De Voetenwassing (De Sluipende Armoede)

Theo Van Rompay

Leestijd 7 — 10 minuten

Jong regisseur duikt op uit het niets

Dun acteren: Mark Vankerkhove over de naar binnen gekeerde hysterie van het ‘dun acteren’

Voor het ad hoc-gezelschap De Sluipende Armoede (Gent) regisseerde Mark Vankerkhove, na Jungle, De Voetwassing. Een verrassing! Theo Van Rompay sprak met hem.

Marieluise Fleisser, tijdgenote van Bertold Brecht, schreef De Voetwassing (Fegefeuer in Ingolstadt) in 1923. Het stuk is een zedenschets van het leven in de provincie. Centraal staan het gevoelsleven en de morele code van jonge mensen die gebukt gaan onder de sociale en psychologische druk van kerk, school en ouders. In zijn enscenering voor De Sluipende Armoede gebruikte de Gentenaar Mark Vankerkhove de zeer getrouwe vertaling van Karel Müller (gemaakt i.o.v. Toneelgroep Theater uit Arnhem, 1979). De poëtische schriftuur blijft behouden, de oude tekst wordt gelukkig niet in een modern jargon gewrongen. Het resultaat is een produktie die een persoonlijke en authentieke sfeer uitstraalt.

Nochtans leek aanvankelijk een zweem van opportunisme niet weg te cijferen. Atonale muziek, een sober wit-plastieken decor, de onvermijdelijke neons, een onwennig gecrispeerd acteren – het waren de ingrediënten voor wat in 1982 als ‘vernieuwing’ opgeld maakte. Dit wantrouwen bleek naarmate de voorstelling vorderde niet houdbaar. De eerder fragmentarische en schematische opbouw in het eerste deel, ruimt na de pauze plaats voor een geladen ontwikkeling. Het conflict tussen individu en sociaal milieu komt er in een huiveringwekkende stroomversnelling. Wat ik oorspronkelijk als modieus taxeerde, dien ik naderhand als een dramatisch correcte regie en scenografie te erkennen. De doorgevoerde abstracties geven de zestig jaar oude tekst een grote helderheid. Dit is mede te danken aan het ingehouden spel van Frie Couwberghs en Mark Olyslaeger. Zij tillen de voorstelling ver boven de alledaagsheid uit. Hun pure en essentiële gevoelswereld kan de toeschouwer niet koud laten.

De Voetwassing is een weloverwogen en doordachte voorstelling. Men voelt de hand van iemand die weet wat hij wil. Mark Vankerkhove (geboren in 1960) is haast toevallig regisseur geworden. Als 18-jarige nam hij zich voor een acteursopleiding te volgen. In de conservatoria van Antwerpen en Gent volgde hij respectievelijk zes en drie maanden les, alvorens er de brui aan te geven. ‘Puur tijdverlies’, bevestigt hij, ‘je leert er niets. En wat je al als gezonde basis hebt, ben je er in geen tijd kwijt.’

Jungle

Om zijn ongenoegen met het theater en alles wat er rond hing duidelijk te maken besluit Vankerkhove zelf een produktie te creëren. Hij gaat al lang niet meer naar voorstellingen kijken, baalt van het vastgeroeste theaterinstituut en hij zal met Jungle (naar Im Dickicht der Staedte van Bertold Brecht) definitief een punt achter zijn theaterwerk zetten.

Mark Vankerkhove: ‘Het is een heel radicale voorstelling geworden, een produktie die veel deuren heeft ingetrapt. Het was wat theater op dat moment voor mij hoorde te zijn.’

Waarom als eerste, en laatste produktie Brecht?

Mark Vankerkhove: ‘Het is een stuk van de jonge Brecht. Hij was toen ook 23 jaar en had nog geen didactische stukken geschreven. Het is haast poëzie, en het is vooral agressief en anarchistisch. De keuze was tijdsgebonden, het had te maken met mijn denkwereld op dat moment. Het gaat uiteindelijk om iemand die zich uit een burgerlijk milieu wil terugtrekken en voor een vrijheid – vraagteken – kiest. De voorstelling was zeer ruw en agressief. De spelers hadden geen enkele opleiding, hadden nog niets met theater gedaan. Ze konden nauwelijks praten. Dat was niet belangrijk in Jungle. Alles wat aangeleerd wordt in een conservatorium, in de officiële theateropleiding, werd met die voorstelling stuk voor stuk afgebroken. Primair was voor mij op dat moment de emotionaliteit, het gevoel, de expressie.’

De Voetwassing

Ondanks veel kritiek laat Vankerkhove met Jungle bij velen een sterke indruk na. De idee om het theater volledig te laten schieten haalt het voorlopig niet op de drang aan een nieuwe produktie te werken. Met De Voetwassing haalt hij een stuk van onder ‘t stof dat zowel naar inhoud als naar vorm oubollig oogt.

