Dirk Lauwaert

Leestijd 11 — 14 minuten

Kritiek der begeestering

Cultuur, of het evenement. Het begeleidwoord: ‘passie’.

In een tijd dat het enthousiasme verslingerd is geraakt aan de media, en de bewondering zich ophoudt in het museum, houdt de ware ontroering zich op in de intimiteit van het eigen huis. In antwoord op onze vraag naar de liefde voor de kunst, neemt Dirk Lauwaert ons mee op een zwerftocht langs de ruïnes van de begeestering en de beschouwing, om uiteindelijk uit te komen bij de intellectueel versmade krop in de keel.

‘Passie’ wordt – zoals de logica van het evenement voorschrijft – steeds inclusief ingezet. ‘Passie’ brengt samen. Maar passie en enthousiasme zijn scheidend, ze sluiten uit. Het toegangsverbod is essentieel. Het enthousiasme, zijn ambities waardig, is elitair, niet democratisch, juist geen handlanger van het participatieve. Later, bij de onvermijdelijke afrekening, wordt die weigering steevast gebrandmerkt als snobisme.

Het enthousiasme is geloof, belijdenis. Het impliceert verantwoordelijkheid, engagement. Daarmee is het enthousiasme zoniet schrikwekkend, dan toch minstens verontrustend. Het enthousiasme zorgt voor verwarring, niet voor bevestiging. Wreed enthousiasme.

Het is waar: de begeestering heeft geen schone ziel. De 20 ste eeuw is opgebrand aan enthousiasme. Te weinig zelfkritiek, zonder matigende zelfdiscipline, zonder vermogen zijn plaats in de wereld en het leven correct te bepalen: zo wordt het enthousiasme speelbal in plaats van zuurdesem. Vulgair in plaats van verfijnd. Elitair in ambitie, proleet in vorm. (Waardering voor het enthousiasme is recent, een effect der Verlichting. Tot dan was enthousiasme verdacht en ketters, ordeverstorend.)

Trouwens, haar luid en polemisch karakter legt een onderliggende onzekerheid het stilzwijgen op. Een deel van de aantrekkingskracht van het enthousiasme is het overwinnen van die onzekerheid. Bron van moed, van overmoed, drijfkracht om argumenten bijeen te zoeken, details na te gaan, kennis te ontwikkelen, kenniswijzen te onderzoeken. Enthousiasme genereert kennis en methode. Men houdt niet alleen van het enthousiasmerende object maar ook van het enthousiasme zelf dat intellectuele vitaliteit in het leven roept.

Daartegenover weer: wat is een leven tegen het enthousiasme? Zeuren, afknibbelen, voetnoten plaatsen. Hoeveel jaloezie roept de geestdrift in het leven. Het trotse enthousiasme moet gefnuikt worden, het vuur gedoofd, het glinsterende harnas in modder ‘gemat’. Wie wil nu een nieuw begin? Er zijn zoveel redenen om enthousiasme weg te wimpelen. Maar zijn het goede redenen? Voor het enthousiasme pleit alvast dat het tot leven wekt, de grenzen van de wereld verlegt. Met het enthousiasme wordt de wereld groter, zonder hem verschrompelt ze, sterker nog: takelt de wereld af.

Het gepassioneerd houden van, de hete adem van het enthousiasme of de morele noodzaak van het engagement geven toegang tot een uniek geestelijk avontuur. Zonder hem neemt men kennis van iets, slaat men er informatie over op, benoemt men zijn effect, niet zijn betekenis, niet zijn vermogen om iemands wereld te veranderen, zicht te kunnen geven op weer een andere mogelijkheid om te bestaan in de wereld. Het enthousiasme is niets anders dan de wil te veranderen. Dat kan alleen maar wanneer men zich radicaal inlaat met het object. Wanneer men zich in de beweging van het werk gooit. Wanneer men zich zo plaatst dat er geen ontsnappen meer aan is.

In geestdrift neemt de drift het over van de geest. Het enthousiasme is per definitie onredelijk. De literaire vorm bij uitstek van het enthousiasme is de kritische commentaar (de kleine versie van het essay): puntig, aanvallend, gebald. Snelheid is haar voorwaarde. Ze belaagt. Intellectuele guerrilla. Niet het gelijk van een bewijs, noch het gelijk van de advocaat, maar het gelijk van het overleven, van het doen overleven van het enthousiasme zelf. Het enthousiasme is een existentieel pleidooi.

