‘Maybe Forever’ © Chris Van der Burght

Elke Van Campenhout

Leestijd 7 — 10 minuten

Wie is er bang voor Virginia Woolf II

Elke van Campenhout over drie voorstellingen over de liefde in al haar kwetsbaarheid: Maybe Forever van Meg Stuart & Philipp Gehmacher, The Ballad of Ricky and Ronny van Hans Petter Dahl & Anneke Bonnema en IJs van Joachim Robbrecht.

Welke kunstenaar durft het vandaag nog te hebben over de liefde? Over dat sentimentele verlengstuk van de burgerlijkheid? Dat huisje-tuintje-boompje gevoel, geplaveid met compromissen. Of erger nog, over de romantische liefde, die Sehnsucht, die cultuurtheoreticus Slavoj Žižek vergelijkt met een Kinder Surprise Ei: eigenlijk wil ik niet het ei, maar het surplus dat daar ergens in verborgen zit. En om dat te vinden, wil ik je met plezier aan stukken slaan.

Been there, done that, zegt de gemiddelde theatermaker. De liefde past vandaag niet meer op het podium. Ze is te expliciet, te sensueel, te gevoelerig. Geen wapen voor de intellectuele estheet of de politieke activist. Het gevaar is groot dat je vervalt in romantische clichés, of die nu zoeterig of gewelddadig zijn. En dat is wel het laatste waar een maker zich vandaag mee wil associëren. Exit de liefde dus, tenzij ze in de onmogelijke handen van Josse De Pauw terecht komt. Of zich schuil houdt in het bos van briljante bespiegelingen van Marcel Proust1.

En toch is er af en toe die maker die de handschoen opneemt, om te laveren tussen het al te persoonlijke, en het pijnlijk herkenbare. Die de liefde durft te laten zien in al haar waarheid en leugen, in al haar en zijn kwetsbaarheid. Zoals Abke Haring en Walter Bart het doen in IJs van Joachim Robbrecht, bijvoorbeeld. Met ongegeneerd grote gebaren, en een aanstekelijk enthousiasme, dat cliché aan cliché rijmt, en de grote gevoelens koppelt aan de Nederlandse polder en het obligate museumbezoek.

Of zoals in Maybe Forever, waarin Meg Stuart en Philipp Gehmacher zich los worstelen uit de vicieuze cirkel van verlangen en afwijzing: een autopsie van een liefde die te groot was voor haar eigen lichaam.

En Hans Petter Dahl en Anneke Bonnema schreven met The Ballad of Ricky and Ronny de kroniek van een verloren tijd. Hun exhibitionistisch geëxposeerde lichamen blazen nog een laatste adem uit van een era van vrije seks en hallucinogene verdwazing. Maar intussen woedt buiten de oorlog en is het zweet van de jaren ‘60-opwinding verkoeld tot een klamme tweede huid, die hun glorieuze lijven als een dwangbuis omsluit. Wat overblijft is banaliteit, verveling, angst, en vertwijfeling. Maar de liefde is er niet minder op geworden.

IJs

Wellicht is IJs dan nog de meest beschouwelijke van de drie. Joachim Robbrecht maakt in zijn voorstelling een bilan op van de projecties die de liefde nodig heeft om in zichzelf te kunnen geloven. Maar tegelijkertijd legt hij op die manier ook de ‘typisch’ Nederlandse volksaard bloot, met zijn verlangen naar zekerheid en veiligheid, die de overgave al bij voorbaat hypothekeert en opsluit in het veilig vergulde kader van het zondagse museumbezoek.

In het kort: Abke Haring en Walter Bart schaatsen behendig over het ijs van hun jonge liefde. Zij leeft in een romantisch escapisme, hij vertaalt haar verlangen in bakstenen en weekenduitstapjes. Het absurd uitvergrote spel van de acteurs is zo aanstekelijk dat de angel van het verhaal je in eerste instantie ontgaat. Het koppel banjert vrolijk door de polder en waant zich voor een snipperdag één met de woeste vervoering van het landschap. Ze verliezen zich in een boerenschilderij in het Rijksmuseum, en eten pizza in de sofa. En van het één komt het ander: uit het fantasma groeit de werkelijkheid, een huwelijksaanzoek, en het betonnen construct met uitzicht op de plassen, compleet met loopbruggetjes en wandelmogelijkheden, op pendelafstand van de stad.

In IJs gaat het over de marketing van de liefde, over de manier waarop romantiek wordt verpakt in immobiliëndeals en kunstvermaak. Maar even goed blijft er na de breuk iets over dat niet kan worden kapot geanalyseerd. Dat ongrijpbare je ne sais quoi van een verlangen dat je rationeel niet kan verdedigen. Van een gemis naar datgene waar je nu net zo graag van verlost wilde worden. En dat door de tomeloze energie waarmee Abke Haring wild in het rond maait, perfect wordt belichaamd.

