Leestijd 14 — 17 minuten

Ivonne Lex: “De politisering heeft schuld aan alles.”

Bij de aanvaarding van een erfenis

Vanuit uw positie in het Vlaamse theater hebt u lange tijd tegen de KNS aangekeken. Wat is uw indruk over de periode die voorbij is?

Ivonne Lex: “Ik heb er niet alleen tegenaan gekeken, ik heb er als kind ook lang ingezeten, want mijn moeder speelde daar. Alles is inmiddels afgebrokkeld en er blijft nog maar weinig over van wat het ooit geweest is. Uiteraard is alles geëvolueerd. Wat vroeger goed was zou het vandaag niet meer zijn. De KNS is echter op geen enkel vlak meegeëvolueerd met zijn tijd.”

“Het gemakkelijkste is natuurlijk de steen te werpen naar de vorige directie, maar het is veel complexer dan dat. Directeurs vallen niet uit de lucht, die worden benoemd. Je zou kunnen zeggen – en daar wijt ik in het theater alles aan – dat de politisering er voor een groot deel schuld aan heeft. Wat zo fraai ‘cultuurpact’ genoemd wordt, is vaak slechts een andere naam voor heel kleine partijpolitiek.”

“Daarnaast is er natuurlijk de verhuis naar het nieuwe gebouw geweest. In de Bourla had je een scène, een grote zaal, foyer, repetitieruimtes, loges en twee hokjes: een voor de directeur en een voor het secretariaat. Nu zijn er zóveel kantoorruimtes dat meteen duidelijk wordt wat er veranderd is. Met enige overdrijving kan men stellen dat dit een schitterend gebouw zou zijn als er geen toneel moest gespeeld worden. Maar wat lastig dat er dus ook nog theater moet zijn.”

U vindt dat symptomatisch?

“Dat vind ik wel, ja. De laatste twee jaar zijn zeven acteurs om uiteenlopende redenen verdwenen en niet vervangen, dat is heel akelig. Als dat blijft duren, hou je uiteindelijk een enorm gebouw, een enorme staf en één of geen acteurs over. Eerst en vooral moet het artistieke potentieel behouden blijven, dat is belangrijker dan al de rest. Het gezelschap telt op dit moment 23 acteurs op een personeelsbestand van 110 à 120 mensen. Dat zouden er 50 moeten zijn, maar dat is natuurlijk utopisch. Het gebouw ziet er inderdaad weinig aanlokkelijk uit, de zaal heeft misschien haar fouten, maar niet méér dan welke andere zaal ook, maar de scène is qua technische outillage in Europa alleen te vergelijken met het Wiener Burgtheater.”

Alleen wordt die techniek niet gebruikt.

“Inderdaad. Zo’n scène doen functioneren vraagt groot spektakel. Je hebt dat allemaal niet nodig voor een intimistisch of een burgerlijk stuk. Spektakel vergt veel mensen. Het uitvoeren van decors in een ruimte met dergelijke afmetingen, kost hopen geld. We zitten met een Rolls Royce die moet draaien op het benzineverbruik van een deux-chevauxtje.”

De structuur van het gebouw zal een grote invloed uitoefenen op de werking.

“Je kan niet anders. Een van de fouten van de laatste jaren is geweest te gaan werken zoals de kamertheaters, omdat die succes hadden. Er is vaak een programmatie geweest die ik niet begrijp, goede stukken en misschien zelfs goede voorstellingen, maar verzuipend op die immense scène.”

Antwerpen, Bochum

Wat moet voor u een repertoiretheater zijn in een stad als Antwerpen?

“Op het colloquium van het Vlaams Theatercircuit (zie elders in dit nummer, red.), werd gesteld dat één op twee Vlamingen nooit in contact komt met enige uiting van kunst. Als je dat nog eens gaat zeven, kom je tot ontstellende cijfers over het theaterbezoek. Ik denk dus dat een repertoiretheater een traditie moet opbouwen, waarbij je niet mag vergeten dat we uiteindelijk nog maar 60 jaar in onze eigen taal creëren.”

