaars?

Corthouts: Een gemeenschap kan nooit zeggen dat ze te veel kunstenaars heeft.

Ik bedoel: mensen die professioneel als kunstenaar actief willen zijn. Wie vroeger niet aan de bak kwam binnen het systeem, stopte of ging als amateurkunst enaar aan de slag. Maar nu heb je het kunstenaarsstatuut. Het voordeel daarvan is: je kunt je dop houden. Maar wat schiet je er mee op als je buiten een occasionele prestatie geen enkel artistiek perspectief hebt? Dan ben je de facto veroordeeld tot een carrière als geïnstitutionaliseerd werkloze kunstenaar. Zijn dat de kunstenaars die we willen?

Vanden Driessche: Het is niet aan ons om uit te maken of er te veel kunstenaars zijn. Wij hebben ons altijd ingezet om ervoor te zorgen dat kunstenaars onder de beste omstandigheden aan de slag kunnen. Het maken en presenteren van het werk van de kunstenaars blijft immers de essentie van de werking van onze leden. Daarnaast hebben we ook, samen met de vakbonden, een aantal specifieke maatregelen uitgewerkt ten gunste van de kunstenaars, zoals een pensioenregeling die rekening houdt met hun gefragmenteerde loopbaan. En zo heeft Frank Vandenbroucke in 2002 een wetgeving op punt gesteld die nu door het leven gaat als het ‘kunstenaarsstatuut’. Probleem is dat het aantal misbruiken overhand toeneemt. De RSZ-korting en meer in het bijzonder de gunstige werkloosheidsregeling die voor kunstenaars in het leven werden geroepen, worden soms gebruikt door personen die hiervoor niet in aanmerking komen.

Dejonghe: De RVA is daar niet blij mee want het aantal werkloze kunstenaars is de jongste jaren exponentieel toegenomen, zowat vervijfvoudigd. We moeten dus terug naar de basis: waar is het systeem voor bedoeld? Het moet worden beperkt tot kunstenaars. Een reden voor die grote toename is ook wel dat artiesten beter dan vroeger geïnformeerd zijn over hun statuten en mogelijkheden. Maar de hoofdbrok is door oneigenlijk gebruik, en dat zorgt voor een onhoudbare situatie.

Is een groot probleem in de sector niet een generatiegegeven en is 0K0 daar niet een exponent van? De organisaties uit de jaren ’80 hebben de weg naar de subsidiëring gevonden. Veel van hun werknemers zijn vijftigers. Het duurt dus nog vijftien jaar voor zij met pensioen zijn. Tot die tijd houden zij het gros van de middelen vast. Tegen dat de twintigers en dertigers van nu daarvoor in aanmerking komen, zijn ze zelf bijna vijftig.

Vanden Driessche: De in- en uitstroom van gesubsidieerde organisaties is een verantwoordelijkheid van de cultuurminister en de bevoegde commissies. Als 0K0 hebben wij er altijd voor gepleit dat scherpe keuzes zouden worden gemaakt. Dit houdt in dat wij niet tegen een uitstroom zijn van organisaties. Wij hebben samen met de minister een charter ondertekend waarin dit duidelijk gestipuleerd staat. Voor 0K0 is deze stellingname niet evident. Als belangenbehartiger die leeft van de lidgelden van onze leden, zouden we in de eerste plaats de belangen van onze huidige leden moeten verdedigen.

Vroeger was de marsrichting: van project naar structuur, met elke subsidieronde werd de organisatie groter, en kwam er daarmee ook meer bedrijfsvoering. Vandaag zitten we op het plafond van wat hier mogelijk is. Moet er worden gezocht naar andere organisatiemodellen?

Corthouts: Binnen de sector wordt nagedacht over mogelijke andere juridische structuren. Ook binnen de Vlaamse overheid zijn er cenakels die zich daarover buigen. Wij zitten mee aan tafel om te spreken vanuit onze ervaringen.

Vanden Driessche: Ik geloof niet dat andere organisatiemodellen dan de vzw-structuur efficiënter zouden zijn. Belangrijker zijn de positie en het statuut van de kunstenaar. Hoe we daar mee omgaan wordt de uitdaging van de toekomst. Is de opdeling tussen het werken als werknemer of als zelfstandige, en in veel gevallen de twee door mekaar, nog relevant en vooral werkbaar? Er is een eenheidsstatuut nodig zodat noch de kunstenaar, noch de opdrachtgever verplicht wordt om te kiezen tussen het ene of het andere.