Het enthousiasme vertaalt denken als drift. Maar het is een kuise drift. Enthousiasme sublimeert. In haar geen begeerte (zoals die van de verzamelaar) maar hulde op afstand. Dat wat geestdrift wekt, is meteen onaanraakbaar. De geestdriftige is de Vestaalse maagd van een eredienst. Het ‘dichtbij’ van het enthousiasme is een parade: het gaat uiteindelijk om de afstand, om de afstandelijkheid. Enthousiasme is in die zin ook steeds moraliserend. De steeds jonge geestdrift kent de huid der dingen niet. Het enthousiasme is niet erotisch.

Daarom draagt het enthousiasme zo vaak vriendschappen. Het is de sublimerende bemiddelaar. Het enthousiasme is mannelijk en gelijkgeslachtelijk. Het is een uitstel om te leven, een afleidingsmanoeuvre, een tussenvertrek voor men het leven binnenstapt. Het enthousiasme is geen vrouwelijke passie, noch deel van het huwelijkse. Tussen geliefden loopt het enthousiasme in de weg. Enthousiasme is celibatair.

Het enthousiasme is dubbel in zijn verhouding tot tijd: begeestering lijkt steeds in het heden, een momentopname. Maar ze komt steeds onmiddellijk na (de commentaar: ‘heb je dat gezien? ’) én bevestigt een ongebroken toekomst (‘dit is voor altijd’). Imperfectum presens en imperatief. Niet de voorbije ervaring, noch het toekomstplan maar het nu als verleden én een toekomst zonder verandering (de structuur van de geloofsbelijdenis). Het ritme van het enthousiasme is de galop. Haar stijlfiguur de sprong over de hindernis. De sprong als hulde.

Het enthousiasme laat alleen verbrande bruggen achter, ziet zich als Toekomst zondermeer. Dan verschijnt het enthousiasme als het project voor een nomadisch bestaan. Het wezen van de enthousiaste galop is een onherroepelijk dolen. De enthousiaste als mentale straatloper. De passie van het enthousiasme pathetisch. De begeestering weerzinwekkend. Het is in de religie niet anders, wist men vroeger al: ketters leiden een dolend bestaan (l’Oeuvre au Noir).

Enthousiasme is ook en misschien vooral het geschenk van een tijdsgeest.

Het enthousiasme is niet alleen een vermogen dat iemand geschonken krijgt, het is ook afhankelijk van specifieke omstandigheden die enthousiasme toelaten, opwekken, afdwingen. Enthousiasme is ook en misschien vooral het geschenk van een tijdsgeest. Sommige (ik vermoed zeer uitzonderlijke) periodes laten enthousiasme toe, drijven erop, veronderstellen het. Daarbuiten: het moeiteloze plezier van de consumptie, d.w.z. van het vanzelfsprekend voorhandene.

Verandering, kanteling, omwenteling zijn voorwaarden voor het enthousiasme (het enthousiasme maakt ze ook mogelijk, maakt ze ook blind). Naast het ‘er is een revolutie aan de gang’ ook een ‘deze revolutie moet er zijn’. Verontwaardiging, rancune, vernietigingsdrang, oorlogscampagne zijn onderdeel van deze enthousiaste passie. Geen enkele generatie van de 20 ste eeuw is aan het geluk, maar ook aan het lot van het enthousiasme ontsnapt. Hoe ontkomt men wel aan de uitputting van het enthousiasme, haar inherente fragiliteit, haar beschamende onredelijkheid, haar drogredenen en virtuositeit die alleen het jonge en onervarene aankunnen? Hoe ontsnappen aan haar dwang, haar neurose, haar sublimering? Eén: het enthousiasme gewoon negeren. Vandaag zien we dat er niet alleen mensen maar ook een hele cultuur mogelijk is zonder enthousiasme. Een cultuur met evenementen, maar zonder euforie.

Vandaag zien we dat er niet alleen mensen maar ook een hele cultuur mogelijk is zonder enthousiasme. Een cultuur met evenementen, maar zonder euforie.

Een cultuur die een direct en al te meegaand object van de macht is. Een cultuur die zijn benen onder de tafel van de macht schuift. Toegegeven, handlanger zijn van de macht is vanouds haar vanzelfsprekende, natuurlijke, enige rol. Maar toch, het kleurt zonder vorst en na het enthousiasme vandaag toch heel anders, deze compliciteit met de macht. Aanschurken tegen het inclusieve ideaal van media en consumptie is iets anders dan vorst en kerk van beelden te voorzien. Deze laatsten hebben ambities. Hebben de eerste er?