“Je kan nooit twee grootheden vergelijken. In Bochum zit bij de Hermannsschlacht van Kleist de zaal afgeladen vol. Inderdaad, een schitterende voorstelling, maar de Duitse jeugd krijgt wel Schiller, Goethe en Kleist ingelepeld. Waar is onze traditie? Ik hoop dus zaken te brengen die artistiek niveau hebben en die toch aanlokkelijk zijn voor het publiek. Maar ik griezel van dingen als die Revue. Heel lang geleden knoopten de revues aan bij de stukken die gespeeld waren in het seizoen. Je kreeg dan een soort parodie, een ironiseren van bepaalde acteurs en produkties. Het publiek dat massaal naar die revues kwam, was hetzelfde publiek van de andere stukken. Die wisten waar het over ging en dat opzet had dus zin. Vandaag krijg je een zaal nokvol met mensen die alléén maar naar de revues komen, die daar naartoe gesast of gesjeesd worden. Dat zoiets kan in een stadsschouwburg!”

Met de reclamepanelen op de scène.

“Ja, onvoorstelbaar. Het had met een echte revue niets te maken, maar evenmin met een theaterrevue. Het straalde een enorme domheid uit.”

Die vroegere revues hadden een duidelijke functie voor de stad Antwerpen. Moet een repertoiretheater in de eerste plaats een stadstheater zijn, een “nationaal toneel” of wat?

“Ik geloof niet dat je een dubbele functie moet uitoefenen. Er zijn in Antwerpen veel kleine theaters met een eigen gezicht; er wordt aan experiment gedaan. De stadsschouwburg heeft andere taken en dat zal ik in mijn repertoire laten zien. Ik wil eerst de mensen terug de schouwburg binnenhalen met grote produkties en pas daarna riskantere zaken opzetten.”

Wat verstaat u onder de combinatie van kwaliteit en aanlokkelijkheid voor een groot publiek?

“Je kan dat het beste uitleggen met een voorbeeld. Van iedere komedie van Shakespeare kan je een aanlokkelijk spektakel maken. De mensen aantrekken door zijn visuele attractie, zodat ze de rest toch ook maar meemaken. Maar dat is heel moeilijk en kost heel veel geld”

Hebt u nog de tijd om voor het volgende seizoen een volledig programma samen te stellen?

“Belachelijk weinig tijd! Sinds ik benoemd ben, zit ik dag en nacht in de KNS te werken, maar de tijd die me rest is te kort. Anderzijds lees ik met het oog op de programmatie van TIL (Toneelgezelschap Ivonne Lex) erg veel stukken, waarvan ik er vaak opzij heb moeten leggen omdat ze daar toch niet konden gespeeld worden. Ik heb ook veel connecties in het buitenland, zowel bij uitgeverijen als bij mensen uit het vak. Daardoor is het me mogelijk geweest op zeer korte termijn een aantal goede regisseurs aan te trekken, die een pedigree kunnen voorleggen waar men niet omheen kan. Het gezelschap heeft immers nood aan nieuwe gezichten.”

Aan welke auteurs en regisseurs denkt u?

“Het is moeilijk om dat nu te zeggen, omdat ik mijn repertoire aan het gezelschap zelf nog niet bekend gemaakt heb. De eerste naar wie ik gebeld heb, was Walter Tillemans, maar hij heeft geen tijd wat ik zeer jammer vind. De huisregisseurs, Martin Van Zundert en Leo Madder, blijven uiteraard. Ze zijn goede regisseurs en het gezelschap heeft vertrouwen in hen. Daarnaast heb ik dan een aantal buitenlandse regisseurs aangetrokken”

Wijzigt u het gezelschap, breidt u uit?