Er wordt vaak gezegd dat te veel van de middelen binnen de organisaties naar overheadkosten gaat. Is dat een negatief gevolg van het grote succes van het traject van de voorbije decennia? De organisatie van het werk is steeds beter geworden, maar daarmee ook steeds groter, zelfstandiger. Zijn we onderweg de kunstenaars niet uit het oog verloren? Alleen wat overblijft na aftrek van de vaste kosten, is nog voor hen. De artistieke werking is een sluitpost.

Corthouts: Ik vergelijk dat met het ijzergehalte in spinazie. Daar blijkt namelijk helemaal niet zoveel ijzer in te zitten, want er stond een komma verkeerd bij de eerste berekening. Veel van de mensen die ooit beweerden dat er te veel overhead is, zijn daar al van teruggekomen. Omkadering – laat ons het zo noemen, want overhead klinkt log en zwaar – is nu eenmaal nodig om het artistieke proces goed te laten verlopen. Als er een tekort is aan ondersteuning, dan blijkt dat men op de duur ook artistiek ondermaats gaat presteren. Het ene staat niet los van het andere. En als je internationaal gaat vergelijken, dan zul je zien dat Vlaanderen het op dit vlak zeer goed doet in vergelijking met de ons omringende landen. We zitten wat omkadering betreft echt minimaal.

Vanden Driessche: Het is waar dat de artistieke werking vaak een sluitpost is. Ik zie dat ook in mijn eigen praktijk. Tegelijk is er ongelooflijk veel aandacht om die sluitpost zo groot mogelijk te maken, om zoveel mogelijk middelen vrij te maken voor de artistieke werking. Het is ook een sluitpost omdat artistieke beslissingen op relatief korte termijn kunnen worden genomen. Toch als je dit vergelijkt met bijvoorbeeld het huren van een theater of investeringen in verbouwingen en technische uitrusting: dat zijn beslissingen met consequenties op langere termijn. Je kunt niet eerst een productie maken of de presentatie van voorstellingen plannen en dan pas een zaal gaan zoeken. Wie een theaterinfrastructuur wil hebben, zal noodzakelijkerwijs een heel aantal kosten moeten maken vooraleer hij aan het artistieke toekomt.

Dus het is niet waar dat tegenwoordig de artiesten er voor de organisaties zijn, in plaats van omgekeerd?

Corthouts: Als ik van de zakelijk verantwoordelijken van de theaters en gezelschappen hoor wat hun drive is, dan is dat om het artistieke werk zo optimaal mogelijk te laten verlopen. Voortdurend zijn die mensen op zoek naar meer middelen voor de artistieke werking. Dat is hun primaire bekommernis. Men gaat niet in de eerste plaats op zoek naar communicatiemiddelen.

Neen, natuurlijk niet, want die zijn er al. Die zitten immers in de vaste kosten.

Corthouts: Nogmaals: de drive is het artistieke werk.

Jazeker, maar is dat niet net omdat precies daarvoor de middelen ontbreken? Je hoort altijd zeggen: als onze subsidie niet stijgt, dan hebben we geen geld meer voor de artistieke werking. Want al het andere zijn vaste kosten. Niemand zal in zijn dossier schrijven: we hebben niet genoeg geld voor onze omkadering, want alles gaat op aan het artistieke werk, dus we moeten onze staf ontslaan. Dat gebeurt natuurlijk niet, want het is de staf die het dossier schrijft.

Corthouts: Als er geen artistieke middelen zijn, dan is al het omkaderend personeel technisch werkloos. Je insinueert hier iets wat absoluut niet aan de hand is, namelijk dat het artistieke niet voorop zou staan in de werking van de organisaties. Dat is helemaal niet het geval. De filosofie is heel anders.

De filosofie misschien wel, maar de praktijk niet.

Corthouts: Enfin, je kunt toch geen productie maken en daarbij je volledige budget naar het artistieke laten gaan? Je moet toch ook promotie voeren, want anders weet niemand datje iets gemaakt hebt. Zonder een serieuze omkadering op dat vlak krijg je nooit publiek over de vloer.

