‘Krankheit der Jugend’ (Arca) Foto Luc Monsaert

Maarten Van Steenbergen

Leestijd 4 — 7 minuten

Krankheit Der Jugend

Arca, Gent

Krankheit der Jugend speelt in een doos, een soort container. Het enige, kleine raampje in de kamer zit te hoog en laat enkel licht binnen. Het doet onwillekeurig denken aan Becketts Endgame.

In die ruimte, die de studentenkamer van Marie, een laatstejaarsstudente geneeskunde, moet voorstellen, is eigenlijk niets realistisch. De stapel blauw gekafte boeken die van de vloer tot aan het plafond reikt en de grote hoop pillen (peppillen ?) in de hoek geven je onmiddellijk die indruk, maar dat het bed eigenlijk in een ziekenhuis thuishoort en de studeertafel in feite een ontleedtafel is en dus niet op een studentenkamer thuishoren, dringt pas geleidelijk tot je door. Regisseur Herman Gilis kiest vaak voor een dergelijke vorm van theatraliteit in het decor, denken we maar aan recente produkties als Emilia Galotti en De Tijd en de kamer. Het theatrale in die decors wordt niet bereikt door een volledig abstract scèneconcept te creëren – een huis lijkt nog altijd op een huis en een kamer kan je direct herkennen als een kamer – maar door het vullen van de ruimte met meer of minder bevreemdende elementen. In deze produktie doet het geheel ongezellig, onwennig en onpersoonlijk aan. De feesthoedjes die Alt, één van de vrienden die Marie op haar promotiefeestje heeft uitgenodigd, tevoorschijn haalt, maken de sfeer alleen maar killer. Ook de cassette met Duitse hoempapa-feestmuziek die op de fuif wordt gespeeld klinkt cynisch, luguber zelfs. Ferdinand Brückner (pseudoniem van Theodor Tagger), auteur, dramaturg, regisseur en theaterleider schreef zijn stuk rond 1925 en schetste een beeld van een groep geneeskunde-studenten die een identiteitscrisis doormaken – wat in se een noodzakelijke en positieve evolutie is – maar die in tegenstelling tot andere generaties van jongeren niet één enkele norm bezitten waarop ze zouden kunnen of willen steunen. Op het door mij gesmaakte colloquium dat Arca in samenwerking met de RUG n.a.v. deze voorstelling organiseerde, omschreef Prof. Leni Verhofstadt deze status met een term van de psycholoog Marcia als identity diffusion : “onder adolescenten in een identity diffusion heerst over het algemeen een kwalitaiteve armoede aan ideeën, ze hebben of heel weinig opvattingen, of heel veel opvattingen met weinig diepgang. Terwijl ze vele oppervlakkige contacten kunnen hebben, lijken deze diepgang en betekenis te missen. Jongeren in een identity diffusion lijken op drift te zijn geraakt en missen een soort innerlijk sturende instantie.” Die oppervlakkigheid van ideeën en de eenzaamheid die deze jongeren ervaren, weet Gilis zeer goed te tekenen. Vooral het snelle ritme waarmee dialogen en situaties elkaar opvolgen (voornamelijk in het eerste deel) legt een soort hypotheek op de mogelijkheid tot luisteren naar elkaar en op het zoeken naar enige diepgang in de relaties. Relaties, het ontstaan ervan en hun teloorgang, het stuk zit er vol van : Marie heeft jaren het hoofd boven water gehouden met de dichter Petrell, die een relatie zal aangaan met Irene, een studente die , in tegenstelling tot de anderen, heel hard heeft moeten werken om te slagen, oorzaak van heel wat opgekropte frustraties. Freder, die veel langer over zijn studie doet dan de anderen, heeft blijkbaar een sexuele relatie met Désirée, gravin en uiterst begaafd, die op haar beurt een lesbische relatie zal opbouwen met de gedesillusioneerde Marie. Lucy, de meid, is verliefd op Freder, die haar echter gebruikt : hij doet haar stelen en tippelen. Het blauwe oog van Lucy is ongetwijfeld van hem afkomstig. Wie geen duidelijke relatie heeft met iemand is Alt, een gladgestreken, impotente, bemoedeende, met streepjeshemd en grijs flanellen broek uitgedoste arts. Of de anderen minder alleen zijn dan Alt valt te betwijfelen. Wel is hij jaloers op hun mogelijkheid tot het aangaan van banden. Wanneer hij Marie doet kotsen door zijn vinger in haar mond te steken, komt dat over als een wraakneming op hun schijnbaar geluk. Het gevoel van onmacht, van gebrek aan voldoening dat we bij alle personages terugvinden, laat Gilis verschillende malen uiten door het gebruik van fysiek geweld. Men trekt aan eikaars haren, een arm wordt op de rug gewrongen, men duwt elkaar op de grond, Irène wordt aan haar haar vastgebonden dat nadien door Freder wordt losgeknipt. Het contrasteert met de hartstochtelijke, soms woeste omhelzingen van Irène en Petrell, Lucy en Freder, Marie en Désirée. Die paradox tekent een fundamenteel gevoel in de voorstelling : wanhoop. Ik wees er reeds op dat het snelle en zeer fysieke spel dat mooi veruiterlijken. Dat dat inderdaad op een specifieke manier werkt, wordt duidelijk als blijkt dat je je er als toeschouwer vaak gefrustreerd door voelt. Je wordt overspoeld door het drama, dat je geen tijd laat voor reflectie. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom je je nooit helemaal tot de voorstelling betrokken voelt : het is allemaal wat te veel en te groot. Soms heeft het ook iets weg van het groteske, zoals wanneer Freder rondloopt in rode bikini met zwarte bollen en bottines, zijn boekentas onder de arm.