“Het zou moeten, want het is te klein, maar ik zit muurvast met de gestemde begroting voor 1986, waarin bijna geen maneuvreerruimte meer is. Ik zal toch trachten stilaan uit te breiden, want hele jonge acteurs zijn er niet meer in de KNS. De jongsten zijn dertig jaar. Ook de ouderen zijn door ons waanzinnige pensioensysteem weg; dat is pas echt krankjorum. Kijk naar Duitsland en naar Minetti. Ik weet wel, niet ieder acteur is een Minetti, maar hier is gewoon geen plaats voor Minetti’s en dat is bedroevend, omdat vele acteurs pas op hogere leeftijd tot rijpheid komen. Luc Philips bijvoorbeeld was als jong acteur omwille van zijn kleine gestalte veel minder bruikbaar. Pas vanaf zijn middelbare leeftijd is hij hoge toppen gaan scheren. Als je ziet hoe goed hij acteert in Arca, Raamtheater of als Bompa, dan is het toch onbegrijpelijk dat hij niet meer voor gastrollen in huis gehaald wordt.”

Een hecht ensemble

U streeft naar een hechter gezelschap?

“Het is goed om te werken met een kern en daar een aantal losse mensen omheen te betrekken, maar ik geloof toch nog altijd dat het mooiste een hecht ensemble is. Peymann heeft indertijd ook zijn acteurs uit Stuttgart meegenomen en speelt ook altijd met dezelfde steracteurs. Ook dat heeft de KNS kapot gemaakt: de waanzinnige idee dat er geen vedetten meer mogen zijn. In ieder goed theater zijn er vedetten. In Bochum zijn het altijd opnieuw Voss en Kirsten Dene. Hier heeft men dat uit een verkeerd begrepen sociaal gevoel afgeschaft, zodat het publiek zijn acteurs niet meer kent. Dat is fout, dat wordt een anonimaat, een grisaille. Want welke reden geef je een zinnig mens om op een regenachtige avond, als hij gegeten heeft en moe is van zijn dagtaak, zijn jas aan te trekken en naar een voorstelling te gaan? Die reden kan niet de flauwe imitatie van een TV-produktie zijn, maar wel een voorstelling van een zeer professioneel niveau, met als enig pluspunt: de animale warmte van een voorstelling.”

Maar die niet noodzakelijkerwijze aan enkele steeds terugkerende acteurs gebonden is?

“Als een toeschouwer een acteur iets heeft zien doen, komt hij terug om hem ook in een andere rol te zien. Dat geldt ook voor televisie en film. Waarom gaat men kijken naar Meryl Streep? De mensen komen in Bochum ook voor Voss en Kirsten Dene. En als ze meneer Van Slembrouck en mevrouw Van Pottegem daar zetten, komen er heus minder mensen opdagen.”

U spreekt vaak over Schauspielhaus Bochum. Vindt u dat een voorbeeld?

“Jawel. Er zijn er in Duitsland meer, maar Bochum is toch wel echt uitmuntend. In Parijs zijn het meer de kleine theaters en natuurlijk de Cartoucherie (Théâtre du Soleil, Ariane Mnouchkine). Daar wordt schitterend werk geleverd.”

Zowel Mnouchkine als Peymann produceren theater dat tot en met verbonden is met de samenleving waaruit het komt.

“U zegt het zeer juist: de samenleving waaruit het komt, en die is verschillend zowel voor de Cartoucherie als voor Peymanns kolenput. Wij zouden dus voorstellingen moeten maken die daar geen imitatie van zijn, maar die voor onze eigen samenleving spreken. Ik heb bijvoorbeeld Vor dem Ruhestand gelezen, nog voor het gedrukt was, een prachtig stuk, maar het zou niet in mijn hoofd opkomen om dat in Vlaanderen te spelen, want het gaat over een typisch Duitse situatie.”

Aan welke thema’s denkt u dan?

“Je kent toch ook onze samenleving en je weet toch wat ons drama is? Dat wij geen eigen dramaturgie hebben. Dus moet je iets zoeken dat parallel loopt, dat herkenbaar is voor ons. En inmiddels hopen dat er eens een Vlaamse dramaturgie komt. Ik heb grote bewondering voor Claus, Van den Broeck en Verheezen, maar voor de rest is het toch maar erg dunnetjes. Ik hoor het graag zeggen hoor, dat je daar hard moet aan werken, maar je kan niet constant met nieuwe mensen van nul af beginnen, en uitleggen wat theater is en hoe ze een stuk moeten schrijven. Het is jammer, want het blijft een rijkdom om een nederlandstalig stuk te kunnen spelen i.p.v. een vertaling. Dat heb ik zelf vaak ondervonden. In de mate van het mogelijke zijn Vlaamse stukken dus een must.”