The Ballad of Ricky and Ronny

In vergelijking met de jonge vervoering van IJs, heeft de liefde in The Ballad of Ricky and Ronny haar sporen al ruimschoots verdiend. Geen grootse gebaren hier, maar enkel de ingehouden monotonie van een relatie die zo langzamerhand geen enkele illusie meer heeft op te houden. Anneke Bonnema en Hans Petter Dahl staan eenzaam op een quasi leeg podium, enkel begeleid door een simpele rhythm box. Hun pop opera is een nauwelijks hoorbare echo van de enthousiaste onschuld en pathetiek van de rock ‘n roll-jaren, van het geloof in de uiteindelijke verlossing. De monotone uitvoering van de songs, verhindert dat je jezelf in emoties verliest. Onaangedaan gaan de twee protagonisten door hun repertoire: rhythm box aan, rhythm box uit. De klank is mechanisch, de stemmen ingehouden en vlak. Geen rock machismo. Geen adrenaline. Geen testosteron.

Enkel nog de essentie. Twee stemmen. Eén ritme. Dat de dagdagelijksheid van de verveling, het verlies, en de stille wanhoop, onverbiddelijk voortstuwt.

The Ballad of Rocky and Ronny is daarom nog geen neerslachtige voorstelling. Melancholisch, dat wel, maar dan zonder enige vorm van pathetiek. De rock-duetten sluimeren ergens tussen Nico en Leonard Cohen in. Kurkdroog, ontdaan van hun zachte verleiding, onthullen ze enkel nog de onbarmhartigheid van het alledaagse. Van een liefde die haar eigen grenzen ruim heeft overschreden.

Het is precies het ingehouden spel van beide acteurs, en hun keuze om het rockgehalte van de voorstelling te temperen tot op het punt van verveling, dat deze voorstelling zo krachtig maakt. Elke song ademt herinneringen, maar spreekt tegelijkertijd van het deficit van een verloren geloof. Ricky en Ronny waren kinderen van hun tijd, denk je. Zij hebben hun heil gezocht in religie en politiek, maar niet echt. In het geloof en de natuur, maar zonder veel overtuiging. Ze zijn de eerste generatie die seks hebben losgekoppeld van reproductie.

En nu, zoveel jaar later, proberen ze zich te verzoenen met de leegte van hun aspiraties. Ronny waagt nog eens een futiele poging tot subversie door op hoge hakken over het podium te drenzen met een nylon over zijn kop. Ricky hijst zich in een sexy club outfit, die niks aan de verbeelding van haar welgevormde achterkant overlaat. Maar hun fantasieën lopen enkel nog uit op kleinzielig geneuzel.

Meer en meer neemt de angst het over van de verbeelding. In het begin houdt de voorstelling nog vast aan de herkenbaarheid van een vermoeid en repetitief koppelleven, maar langzamerhand evolueert The Ballad naar absurde waanzin. Het begint met een onschuldige hallucinatie: Ronny ziet op een avond, tijdens een gezellig etentje bij kaarlicht, de geest van een kind plaats nemen aan de tafel. Hij noemt zijn imaginaire kind Vrijheid, en wijst hem een kamer toe in hun steeds labyrintischer uitdijende huis. Ook Ricky verliest zich meer en meer in het idee van hun vormeloze nageboorte. De enige informatie die je als toeschouwer krijgt over het kind, komt uit de popnummers, waarvan de taal zich steeds verder van een herkenbare werkelijkheid losmaakt. De ene keer neemt Vrijheid de gestalte aan van een onvolgroeid geslachtsdeel in een doodsbed van sperma. De andere keer is hij niet meer dan een windvlaag, die het hele huis verkilt. Of een paar donkere wolken, die de oorlogsdreiging binnenwurmt in hun narcistische leventjes. Vrijheid is een kind dat niet geboren lijkt uit wellust, maar uit verlies. Uit de onverwerkte rouw om de hoop die nooit waarheid is geworden. Niet zozeer de rouw om een verloren geliefde, om diegene die je ergens in de tijd bent kwijt geraakt. Ook niet de rouw om een ideologie, politieke overtuigingen of filosofisch geneuzel, want daar wordt geen woord aan vuil gemaakt. Maar wel de rouw om het meer alledaagse geloof dat vanuit die theorieën een heel mensenleven vorm gaf: het geloof in de vrijheid, in een seksualiteit die alle grenzen zou open gooien. En ja, in de liefde. Misschien geloven ze nog wel in mekaar, maar ze geloven niet langer dat deze verbondenheid hen kan redden van de buitenwereld.