Dejonghe: De realiteit van een aantal van onze gezelschappen is internationaal. Het zakelijk management daarvan is heel complex. Als je een internationaal expert in auteursrecht een vraag stelt over het fiscaal statuut van auteursrecht, dan zegt die: ik ben geen fiscalist. Zakelijk leiders in onze sector zijn specialist in fiscaliteit, in sociaal recht, arbeidsrecht, financieel beleid, douane,… Er komt zoveel bij kijken als je – zoals zeker bij dansgezelschappen de realiteit is – buitenlanders tewerkstelt voor een productie die hier wordt gemaakt. En dan ga je er ook nog eens mee op tournee naar het buitenland, waar voor al die afzonderlijke mensen weer andere regels gelden en je het statuut moet regelen. Vooral ook omdat het om korte periodes gaat. Er bestaan allerlei systemen voor wie twee of drie maanden in het buitenland werkt. Dat heeft met Europa te maken. Maar als je voor twee dagen ergens bent? Je moet zoeken om binnen die regelgeving ergens een plekje te vinden. Een doorsnee bedrijf krijgt daar nooit mee te maken. Onze sector dus wel. Zonder een goede omkadering kom je er niet.

Volgens de minister van Cultuur zal het cultuurbudget niet stijgen. Hoe staat 0K0 daar tegenover? Jan Goossens schreef in De Morgen dat het budget omhoog moet. Bert Anciaux zei hetzelfde, hij noemde zelfs cijfers: + 5 procent, wat neerkomt op zz miljoen euro aan bijkomende middelen.

Vanden Driessche: Wij delen die mening: het cultuurbudget moet omhoog. Met wat Jan Goossens (en ook Peter de Caluwe) hierover in de media schrijven, zijn wij het volmondig eens. Wij proberen wel via een permanente dialoog de Vlaamse regering daarvan te overtuigen.

Corthouts: De kunstensector is een investeringssector. Dat is de mantra van 0K0. Wij hebben dat indertijd gelanceerd en ondertussen hebben Kris Peeters en Joke Schauvliege dat van ons overgenomen. Bart Van Looy (Faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen, KULeuven) heeft dit onderbouwd tijdens zijn uiteenzetting op de viering van 20 jaar 0K0. We hadden het eerder ook al eens gezegd in het kader van het overleg met Ingrid Lieten en Kris Peeters rond de creatieve industrieën. We hebben het onderbouwd met cijfers, het niet als kreten gebracht. Daarom kunnen onze standpunten op dit vlak door beleidsmakers worden overgenomen.

Het discours wordt overgenomen, maar volgt de praktijk?

Corthouts: Wij gaan de beslissingen natuurlijk niet nemen. Wij gaan ervan uit dat degene die het best voor onze sector kan pleiten niet in onze sector zit. Professoren en parlementsleden en Kris Peeters zelf die het zeggen: dat is beter dan wanneer de sector het zelf zegt. Maar zelfs indien er een stijging kan worden gerealiseerd, dan zijn er nog altijd grenzen aan de groei. Daarom is onze boodschap aan de minister: maak duidelijke keuzes. Geef voldoende middelen aan de organisaties die je subsidieert. Keuzes maken betekent ook uitstroom. In het kader van goed beleid is daarbij belangrijk dat die uitstroom degelijk verloopt, bijvoorbeeld met behulp van een daarvoor bestemd fonds.

Karl van den Broeck schreef in januari in De Morgen dat Joke Schauvliege al twee miljoen extra voor de cultuursector uit de brand heeft gesleept. Maar het geld komt niet uit de cultuurbegroting. Waar komt het dan wel vandaan?

Dejonghe: Alle sectoren in de social profit hebben met de Vlaamse regering een Vlaams Intersectoraal Akkoord (via) waarbij zij ettelijke miljoenen ter beschikking stelt. Daarmee mogen die sectoren investeren in kwaliteits-maatregelen voor tewerkstelling, en in koopkracht. Wij, als PC 304 (Paritair Comité voor het vermakelijkheidsbedrijf nvdr), vallen in eerste instantie echter buiten deze akkoorden. We hebben wel geprobeerd om daarbij betrokken te raken, maar dat lukte niet. Op een bepaald moment vond de minister van Cultuur dat ook de kunstensector recht heeft op zulke middelen, en heeft ze een specifiek VIA-akkoord gesloten met de sector van het PC 304. Deze middelen komen uit de Sociale begrotingsenveloppe, ze maken dus geen deel uit van het Kunstendecreet. Ze kunnen dus worden ingezet voor de organisaties uit onze sector. Ook hier gaat een deel naar koopkrachtverhoging en een deel naar kwaliteitsbevordering van de tewerkstelling. Alle werknemers bij werkgevers die binnen het PC 304 worden gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, behoren tot de doelgroep van die koopkrachtmaatregel. De uitbetaling zal – bijvoorbeeld – gebeuren via een systeem van eco-cheques. De cheque is een forfait, onafhankelijk van de hoogte van het loon, dus iedere werknemer krijgt hetzelfde bedrag. De regeling is ook van toepassing op artiesten die via uitzendkantoren werken. Hoe doet men dat? Omdat die werknemers worden ingeschreven onder het PC 304, zijn ze bij de RSZ als dusdanig bekend en traceerbaar. Het is ingewikkeld maar het kan wel worden gemanaged. De cheque kan enkel worden besteed aan ecologisch verantwoorde dingen, zoals een fiets, of bepaalde ecoproducten. Daar is een lijst van. De meerwaarde is dus dat het ook een ecologische stimulans is.