Vlaanderen heeft weliswaar geen relevante tekstdramaturgie, maar anderzijds is er natuurlijk wel een nieuwe theaterstroming waarneembaar die het begrip dramaturgie uit zijn tekstueel harnas haalt.

“Ja, maar daar word ik ziek van. Ik weet wat je wil zeggen. Jan Fabre ga ik weer op mijn bord krijgen. Dat is aantrekkelijk en boeiend en je kan er de hele wereld mee rond, maar dat kan iedereen. Als ik een groene pluim in mijn kont steek, een rode telefoon op mijn hoofd bind en ook nog een selder in mijn oor steek, dan kan ik op alle alternatieve festivals in de wereld één keer optreden. Dat is dan weer dat beroemde Vlaamse minderwaardigheidscomplex om tezeggen: ‘Hij treedt op in de Albert Hall!’. En dan?”

Het gaat niet om de persoon van Fabre of iemand anders, maar om de idee dat dramaturgie vandaag voor een heleboel mensen ook iets anders betekent dan alleen maar een tekst uitschrijven.

“Buiten tekst kan dat alleen maar beweging of klank zijn, we moeten daar niet mysterieus over doen. Theater is daar ook altijd mee verbonden geweest. Zo nieuw is dat allemaal niet. Als beweging of klank zich opdringt uit een theatrale situatie of uit een dramaturgisch gegeven, ja, dan komt dat erbij. Tekst is overbodig, in andere landen is men daar al 30 jaar van genezen. Ik vind dat zo zielig allemaal. Als mensen zo willen werken, ze doen maar. Je kan echter niet empirisch gaan zeggen: nu moet het zó. Het is een mode, een trend, en soms lukt dat eens. Rosas danst Rosas was ontzettend gelukt, heel mooi danstheater. Het volgende was een heel vreemd gedoe met stoelen en niet gelukt. Maar danstheater is er altijd geweest, dat is toch niet nieuw.”

Kringetje

Vanwaar dan die impact van deze dramaturgie in het buitenland en hier?

“Ik kom veel in het buitenland, weet wat festivals zijn, wie er komen. Het belang ervan wordt enorm overschat. Waarom? Omdat het het enige is waarmee wij Vlamingen naar buiten kunnen treden. Door onze taalgebondenheid geraken we met ons theater moeilijk verder dan Nederland. Wat niet taalgebonden is en goed, kan dan naar overal. Dat wil echter nog niet zeggen dat het belangrijk is binnen het landschap hier.”

“Eén van mijn verdrieten over de benoeming in de KNS is dat ik volgend seizoen een rol zou gaan spelen bij Jeröme Savary in Lyon. Iedereen die wat talen kent, kan de hele wereld rond. Ik heb het vroeger gedaan met variété en dan leer je de relativiteit daarvan.”

Acht u het mogelijk dat in de KNS een stuk zou gecreëerd worden, niet vertrekkend van een tekst?

“Ik denk het wel, maar niet op dit moment. Pas als je een publiek opgebouwd hebt dat daar belangstelling voor heeft en daar tegen kan. Ik ga dat nu niet doen en zo nog de laatste mensen buitenjagen. Het belangrijkste vandaag is het professionele gehalte van het werk, dat is de conditio sine qua non om tot kwaliteit te komen.”

Waar ziet u in dat kader de plaats voor een tweede plateau?

