Jef De Roeck

Leestijd 4 — 7 minuten

Jef De Roeck

Het antwoord op de vragen naar de kwaliteit van het toneel in Vlaanderen is gevonden: laat de vragenstellers ophoepelen. Dan zijn er geen vragen meer. En kan het toneel ongemoeid zijn gang gaan.

Dit ei van Columbus werd uitgebroed in een nest waar je het niet zou verwachten: ‘t Stuc te Leuven. Met Verwanten, gebaseerd op Tsjechovs Iwanow, bracht ‘t Stuc voor de derde maal een eigen toneelproduktie uit. De première had plaats op 23 maart. Toen het maandblad Stuc voor Stuc, aflevering mei-juni 1984, midden april ter perse ging, waren negen voorstellingen voor telkens uitverkochte zalen gespeeld. Het blad schrijft: “De reacties van de pers (BRT 1, BRT2, De Standaard, De Morgen, Gazet van Antwerpen, Knack, Veto, Pallieterke, De Nieuwe) zijn overwegend slecht en vaak vernietigend. Een fenomeen dat ons echter niet verrast. Voor diegenen die beroepshalve de Vlaamse theaterwereld avond na avond afdweilt (het moet zijn afdweilen, JDR), is Verwanten niet de broodnodige kick, maar veeleer een gesloten boek; een gevoeligheid waar zij blind voor geworden zijn. Maar: als dit het theater van de jaren tachtig is, moeten zij, recensenten, dan niet hier en nu afhaken?

Betekenisvol feit daarbij is dat haast elke criticus het nodig geacht heeft te emmeren over ‘het geringe tekstpakketje’ van de voorstelling, maar het daarnaast krampachtig vertikt ook maar een regel aandacht te besteden aan de drie lange brieven van Tsjechov waarmee de voorstelling aanvangt.

Daarom drukken we hier enkele passages uit die brieven af. De verwantschap tussen 1880 en 1980 mag duidelijk zijn.

Laat het een aanleiding zijn voor jou, toeschouwer, je eigen voorstellingservaring te confronteren met de ‘kritiek’.”

Dit is een poging om het mogelijke afremmingseffect van de ‘slechte’ kritiek te neutraliseren en potentiële toeschouwers, die kritiek ten spijt, naar de voorstelling te lokken. Daartegen is op zichzelf niets in te brengen, en dat is hier overigens geen punt. Merkwaardig is echter de redenering dat, als dit het theater van de jaren tachtig is, de recensenten hier en nu best zouden afhaken. Onderverstaan wordt dat Verwanten theater van de jaren tachtig is. In deze column is het niet de plaats om dit laatste te beamen of te betwisten. Elders in dit tijdschrift kan de lezer een bespreking van de voorstelling vinden (ik weet niet in welke mate die ‘goed’ of ‘slecht’ zal zijn). Hier gaat het erom dat virtueel de hele Vlaamse theaterpers voor pensioengerechtigd wordt verklaard. Op grond waarvan? Het is best mogelijk dat Verwanten geen kick oplevert voor de recensenten. Maar ligt dat aan hen, en aan hen alléén? Kan het zijn dat al die mensen, die beroepshalve tientallen en honderden voorstellingen hebben gezien, ineens blind zijn geworden, en ongevoelig? Allemaal ineens niet meer in staat de kwaliteit van een voorstelling waar te nemen? Linksen en rechtsen, ouderen en jongeren, doordravers en gematigden, scherpe tongen en genuanceerde pennen, wierookdragers en azijndrinkers, allemaal op één hoop geveegd : als niet bekwaam om het theater van de jaren tachtig op zijn waarde te schatten.

‘t Stuc lijkt zo zeker van zijn stuk. Als de reacties van de pers “overwegend slecht en vaak vernietigend” zijn, is dat dan uitsluitend te wijten aan zgn. incompetentie van de recensenten? Kan het niet zijn dat er aan de voorstelling zelf wat schort? Wanneer diezelfde recensenten produkties van gesubsidieerde theater-vzw’s als de KNS, de KVS, het MMT en nog twintig andere als ondermaats doodverven, zouden zij dit terecht doen, en niet wanneer zij voor een Stuc-produktie of aanverwanten voorbehoud maken? Toen dezelfde recensenten Roelof Hartplein 4 en Koning Oidipous, een queeste, de vorige Stuc-produkties, als een fris geluid verwelkomden, getuigden zij van inzicht en gevoeligheid; nu zij over Verwanten twijfels uiten, worden zij afgeschreven.