Ricky en Ronny is het verhaal van een hedendaagse liefde, die nog navibreert in de schokgolf van toen. Het is het verhaal van een verloren onschuld, van mensen die verloren als sneeuwvlokjes ronddwarrelen. Menselijke vlokjes die uit flatgebouwen naar beneden zweven. Het is dat ene beeld van de Twin Towers dat niemand ooit zal vergeten. Maar in The Ballad raken de lijven nooit de grond. Uit de tekst, maar ook uit de verrassende tekenfilm-eindscène, krijgen we de vlokjes te zien, als onschuldig troostende bodembedekkers, als spermacellen in de ruimte, als sterren in de Melkweg. Hans Petter Dahl en Anneke Bonnema schaatsen op de grens tussen het alledaagse en het absurde, tussen liefde en vervreemding. De intimiteit die uit hun aanwezigheid op het podium spreekt, is een staaltje van kwetsbaarheid dat maar heel weinig in het theater valt mee te maken.

Maybe Forever

Uit Maybe Forever spreekt dan weer een heel ander soort kwetsbaarheid. De lijven op het podium lijken zich precies net niet tot mekaar te verhouden. Meg Stuart en Philip Gehmacher staan tegenover mekaar als welwillende, maar tegelijkertijd schuwe vreemden. Uit hun samenzijn spreekt geen intimiteit meer, enkel nog eenzaamheid. Hij opent zijn armen, maar zijn omarming lijkt veel te groot voor haar tengere lichaam. Alsof zijn liefde voor haar zijn verlangen nauwelijks kan stillen. Zij neemt telkens opnieuw afscheid, om zich vervolgens telkens weer in zijn afwijzing te verliezen. Hij staart de leegte in, boven haar hoofd, alsof hij hoopt daar te vinden, wat hij in haar gelaat niet herkent. De gebaren die beide performers stellen, zijn uitgehold, leeg van betekenis. Een omarming kan ook in het ijle worden gesteld, als een herhaling, als een herinnering aan wat voorbij is. Zelfs als beide lichamen mekaar vinden, lijken ze zich in een andere tijdszone te bevinden. De één in herinnering, de ander in het nu. Net als in The Ballad is het ook hier de herhaling die de pijn ondragelijk maakt. Als singeroutsider-songwriter becommentarieert Niko Hafkenscheid de gebeurtenissen live met kurkdroog aplomb: ‘You make your dreams come true, in a promised land, with me. But I won’t exist at all. It wouldn’t be a reward to hold on to the ways you chose.’

In de songs wordt de onmogelijkheid van hun ontmoeting hoorbaar: de één kan de ander niet vinden, omdat er zoveel verlangens en projecties in de weg staan, dat ze mekaar niet eens zien staan. Het is de onmogelijkheid van die beeldvorming die spreekt uit de ogenschijnlijk banale film still van een paar bloemen tegen de achterwand. In eerste instantie lijkt dit beeld in stemmig sepia te zijn opgenomen. Het spreekt van de nostalgie van een voorbije era, van de herinnering die zich met zoveel geweld in je herinnering heeft ingebrand, dat ze je werkelijke recollectie heeft vernietigd. Langzaamaan krijgt de foto echter meer en meer kleur: van een stoffige fotoalbumprent, komen we terecht in een fel oplichtend heden. Of gaat het om een al even paradijselijke projectie van het beloofde land, waarvan sprake was in de song?

De foto spreekt van het onmogelijke beeld dat de liefde immobiliseert en onmogelijk maakt. Het beeld waaraan je vasthoudt, het gebaar dat verstart tot pose, die elk contact onmogelijk maakt. De dansers zitten vast in gebaren, die nergens meer tot handelen komen. Hun ontmoetingen niet meer dan snapshots, momentopnamen die herinneren aan een lang verloren hevigheid.

Maar tegelijkertijd is er die wil om door te gaan. Om telkens weer te herbeginnen. Om telkens weer terug te keren op je stappen. Tot dat beeld weer tot leven komt. Het lichaam weer tot beweging. Misschien ergens in een verre toekomst. Misschien met een outsider, op een ander podium. Of misschien blijft deze carrousel wel voor altijd draaien. Maybe Forever. Net als die van George en Martha. 2

1 Proust-cyclus van Guy Cassiers, Liefde, zijn handen van Josse De Pauw: zie ook de blind dates van Guy Cassiers met Lilia Mestre en Josse De Pauw met Hanneke Paauwe.

2 Protagonisten van Who’s Afraid of Virginia Woolf.

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

#110

15.02.2008

14.05.2008

Elke Van Campenhout

Elke Van Campenhout is redacteur van Etcetera, is freelance publicist voor diverse kunsttijdschriften, en werkt als curator en dramaturg.