“Voorlopig nergens. Eerst moeten we het eerste plateau uitbouwen. In Brussel is er een tweede plateau, maar daar worden slechts de frustraties van de acteurs afgereageerd, ook al zitten er soms betere voorstellingen tussen. Een tweede plateau moet dienen om die zaken te spelen die niet thuishoren op de grote scène, anders heeft het geen zin. Momenteel is het KNS-gezelschap trouwens veel te klein om twee plateaus te bespelen. In de toekomst sluit ik het echter niet uit, als het maar zin heeft en aanslaat bij welk publiek dan ook. Want daar word ik ziek van: van geniale dingen die opgezet worden voor zes of zeven mensen. Dat hoort bij het experiment, dat weet ik wel, en als er geen experiment meer is, dan is alles gedaan. De plaats van het experiment is echter niet de stadsschouwburg.”

Experiment is ook een politiek om binnen het kader van een repertoiretheater de toeschouwers niet slechts dat aan te bieden wat ze reeds verwachten.

“Je hebt geen publiek en de toeschouwers verwachten niets. Als je dan dingen gaat doen waarvan je op voorhand weet dat je altijd hetzelfde clubje binnenkrijgt, dan doe je aan vrijblijvend navelstarend amusement voor enkelingen. Veel van het zogenaamde experiment hier is trouwens oude troep. Jonge mensen ontdekken altijd vanalles. Ze ontdekken wat reeds 50 jaar geleden afgedaan was. Het gaat altijd in een kringetje en je moet er niet te veel belang aan hechten.”

Geen experiment dus in de KNS, wel een streven naar kwaliteitsverhoging via een doorgedreven professionaliteit. Ivonne Lex wijst in dit verband op een aantal belangrijke nevenaspecten. Zo vindt ze dat het gebouw aantrekkelijk moet gemaakt worden voor de toevallige voorbijganger: “er moet ook langs buiten wat kleur komen”. Binnenin zal er plaats geruimd worden voor animaties, voor zover budgettair mogelijk. De voorstellingen zelf zullen omkaderd worden door tentoonstellingen, lezingen, colloquia en nabesprekingen. Heeft ze daartoe een goede équipe in de stadsschouwburg?

Ivonne Lex: “Dat is veel werk en je moet er de schouwburg warm voor krijgen, maar daar zitten veel mensen die niet altijd op hun juiste waarde genomen worden. Dat wil ik nu allemaal uitzoeken. Overigens: ik kan niemand ontslaan, dat is sociaal onmogelijk, totaal uitgesloten.”

Waarom?

“Omdat iemand die daar 20 jaar zit een paar miljoen moet meekrijgen bij ontslag. Zo simpel is het.”

En dat betreurt u?

“Dat betreurt iedereen die iets moet maken. Als jij morgen hoofdredacteur bent van een grote krant met 100 journalisten en je wil er één hele goeie engageren, maar je kan niet omdat je vier sukkels die niets presteren moet houden, dan zou jij dat ook betreuren. Vanuit sociaal oogpunt kan ik daar inkomen, maar als theatermaker vind ik het jammer.”

“Nu wordt er gewerkt binnen een structuur waarvan iedereen zegt dat het niet de goede is. Dus moeten we die eerst veranderen en dan zien of de mensen beter functioneren. Zo verbaast het me bijvoorbeeld dat er in de KNS geen permanente regie-assistentie is. Nochtans is dat in het produktieverloop allernoodzakelijkst. Misschien zitten er in het huidige personeelsbestand wel geschikte mensen die daar ambitie voor hebben. De eerste taak wordt dus het produktieproces reorganiseren.”

‘t Stad

Zit u daar niet met een zeer groot probleem door de binding van de KNS aan de stad Antwerpen. Het technisch personeel is stadspersoneel en de boekhouding is in de eerste plaats verantwoording verschuldigd aan de centrale schouwburgdienst.

“Dat is waar en niet waar. De technische medewerkers zijn in de KNS altijd stadspersoneel geweest, ook toen de schouwburg goed functioneerde. Dat is dus een drogreden. Mensen zijn toch maar mensen, en het geeft me aan de andere kant een grote beweeglijkheid. Diegenen die in mijn werking niet goed functioneren, kunnen als stadspersoneel steeds ergens anders in dienst genomen worden. Zo is mij verzekerd. Dat is een pluspunt tegenover een ander theater. Wat de boekhouding betreft: je moet werken binnen een bepaald budget, maar daarbinnen is er toch een zekere beweeglijkheid mogelijk.”