Zien jullie mogelijkheden voor een grotere rol van de private sector binnen de kunsten? Karl van den Broeck stelt: pas de tax shelter toe op de culturele sector, en er zullen private fondsen ontstaan.

Vanden Driessche: Daar zijn wij ook van overtuigd. Een tax shelter, zoals in de film, of andere fiscale stimuli zouden een belangrijke impuls kunnen geven aan een grotere private ondersteuning van de kunstensector. Het fiscaal voordeel voor wie nu in film investeert is zeer groot. Voor een investering van 100 procent, kan je 150 procent fiscaal aftrekken. Daarom betwijfel ik of de federale regering de tax shelter zal willen uitbreiden naar de kunstensector, want ze dreigt daardoor zeer veel inkomsten mis te lopen.

Corthouts: Een tax shelter betekent dat er gigantisch veel geld is dat een overheid niet opstrijkt. De uitkomst van de rekening is dus hetzelfde. Het blijft gaan om belastinggeld dat normaal gezien naar een gemeenschap gaat. Met een gesubsidieerde kunstensector heb je dan toch het voordeel dat het debat transparanter is. Je kunt publiek discussiëren over welk landschap we hebben en wat we ermee willen. Het is niet aan bedrijven om te zeggen: dit is wat er moet gebeuren met de kunsten.

Kunst wordt steeds meer gelegitimeerd aan de hand van economische factoren. Triomfantelijke studies tonen aan dat voor elke euro subsidie anderhalve euro aan bijkomende inkomsten wordt gegenereerd. Is het wel verstandig om kunst op die manier waarde toe te kennen? Wat win je daarmee?

Corthouts: 0K0 heeft nooit gezegd dat het economische belang van kunsten een reden is om te subsidiëren. We stellen wel dat we op het bedrijfsmatige vlak absoluut niet zulke nitwits zijn als men soms durft te beweren. De kunstensector doet het ook bedrijfsmatig goed, dank u. Belangrijker is het om na te gaan welke niet-economische meerwaarde er door de kunsten wordt gegenereerd voor een samenleving. Als rechtstreeks gevolg van zijn lezing op de viering van 20 jaar 0K0 heeft de Vlaamse overheid nu aan Bart Van Looy de vraag gesteld om dit uit te zoeken.

Is het omdat het maatschappelijk draagvlak voor de kunsten is afgenomen dat men zijn legitimering in economische termen is gaan zoeken?

Corthouts: De evidentie dat gemeenschapsgeld naar de kunsten gaat, is alleszins afgenomen.

De vanzelfsprekendheid ervan wordt in vraag gesteld. En dus wordt er naar verantwoording gezocht, ook binnen de sector zelf. Op zich is het een goed emancipatorisch proces als een sector op zoek gaat naar de verwoording van zijn identiteit: wie zijn we en wat doen we voor de goegemeente? Niet zozeer om ons te legitimeren, maar laat ons onszelf maar voldoende in vraag stellen. Op die manier weten we waar we mee bezig zijn.

In Vlaanderen wordt de economische factor gezien als een van de mogelijke argumenten, maar nooit als de staatsreden voor de kunst. Er worden veel eigen inkomsten gegenereerd. Het management van de podiumkunsten is veel verbeterd. We staan op dat vlak niet buiten het maatschappelijk model. Maar dat is niet de reden waarom we zeggen: kunsten zijn belangrijk. Eigenlijk is de vraag die wij stellen: welk mensbeeld willen we? De vraag naar geld voor het kunstendecreet is altijd ook een vraag naar een mensbeeld. Geven we een milieuvergunning aan Uplace? Zo ja, wat wil dat zeggen over ons mensbeeld? Het is daar dat het antwoord moet gezocht worden. Kiezen we voor de consumerende, recreatieve mens die moet uitgeven om gelukkig te zijn? Indien ja, dan volgt de milieuvergunning. Maar die vraag wordt in het politieke debat niet expliciet gesteld en dus ook niet beantwoord. Ons mensbeeld is dat van de kritische, creatieve burger. Dat is ons argument voor kunst. Net zoals dit mensbeeld ook een argument voor degelijk onderwijs is.