Het is een strategische cultuur waarin positie nemen geen engagement impliceert maar berekening, geen risico maar het bezweren ervan. De ontdekkingen hier zijn van een heel andere orde dan dewelke de begeestering te beurt vielen. Het verontrustende ideaal van het enthousiasme als uitputtende nachtelijke galop werd vervangen door het ideaal van het netwerk (een wonderlijke combinatie van beweging en ter plaatse).

Het netwerk laat wellicht ontdekkingen toe maar dan toch van een heel andere orde dan die der vorige eeuw. Haar snobisme is niet elitair, maar populistisch gekleurd. Tegenover de oekaze van het enthousiasme, de afvalrace. Niet meer het tribunaal maar de tribune, niet meer het proces maar de poll. Geen passie maar een applausmeester. Een wat saai maar efficiënt alternatief voor een te wreed enthousiasme.

Achterblijven na het enthousiasme is er zich krampachtig aan vastklampen: zeurderige nostalgie, vervreemding van wat zich nu zo nieuw aandient, retrospectieve idealisering van het enthousiasme. Dit is geen stap uit de geestdrift maar een verstening ervan. De omslag van het roekeloze ‘gelijk’ der begeestering in een ‘verongelijk’ der teleurstelling.

Toch kan de nostalgie een voortzetting van het enthousiasme blijken: het Late Enthousiasme (zoals men spreekt van de Late Renoir). Dit is steeds een heikele oefening: is dat Late verval of ultiem hoogtepunt? Is dat hoogtepunt accumulatie of uitzuivering? Overdaad zoals in het maniërisme van de Late Renaissance of ultieme synthese zoals in de knipsels van Matisse? Wat kunnen de contouren zijn van iemands Late Enthousiasme?

De blik vooruit van het enthousiasme zoekt in het verleden handlangers, vaderfiguren, verleiders.

Het helpt zich te realiseren dat het enthousiasme ook in haar hoogdagen op zoek is naar voorgangers en zich dus niet ongenuanceerd als nieuw denkt. De blik vooruit van het enthousiasme zoekt in het verleden handlangers, vaderfiguren, verleiders. Iedere vernieuwing zoekt een investituur van het verleden. André Breton heeft als geen ander rooftochten in het verleden georganiseerd. Zeker wie naar de toekomst grijpt, zoekt een gelijk dat hij uiteraard niet bij tijdgenoten en dus maar in het (gelukkig niet meer sprekende) verleden zoekt. Het zoeken naar voorgangers is steeds de mauvaise foi: het is steeds een misbruik. Het is nostalgie naar een verleden dat niet dat van de Enthousiaste is.

Het Late Enthousiasme kan een gelijkaardige dubbelzinnige optie zijn: bijvoorbeeld enthousiaste kritiek op het enthousiasme. Tegelijk binnen en buiten, tegelijk relativering en triomfantelijk gelijk (maar het kan net zo goed het erkennen van ongelijk zijn). De bloeiperiode van het Enthousiasme als erflater die men misbruikt en aldus een leven blijft geven. Wat na de Geestdrift komt als vitale nostalgie.

Het klassieke is een mogelijk resultaat van de reflectie over en de afstand tot het enthousiasme. Na de onvoorzichtigheid en de brutaliteit van het Hoge enthousiasme, de voorzichtigheid van de Late toetsing. Wat blijft er na de razernij? Wat blijft er van het slagveld van het eerste, jonge, viriele enthousiasme over? Een weelde aan suggesties en voorstellen waarin gesnoeid moet worden. Afsterven en afstoten in het massagraf. Het ergerlijke (vanuit het standpunt van het enthousiasme) is het te gemakkelijk verdiende gelijk. Het klassieke gebruikt haar boekhoudkundige afrekening om een canon op te stellen, referentiewaarden uit te tekenen als grondvesten voor een stabiele wereld, voor een ordening (westerns zijn op dezelfde tegenstellingen gebouwd).

De imaginaire genealogie van het enthousiasmerende nieuwe is juist niet het opstellen van een dwingende canon maar het zoeken naar medeplichtigen. De modernen zijn steeds zonen op zoek naar de inspirerende vader: van inspiratie naar norm.