De statuten zijn echter wel totaal verouderd.

“Ik heb die statuten getekend omdat het nu eenmaal gebruikelijk is, maar daar moet over gesproken worden, want ze zijn alvast niet meer conform aan het decreet. Er wordt al te gemakkelijk met stenen gegooid naar het stadsbestuur, maar die mensen hebben uiteindelijk ook nog wel wat anders te doen dan naar het theater te gaan. Ik geloof echt wel dat ze er zich van bewust zijn dat er iets moet veranderen.”

Budgettair is de schouwburg meer afhankelijk van de stad dan van het rijk. Vindt u dat een goede situatie?

“Ik kan niet zeggen dat ik dat een goede situatie vind. Ik vind alvast vreemd dat de drie officiële schouwburgen een ander statuut hebben. Dezelfde normen worden gesteld, maar er wordt niet met dezelfde meter gemeten. Ik vind vooral dat de eigen inkomsten van die schouwburgen moeten stijgen, omdat die direct gekoppeld zijn aan de belangstelling van het publiek. Dat is een zeer commercieel-artistieke vorm van denken, maar als er geen publiek is, is er geen theater, want het geld komt uiteindelijk van de gemeenschap. Als je inkomsten zo klein zijn dat je bewijst dat de mensen die er hun belastingsgeld voor afgedragen hebben je theater niet willen zien, dan is er iets heel erg fout.”

Hoeveel procent eigen inkomsten vindt u dan noodzakelijk?

“Als ik nu zie dat het maar een tiende is, dat kan niet. Daar zijn nog de inkomsten bij gerekend van de Revue en de Vogelenmarkt, wat de zaken nog meer scheeftrekt.”

Vluchten kan niet meer

Wat uw benoeming betreft, hebt u zich nu spontaan aangeboden of bent u aangezocht?

“Zeker niet spontaan, want ik zag dat eerlijk gezegd niet zo goed zitten. Ik ben in TIL heel happy met wat ik doe. Ik had mijn ontslag genomen in de KVS vóór ik mijn kandidatuur gesteld had, want ik wou daar weg. Maar toen ben ik door een aantal mensen aangesproken. Ik heb gezegd dat ik in geen geval in de steek kon laten wat ik gedurende 16 jaar opgebouwd had. En ik wou ook geen programmatie overnemen in de KNS. Men heeft me geantwoord dit in mijn kandidatuur stelling te vermelden, wat ik ook gedaan heb. Men heeft dat tot mijn grote verbazing aanvaard. Toen kon het voor mij. Ik ben echter helemaal niet van plan in KNS te gaan regisseren of spelen. Het gezelschap heeft op dit moment nood aan een directeur die er buiten staat, die kan observeren en de evolutie nauwlettend kan volgen.”

In het begin van het gesprek zei u dat één van de grote kwalen de politisering is. De indruk heerst dat u de kandidaat van een politieke zuil was.

“Ik behoor tot geen enkele politieke partij.”

Maar er was wel een uitgesproken politieke steun van de SP-fractie.

“Voor zover ik weet hebben in de gemeenteraad alle liberalen, CVP-ers en SP-ers voor mij gestemd. Ik ben benoemd met 35 stemmen op 42 aanwezigen. Alleen Vlaams Blok en Agalev hebben tegengestemd.”

In de pers stond wel duidelijk dat u de kandidaat van de burgemeester was.

“De burgemeester is ook schepen van cultuur en ik denk dat iedereen wel een voorkeur voor een bepaalde kandidaat had. Als de burgemeester vond dat ik directeur moest worden, tegen alle anderen in, dan was ik toch niet benoemd? Ik vind het zo gek dat daar heibel om geweest is. Want dat wou ik toch wel even stellen: hoe komt het dat Nand Buyl voor 9 jaar benoemd werd in Brussel zonder dat zelfs de functie vacant verklaard werd? Dat niemand zich daar aan gestoord heeft, dat vind ik vreemd.”