Dat de kritiek geen aandacht besteedt “aan de drie lange brieven van Tsjechov waarmee de voorstelling aanvangt,” zoals ‘t Stuc beweert, is dat het gevolg van een gebrek aan scherpzinnigheid bij de recensenten of, integendeel, van b.v. een nonchalance waarmee die brieven in de voorstelling worden gepresenteerd? Waarom zou de kritiek het bovendien “krampachtig” vertikken die aandacht op te brengen?

De inkt van de vorige regels is nog niet droog, wanneer een Belgabericht dd. 23 april er nog een schep bovenop komt doen. Het persbureau seint n.a.v. de première van Mythologies van Het Trojaanse Paard (HTP): “Deze keer wil de groep definitief breken met de naar hun oordeel impertinente Belgische theaterkritiek. De uitnodigingen voor de première worden namelijk ontzegd aan die critici die volgens het gezelschap een oppervlakkige of dogmatische benadering van het theater aan het publiek willen opdringen. Dat stuk van de theaterpers dat volgens HTP bij verouderde ideeën zweert zal dus voor het eerst net als alle toeschouwers de volle prijs voor een toegangsticket voor de voorstelling dienen te betalen.”

Wat in Stuc voor Stuc een suggestieve vraag bleef, wordt hier een beslissing: weg met de verouderde theaterpers. En wie zijn dat? “Critici die een oppervlakkige of dogmatische benadering van het theater aan het publiek willen opdringen.” De critici zijn dus gewaarschuwd: wie geen uitnodiging voor Mythologies ontving, kan voor zichzelf uitmaken of hij/zij oppervlakkig dan wel dogmatisch over theater denkt; impertinent en verouderd is zijn/haar kritiek alleszins, daar kun je volgens de logica van HTP, zoals ze door Belga is weergegeven, niet onderuit.

Het is misschien niet eens zo’n slecht idee dat ook de recensenten hun toegangsbiljet zouden betalen. Dat zou ze nóg vrijer maken. Nu wil de traditie dat de theaters hen uitnodigen, met de bedoeling dat zij over de voorstelling verslag zouden uitbrengen. Als de recensenten uit het totale aanbod van theaterprogramma’s zelf een keuze zouden maken van voorstellingen die hun een bericht waard lijken, kregen we misschien een heel andere theaterkritiek in de pers. Een betere? Zeker een meer selectieve. Niet alle hoofdredacties zijn er zo van overtuigd dat toneelbesprekingen —en kunstrecensies in het algemeen — de interessantse lectuur vormen die zij hun lezerspubliek kunnen aanbieden.

In Teaterbulletin van Teaterklub-Gent, april-mei 1984, signaleert een medewerker dat hij aan de kassa van het gezelschap Controverse te horen kreeg dat deze groep “het nog zonder subsidie moet stellen en ook recensenten er eigenlijk niet gratis inkunnen.” Intussen vindt men er wel dat toneelcritici “publieks-relatie funktionarissen moeten zijn voor de teaters, die de toeschouwers positief informeren over alle details van een produktie… .”

Wat willen de theatermakers eigenlijk? Als de kritiek hun de wind van voren geeft, gaan zij op hun achterste poten staan. De kritiek is dan ineens impertinent, blind, verouderd. In de brief aan Soeworin, die in Verwanten wordt aangehaald, zegt Tsjechov dat het geen zin heeft “iemand die neusverkouden is bloemen te laten ruiken.” De theatermakers die geen kritiek kunnen velen, verslijten de recensenten voor neusverkouden. En doen alsof het allemaal bloemen zijn die zij pers en publiek onder de neus duwen.

KRIJG JE GRAAG ALTIJD ONS MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS?
Abonneer je dan hier.

column
Leestijd 4 — 7 minuten

#7

15.07.1984

14.10.1984

Jef De Roeck