Wat het klassieke dan weer zo menselijk maakt is haar gesublimeerde nostalgie. Het ideale is er steeds reeds geweest, komt er nooit meer aan. Het naïeve enthousiasme vertrouwt op de maakbare toekomst. De strenge wet van het klassieke is een treurige wet. Niemand laat dat duidelijker zien dan de klassieke schilder bij uitstek, Poussin. Hier zeker geen canon waarvoor de leerstellige koninklijke academie van Colbert hem wilde inzetten. Zijn reeksen Sacramenten, Seizoenen, Metamorfosen en religieuze Passies worden verteld in de obscene pathos van opengespalkte monden, uitzinnige blikken, openknallende armen en benen, aanstormende spurt in tunieken als vlaggen in een orkaan. Excessief geweld, brandstof voor geestdrift en passie. Maar hij stileert al deze bewegingen en uitdrukkingen tot poses, maskers, steenzwaar wapperen. Het klassieke stelt hier het enthousiasme sterker dan ooit aan de orde maar beheerst het (minder dan ooit). Hier is het klassieke de voortzetting van het enthousiasmeren maar in de gedaante van haar kilste tegendeel. (Baudelaire deed niet anders, Manet wilde niets anders).

Bij het construeren van een genealogie voor het enthousiasmerende verschuift de geestdrift maar bewondering. Niet de identificatie met de strenge wet maar met de voedende, beschermende vader. Bewondering is niet meer nomadisch, men bewondert vanuit een vaster punt. Musea zijn gemaakt voor die bewondering. Opkijken: di sotto in sù. Het bewonderde is geen norm maar een vraag om bescherming (Anchises). In de bewondering ondergaat men niet de wet maar ondersteunt men de ruïne ervan. De bewondering is niet ontdekking maar het eerherstel en daardoor ook de trouw.

Is het enthousiasme hongerig, vraatzuchtig, wreed, bloeddorstig, onbeschaamd en obsceen; de bewondering daarentegen is voorzichtig, op afstand, voorkomend. Het werkwoord ‘moeten’ dat eigen is aan het enthousiasme en het klassieke geeft geen pas in de bewondering (men mag bewonderen, men kan bewonderen).

Is het enthousiasme hongerig, vraatzuchtig, wreed, bloeddorstig, onbeschaamd en obsceen; de bewondering daarentegen is voorzichtig, op afstand, voorkomend.

De woorden der bewondering zijn: uiteindelijk, toch, welbeschouwd (wat een mooi woord!). Ze verwijzen naar afsluiting en conclusie, niet naar een project. Wat men bewondert, bootst men ook niet na. Het bewonderde is geen model. De bewondering van de zoon streeft juist geen imitatie van de vader na. Het bewonderde is niet imiteerbaar, want geen wet. Men aanvaardt het bewonderde, men ondergaat het niet. Deze bescheidenheid heeft het enthousiasme niet. Juist die bescheidenheid is de achillespees van de bewondering: men kan bewonderen zonder te kennen. Het bewonderde als doxa, als culturele mythe (het bewonderde opgeslokt door consumptie (Barthes).

Is het museum het natuurlijke huis der bewondering (iedere ruimte waar bewonderd wordt, is een museum), thuis is de plek der ontroering (waar ontroering is, is er een thuis). Noch enthousiasme, noch het klassieke, noch de bewondering hebben een plaats voor ontroering. Waarschijnlijk is ze er, maar ze speelt geen vestigende rol in hun traject. Wat na het enthousiasme, na de passie, na de bewondering? In het allerbeste geval dit dus: ontroering.

Net als enthousiasme en bewondering heeft ontroering een ideaalruimte, een eigen tijdsvorm, een eigen gestiek. Het enthousiasme is theatraal en hunkert naar applaus, naar collectiviteit, naar de mars. De bewondering is een visuele projectie en vraagt stilte en stilstand. De bewondering verheft, ze geeft aan het verticale een passionele een invulling. De ontroering is intiem en vraagt het huis. Haar gebaar: de handen voor de ogen gehouden. Haar zintuig is auditief. Men moet het werk in zijn intimiteit horen. Ontroering of de muziek.

Het huis is de plaats zonder verandering: in het huis schuilt men tegen de verandering. Het huis weert de verandering. Iedere verandering bedreigt het fragiele evenwicht van geluk en drama, van herinnering en voortleven, van herhaling en het verrassende geschenk. Het huis, dat is niet meer en niet minder dan de door duizenden voetstappen afgesleten arduinsteen.

De plaats van de ontroering is de muur van de woonst, ver weg van de kilte van de museumzaal, van de grandeur van het theater. Ontroering zit tussen herinneringen. Een huis is de steeds verder toegroeiende necropool van het private leven. De objecten hebben er een leven als in een sprookje van Andersen, eerder dan in de roman van Proust. Minder het object van waarneming, dan van magie (Benjamin). Daartussen enkele kunstwerken als tegenbeweging, om de necropool te laten ademen, om aan de verschrikkelijke anonimiteit der herinneringen (iedereen herinnert zich hetzelfde) toch een eigen signatuur te zetten. De objecten die men uit het verleden meesleept en waaraan men een magische kracht toeschrijft, worden in het kunstwerk met een stijl buiten spel gezet. Het intieme ontslaat de noodzaak van keuzes, het kunstwerk middenin de intimiteit affirmeert dat het leven ook keuze is. Ontroering heeft minder met het herinneren, meer met die keuze te maken, met de spanning tussen beide: het leven als project ingebed in het leven als ooit gedane, niet meer ongedaan te maken keuze. De ontroering radicaliseert de herinneringsarbeid: hier en nu had dit ook kunnen zijn, maar hier en nu ziet men de onverbiddelijke schaduw van de ooit gemaakte levenskeuze.