Het tweede deel wordt gekenmerkt door een doorgedreven theatraliteit. De leerboeken liggen als mazelen over het toneel verspreidt; versterker, luidsprekers, draden zijn zomaar op de scène geplaatst; rechts staat een reeks flessen zonder etiket, netjes op een rij en ongelijk met wijn gevuld. Die grotere theatraliteit brengt een groter gevoel van artificialiteit en decadentie met zich mee : de strijd tegen de ontmoediging lijkt opgegeven. Het tempo in dit tweede deel is rustiger; het stuk kabbelt gelaten verder. De personages liggen, hangen of zitten tegen de wand. De sfeer is er een van berusting, maar niet in een lot dat door deze jongeren zelf met het volle bewustzijn is bepaald, maar door een lot dat hen heeft platgewalst buiten hun wil om. Dat Desiréé uiteindelijk de zelfmoord verkiest boven zichzelf te prostitueren en dat Freder Marie doodbijt – een logisch uitvloeisel van al het meer of minder ingehouden fysiek geweld – ervaar je dan ook niet als oplossingen, maar als de minst grote nederlagen. In dit laatste fragment verschijnt Freder als een reusachtig, statisch hert. “Misschien een soort vleesgeworden Es”, zei Gilis na de voorstelling. Opnieuw een bevreemdend element in de voorstelling.

Toppunt van cynisme is voor mij de slotscène. Terwijl Freder Marie de keel overbijt, komt Alt vrolijk fluitend de scène op, scheurt wat bladzijden uit een boek en stookt er een vuurtje mee. Het lijkt wel het failliet van de mogelijkheid tot relaties tussen mensen. Alt staat daar voor het publiek, zich verkneukelend in zijn eigen lot: eenzaamheid. Zijn “redding voor de catastrofe”.

Gezelschap : Arca;

tekst : Ferdinand Brückner;

regie : Herman Gilis;

decor : Marc Cnops;

spel : Aafke Bruining, Koen De Bouw, Geert De Smet, Vera Puts, Caroline Rottier, Lukas Vandeneynde, Hélène Suyderhorst.

Gezien in Arca op 31 januari en 6 februari 1991.

Gezien in deSingel te Antwerpen op 3 januari 1991.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#33

15.03.1991

14.06.1991

Maarten Van Steenbergen

recensie