Mark Vankerkhove: ‘Achterhaald is inderdaad de houding van de jongeren tegenover de kerk. In feite gaat De Voetwassing echter over de eenzaamheid van jonge mensen, de communicatiestoornissen, de onmogelijkheid om met mekaar tot een vergelijk te komen. Dat vind ik absoluut niet achterhaald. De basisidee van het stuk is dat iemand die zich door de groep uitgestoten acht, zich niet gaat opstellen tegenover die groep, maar zich op zijn beurt gaat afreageren tegenover iemand die eveneens uitgesloten of er nog erger aan toe is. Je krijgt een groep jongeren die zich afzet tegen de gevestigde orde, maar zich afreageert op de enkelingen die buiten de groep vallen. Deze gaan zich op hun beurt afzetten tegen nog andere individuen. Zo verstevigen minderheden uiteindelijk het systeem. Dat was mijn uitgangspunt voor De Voetwassing.’

Je schrijft in het programma De Voetwassing dat in de jaren zeventig Fassbinder, Kroetz en andere Duitse auteurs sterk geïnteresseerd waren in het werk van Fleisser. Was die belangstelling gelijkaardig aan die van jou?

Mark Vankerkhove: ‘De basisidee was, vermoed ik, dezelfde. Fassbinder en Kroetz zijn verder gegaan op het volksstuk, zoals Fleisser er verschillende geschreven heeft. Zij werkte naar een arbeiderspubliek toe, ze wilde een grote herkenbaarheid. Maar het omgekeerde gebeurde. Zij schreef ontoegankelijke stukken, qua taal zeer hermetisch, maar in de vormgeving inderdaad heel herkenbaar. Fassbinder en Kroetz hebben ook op dit laatste sterk ingepikt.’

De Voetwassing is zeer strak geregisseerd. Er wordt geacteerd op een heel smal strookje, ver verwijderd van enig naturalisme of realisme.

Mark Vankerkhove: ‘Ik gebruik als term altijd ‘dun acteren’. Alles moet binnen blijven, het moet onderhuids werken. Het vertrekpunt is dat niéts mag. Alle clichés die bij improvisaties naar boven zouden komen, vallen onmiddellijk weg. Elk cliché moet ofwel herkend worden als een zeer specifiek clichébeeld, ofwel moet het uitgebannen worden. In de plaats komt iets als een naar binnen gekeerde hysterie. Dit vereist een verschrikkelijke spanning en concentratie van elke acteur. Het probleem is dat wanneer de concentratie verslapt, of wanneer de spanning niet volledig juist zit, de voorstelling ineenzakt. Ik vind het heel belangrijk voor een acteur goed te weten waar hij mee bezig is. Het is iets wat zelden aangeleerd wordt en waar veel acteurs niet in geïnteresseerd zijn, maar een acteur moet weten in welke context hij speelt en werkt. Waarover het gaat in het geheel en niet in de eerste plaats waarover zijn rol gaat. Zijn rol ontstaat uit de dingen die rondom hem gebeuren. Dit betekent niet dat een acteur zijn emotionaliteit overboord dient te gooien. Als men op puur intellectuele impulsen zou spelen, is de didactiek niet ver weg. Het intellect van de acteur en zijn gevoelswereld gaan dus nauw samen; acteren is steeds een wisselwerking tussen beide.

Mijn regie van De Voetwassing is inderdaad heel strak. Alles staat op voorhand vast. De acteur heeft – op het eerste gezicht – niets te zeggen. Zijn inbreng is slechts schijnbaar nihil, want binnen die strikte regie wordt het pas boeiend te gaan acteren. Zo kan je binnen de context en de lijnen die het stuk afbakenen door gewoon op een stoel te zitten, een kwartier lang, en niets te doen – ook geen spelletjes spelen en eens eventjes improviseren – toch een gevoelswereld creëren die heel nauw samengaat met wat er gebeurt. Dat vind ik essentieel in acteren: eerst onder de douche kruipen en dan gaan spelen, eerst alle ballast er afschrapen.’

Acteurs

Werk je dan liefst met amateurs of met professionelen, voor zover je daar met je beperkte regie-ervaring kan over oordelen ?

Mark Vankerkhove: ‘Amateurs of mensen die nog maar weinig met theater te maken gehad hebben, zijn interessanter werkmateriaal. Zij blijken een volledig ander uitdrukkingsvermogen te bezitten dan beroepsmensen. Bij professionelen zit alles heel mooi onderverdeeld in verschillende schuifjes, zij denken het altijd even met hun techniek op te lossen. Ik ben a priori tegen de technische vaardigheid van acteurs. Ze moeten wél handig zijn, vooral soepel, en een groot verwerkingsmechanisme bezitten.’

Zijn amateurs per definitie interessanter om mee te werken dan professionele acteurs of zit de opleiding fout?