Vreemd is toch ook dat De Morgen campagne voerde voor u?

“Dat kan je stellen, maar dat zou een schepencollege of gemeenteraad niet mogen beïnvloeden. Integendeel. De burgemeester was heel kwaad om dat artikel. Als hij mij benoemd wou zien, was dat wel het slechtste wat kon gebeuren. Dat moest direct alle niet-socialisten in het harnas jagen.”

U bent nu 59 jaar en over 6 jaar pensioengerechtigd. Wat denkt u in die tijd te realiseren?

“Ik hoop dat dan al die gesprekken over de problemen van de KNS niet meer nodig zijn. Er is niemand die op dit ogenblik tegen mij zegt: ‘Wat fijn dat je die job mag doen’, maar wel: ‘Ik wens je goede moed, amai’ of – dat vond ik heel plezierig – ‘Vluchten kan niet meer’. Er zit dus een zware erfenis aan vast en ik hoop dat ik die, zij het dan gedeeltelijk, kan wegwerken. Het zal niet makkelijk zijn.”

In een interview in Vrouw en Theater (Dramatisch Akkoord, 1978-79) zei u dat weggaan uit de KVS gelijk zou staan met desertie t.o.v. het publiek. Nu hebt u het toch gedaan.

“Ja, dat dacht ik toen nog. Maar het is vrij duidelijk. Iedereen in KVS dacht dat de directie zou veranderen. Toen bekend werd dat die directie met 9 jaar verlengd werd – dat heeft het gezelschap uit de krant moeten vernemen! – was het alsof we een klap op onze kop kregen. Toen heb ik besloten weg te gaan. Het had echt geen zin meer.”

“Na de laatste voorstelling die ik in KVS gespeeld heb, hebben we champagne gedronken, met de collega’s, heel prettig. Ik ben daar dertig jaar geweest en heb er toch wel wat fijne dingen gedaan. Van de raad van beheer of van de directie geen handdruk, geen felicitatie, geen bloemetje, niks. Dan vind ik dat er toch iets heel erg mis is met het deontologische niveau van onze theaters. Ik bedoel: dat doe je niet voor de persoon die weggaat, maar gewoon voor het gezicht van je theater. Dat hoort zo onder mensen met een heel klein beetje beschaving.”

Marianne Van Kerkhoven & Theo Van Rompay

Op 8 april 1986 maakte Ivonne Lex haar seizoensplanning bekend:

KNS-PROGRAMMA 1986-1987

DE FEEKS WORDT GETEMD; William Shakespeare; regie: Karl Vibach
DE VLIEGEN: Jean-Paul Sartre; regie: Leo Madder
DE REISGIDS; Botho Strauss; (produktieN.T.-Gent)
GOD SCHEPT DE DAG; Moss Hart en George S. Kaufman; regie: nog te bepalen
OP ZOEK NAAR JEZELF; Luigi Pirandello; regie: Jean-Pierre Bouvier
GHETTO; Joshua Sobol; regie: nog te bepalen
IL SINDACO DEL RIONE SANITA; Eduardo de Filippo; regie: Françoise Petit
DE SCHULDVRAAG; Roger van Ransbeek; regie: Martin van Zundert
HET GROTE DANSFEEST; co-produktie Jeugd en Dans KASIMIR EN KAROLINE; Odön von Horvath; regie: nog te bepalen
HERWIG HENSEN-PROGRAMMA i.s.m. Hoger Instituut voor Dramatische Kunst
Herneming: Na het Mirakel; William Gibson; regie: Martin van Zundert

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

interview
Leestijd 14 — 17 minuten

#13

15.04.1986

14.07.1986

Marianne Van Kerkhoven

Marianne Van Kerkhoven (1946-2013) was een Vlaamse dramaturge en theatercriticus. Ze was ondermeer actief als huisdramaturg bij het Kaaitheater en publiceerde tal van artikelen over podiumkunsten. Een aantal van haar teksten werd verzameld in Van het kijken en van het schrijven (2001).

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!