In de aanloop naar de nieuwe subsidieronde ondertekenden sector en minister samen een charter. Daarin werd onder andere gestipuleerd dat het veld zich zou onthouden van lobbying. Hoe realistisch is dat? En wat is er eigenlijk mis met lobbying?

Corthouts: Eigenlijk is het heel simpel. Er is een procedure die loopt en die moet gevolgd worden. Gesteld dat dit allemaal vlot en correct gaat, dan is er geen reden om het lobby wapen in te zetten of om in de besluitvorming in te breken of ze om te turnen. Als sector gaan wij dus niet lobbyen, tenzij dus net voor de globale positie van onze sector. Uiteraard blijft de mogelijkheid bestaan dat een individuele actor op eigen houtje gaat pleiten voor zijn gelijk en voor zijn organisatie. Maar precies omdat het charter er is, kan de minister nu zeggen: het is goed dat u dat hier allemaal komt zeggen, maar wij houden ons aan de adviezen zoals ze door de commissies zijn opgesteld, want zo is het met de sector afgesproken, ter bescherming van de sector. Natuurlijk heeft iedereen het recht om te interveniëren. Maar anderen evenzeer om dit af te blokken. Het werkt dus langs twee kanten.

Welk kunstenlandschap willen we eigenlijk in Vlaanderen? Er klonk kritiek op het feit dat de minister geen krijtlijnen heeft getrokken vanwaaruit de commissies kunnen vertrekken bij hun beoordelingen. Maar evenzeer hoor je dat het veld er zelf ook niet in slaagt om die oefening te maken.

Corthouts: Het moet vanuit een dialectiek. Dat wil zeggen dat de eerste schets door het beleid moet worden geleverd. Daarvoor is er toch een departement dat beleidsvoorbereidend werk doet? Vervolgens kan de sector daarop reageren. Het is sneu voor de commissies dat ze ook voor deze ronde alweer geen bedebatteerd kader hadden, want het maakte hun taak er niet eenvoudiger op.

Vanden Driessche: Het is voorzover ik weet nog nooit goed gebeurd. Anderzijds zijn er toch al veel aanzetten gegeven door de sectorale steunpunten en de commissies zelf. Helemaal onvoorbereid beginnen de commissies dus niet aan hun opdracht.

Corthouts: Misschien is het ook niet zo problematisch. Als je krijtlijnen trekt waarbij je zegt: dit niet en dat wel, dan maak je een hoop dingen onmogelijk. Door dat niét te zeggen, geef je heel veel kansen aan initiatieven om allerlei nieuwe dingen te proberen. De dynamiek die ons landschap kenmerkt, het feit dat we mee zijn, komt toch ook vanuit het voordeel dat er door de overheid weinig wordt opgelegd, ok, er is een gevaar voor chaos, maar dat corrigeert zichzelf wel. Misschien niet altijd hard genoeg, maar dat heeft ook zo zijn voordelen.

Joke Schauvliege toonde zich onlangs voorstander van een verfondsing van de podiumkunsten. Dan zal de sector zelf het werk moeten doen en heeft het ook geen zin meer om bij de politiek je dossier te gaan bepleiten.

Vanden Driessche: Er is een studie hierover in de maak in opdracht van de minister. We wachten de resultaten af, we willen rustig beraden, in plaats van nu al te zeggen dat we voor of tegen zijn. Wellicht kan een aantal elementen uit het Kunstendecreet wel voor een fonds in aanmerking komen, zoals projecten en beurzen, dus dat wat aan de individuele kunstenaar raakt. Maar sommige politici hebben ook gelijk als ze zeggen dat het maatschappelijk draagvlak van de podiumkunsten verkleint in het geval van een verfondsing. Het wordt dan nog meer een ver-van-mijn-bed-show. In die zin kan je het Kunstendecreet niet zomaar vergelijken met het letterenfonds of het filmfonds. Het gaat daar immers toch bijna uitsluitend over projecten, over schrijvers en filmregisseurs.

www.overlegkunsten.org

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

interview
Leestijd 15 — 18 minuten

#129

01.06.2012

30.09.2012

Johan Reyniers

Johan Reyniers is schrijver en dramaturg. Hij was de directeur van de Leuvense organisatie voor hedendaagse dans Klapstuk (1993-1998) en artistiek directeur van het Kaaitheater (1998-2008). In 2008 werd hij hoofdredacteur van Etcetera. Sinds 2014 is hij hoofddramaturg bij Toneelgroep Amsterdam.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!