In het gevecht met de herinnering zijn het manifest van het enthousiasme, de wet van het klassieke, de zekerheden der bewondering niet van dienst. Het ‘moeten’ helpt niet meer; in de intimiteit gaat het om kunnen. Waarmee kan ik leven? Waar kan ik me in herkennen? Wat kan ik nog doen te midden van het lapidarium van het reeds geleefde? Waarmee kan ik verder leven, is de vraag naar het goede leven. Zo is het huis der ontroering geen vlucht voor de wereld, maar een kritiek op de wereld.

Het ontroerende als datgene wat je na een lange odyssee thuisbrengt: ‘Dat is het dus’. Niet oproep, maar vaststelling. Nuchter en zonder aspiratie. Na de grootse museumzaal, na de onverbiddelijke white cube van de modernen: de paravent van Vuillard, de badkamer van Marthe, de deurlijst van Van Rijsselberge,de doorkijk van Hammershoi, het openstaande raam van Johan Deloore. Momenten van het inactuele.

De tijd ven de ontroering is een andere dan die van de bewondering (la longue durée), of die van het enthousiasme (l’instantané) maar de tijd van het werk zelf. De ontroering begeleidt de beweging van een acteur, een melodie, een zin, een enjambement. Niet heftig, niet blijvend, maar begeleidend. Ontroering is tijd die men zich samen met het ontvouwende werk eigen maakt. Een tijd die men juist niet kan delen (opnieuw dat scheidende). Ontroerd is men steeds alleen.

In de ontroering slaat de stem over, schokt het lichaam mee in tranen. Kortom, de ontroerde struikelt, in de plaats van beheersing staat onhandigheid. De ontroerde bloost, stottert – komieke maladresse. Ontroering is precies dat: controle verliezen. Bij iedere ontroering dus een mespunt schaamte.

Willen de andere passionele investeringen in het kunstwerk toch altijd benoemd en verantwoord worden, de ontroering ziet in dat verantwoording verweer is, geen openhartige bekentenis. De ontroering draagt het masker van een zekere domheid en, waarom niet, van een zekere smakeloosheid. De onophoudelijke moderne kritiek op het intieme (zo verschillend van de creatie en exaltatie ervan door Verlichting). Het intieme is de vijand van het moderne, de ontkenning van het enthousiasme.

Zoals er een wereld zonder enthousiasme bestaat, net zo bestaat een wereld zonder ontroering. De kritiek op de kitsch is de kruistocht tegen de ontroering. En die kruistocht wordt met het grootste enthousiasme gevoerd. Enthousiasme en ontroering liggen als twee uitersten in het verlengde van elkaar maar ze zijn ook antipoden. Zoals de enthousiaste juist niet de ontroering wil, zo weert de ontroerde enthousiasme af.

Enthousiasme en ontroering liggen als twee uitersten in het verlengde van elkaar, maar ze zijn ook antipoden. Zoals de enthousiaste juist niet de ontroering wil, zo weert de ontroerde enthousiasme af.

De ontroering is niet principieel en streng, maar toegeeflijk, vergevensgezind, eigenzinnig, radicaal autonoom: het collectieve wij, vervangen door een privaat mijn. Ontroering is niet slim, niet zelfkritisch, niet op zoek naar erkenning. Het legt geen verantwoording af. Legt zich niet bij normen neer. Integendeel, wat zich door normen laat leiden, ontroert zelden. In de ontroering zijn er geen drijfveren meer maar is er voltooiing. De ontroerde zegt: dit is af. De wenende zegt: dit is de grens van het ervaarbare. De ontroerde is als Mozes voor het Beloofde Land – daar is het, zij het onbereikbaar. Daar is het, want onbereikbaar. Daar is het en dus onbereikbaar. Daar is het en gelukkig onbereikbaar. Juist daar, op die plek, in dat besef is er ontroering.

 

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 11 — 14 minuten

#110

15.02.2008

14.05.2008

Dirk Lauwaert