Mark Vankerkhove: ‘Het is inderdaad vreselijk dat men in Vlaanderen geen serieuze opleiding kan genieten. Acteurs worden geconditioneerd, elke vrijheid wordt uitgesloten, doodse instellingen worden als enig perspectief voorgehouden. Bovendien is het kritisch vermogen van de meeste conservatoriumstudenten zò klein, dat zij na nauwelijks een half jaar al naar NTG of KNS zitten te lonken. De mythe van dé acteur hangt daar nauw mee samen, Julien Schoenarts, Jef Demedts. Een mythe die geen enkele zin heeft, die gewoon belachelijk is. Er bestaat geen mythische figuur op het theater.’

Tegen de acteursmythe is een beweging gekomen, vooral in de jaren zeventig, van de acteur die ‘gewoon’ zichzelf is op de scène. Maar dat is ook niet waar jij naar toe wilt?

Mark Vankerkhove: ‘Dat is alleen interessant voor mensen die solotheater spelen, en dan nog. Wat Freek de Jonge nu doet, kan ook maar net door de beugel. Dat neigt ook al sterk naar mythevorming. Het is ook het publiek dat die mythe maakt: opkijken naar iemand die op een podium staat. Dat is nefast.’

In die beweging werd de acteur steeds belangrijker. Moet die acteursrol terug ingeperkt worden of is die aan herdefiniëring toe?

Mark Vankerkhove: ‘Er zijn acteurs die zich zeer misselijk voelen bij een strikt opgelegde regie, er zijn acteurs die zich daar fantastisch vrij in voelen. Het stelt grotere eisen aan de acteurs, de essentie van het acteren wordt veel duidelijker gesteld. Het gaat niet om de regisseur die iets creëert op zich, het gaat om een produkt. De produktie wordt gemaakt door al de mensen die eraan meewerken. Wanneer men een zeer uitgekiende regie heeft, maar acteurs die niets kunnen invullen, die niet iets onderhuids voelbaar kunnen maken, dan heeft men geen produktie, maar alleen een aantal schetsen. Dan komt het ook niet over bij het publiek. Het theater dat ik maak is enerzijds heel koud, anderzijds heel emotioneel. Voor de acteur biedt dat ruimte om in te werken. Het gaat niet meer op zich extrovert te uiten op de scène, zich te masturberen op de scène. Die tijd is voorbij.’

Nieuwe esthetiek?

Jouw enscenering van De Voetwassing krijgt het etiket ‘nieuwe esthetiek’ mee. Is dat voor jou een betekenisvolle term?

Mark Vankerkhove: Ik stel me daar geen vragen over. Het is een heel gemakkelijk middel om mensen in een vakje te plaatsen. Dergelijke term ontstaat volkomen buiten mij en mijn werk om. Ik heb daar niets mee te maken. Want dat is het gekke: toen ik aan De Voetwassing werkte, had ik van de ‘nieuwe esthetiek’ nog niets gezien, behalve Ziektekiemen, en dat vond ik slecht. Wel heb ik voeling met nieuwe richtingen in film en muziek. De muziek is zonder expliciet aanwezig te zijn in de voorstelling, een belangrijke inspiratiebron voor mij. Er is New Wave geweest, er was Punk. Zonder tendentieus te worden of een modetrend te volgen, heeft het daar wel mee te maken. Het is de leefwereld waarin ik evolueer. Het is de muziek waar ik naar luister: ogenschijnlijk koel en koud, wel heel strikt en doordacht. Dat heeft allemaal zijn invloed in mijn werk. Voeg daarbij de visualiteit, die voor mij van primair belang is. Het is een wisselwerking tussen de verschrikkelijke kracht van beelden en de sterkte van de tekst, de taal.’

What next?

Mark Vankerkhove: ‘Er dringt zich een bepaalde lijn op. Wat me het meest boeit, en dat zit duidelijk in De Voetwassing, is het onvermogen zich te kunnen uitdrukken, de onmogelijkheid contact te krijgen met mensen – ook al lijkt het een cliché. Dat verwoorden, dat theatraal maken, daar wil ik op voortwerken. Ik wil daar nog essentiëler mee bezig zijn, ook qua tekst. Ik zoek teksten waar dat expliciet maar op een andere manier in aanwezig is. Een probleem is wel dat de zaken die mij interesseren financieel en wat de bezetting betreft, veeleisend zijn. Het is steeds hetzelfde probleem. Er is geen geld, men moet dus scenografisch eenvoudige stukken zoeken, enz.’

Het perspectief blijft dus onveranderd: een stuk met beperkte bezetting zoeken, koortsachtig bekwame acteurs proberen te vinden, een minimaal budget bijeen scharrelen?

Mark Vankerkhove: ‘Een nieuwe produktie komt er vast en zeker. Maar het zijn vreselijke werkomstandigheden. In zekere zin is dat wel positief omdat je dan met de essentie bezig bent van theatermaken. Maar gaat dat ten koste van de voorstelling, dan is dat pijnlijk.’

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

interview
Leestijd 7 — 10 minuten

#1

15.01.1983

14.04.1983

Theo Van Rompay