Marianne Van Kerkhoven

Leestijd 4 — 7 minuten

In het tuinhuis

Over moeders, dochters, spiegels, eenzaamheid en pijn

Toen ik Jane Bowles’ In het Tuinhuis zag, gespeeld door Globe in een regie van Gerardjan Rijnders, leek het mij alsof ik de personages, al lang en van heel vér kende, al jaren met mij droeg. Ook de sfeer van de enscenering kende ik; Nighthawks van Edward Hopper hangt aan de muur van mijn kamer: zijn Amerika, zijn licht, zijn scherpe lijnen vond ik terug in de voorstelling. In het Tuinhuis is een belangrijke produktie, één die je raakt. Diep én lang.

Waarom komt dit enige stuk van de Amerikaanse schrijfster Jane Bowles (1917-1973) – eerste opvoering in 1951 en niet zo goed onthaald – nù en hier op het programma? Waarom ook komt de hele figuur van Jane Bowles nù en hier weer in de belangstelling? Naast In het Tuinhuis wordt in Nederland nl. ook de voorstelling Jane gespeeld, door drie vrouwen in een regie van Mirjam Koen: het is een collage-reconstructie gebaseerd op Jane Bowles’ leven en werken. Vanwaar die aandacht? Janine Brogt geeft er in de inleiding tot de tekstbrochure van het stuk, uitgegeven door Globe, een overtuigend antwoord op: “Wij zijn in staat de vormgeving van het ‘zoeken’ evenzeer op waarde te schatten als de vormgeving van het ‘weten’, en misschien zelfs meer, omdat de illusie van het weten ons is vergaan. De tijd is rijp voor een tastender, vragender, vrouwelijker (?) verbeelding. De tijd is rijp voor het werk van Jane Bowles.”

In het Tuinhuis gaat over moeders en dochters: over Gertrude Eastman Cuevas, in de eerste plaats, die haar dochter Molly op een ‘narcistische wijze bezet houdt’ (de term komt van Alice Miller); over haar tegenpool mevrouw Constable die tevergeefs tracht enige emotionele vat op haar dochter Vivian te krijgen en – als contrast-in-de-marge – over mevrouw Lopez die met haar dochter Frederica wél een bevredigende affectieve verhouding schijnt te hebben. Zonen zijn er eigenlijk niet in In het Tuinhuis en mannen spelen een totaal ondergeschikte rol, tenzij indirect: de dode mannen bijvoorbeeld.

In het Tuinhuis gaat ook over ‘spiegels’: over kinderen, op diverse niveaus, die precies zo als een van hun ouders willen worden, of beter nog: over mensen die hun eigen ik verloochenen in de hoop de liefde van een ander – ouder, kind, echtgenoot – te verwerven.

Deze honger naar liefde overspoelt al het andere; hij maakt zelfs dat de grote tragedies en geheimen die in de loop van de plot opduiken en die dit stuk makkelijk tot een melodrama zouden kunnen maken, eigenlijk totaal onbelangrijk worden, want niemand van de personages heeft er aandacht voor. Molly wil niet weten dat haar moeder eigenlijk niet van haar houdt; mevrouw Constable wil niet weten dat haar dochter, die midden in het stuk de dood vindt, misschien niét van de rots viel maar er wellicht door Molly werd afgeduwd; Gertrude weigert de realiteit onder ogen te zien dat haar vader niet van haar maar van haar zusje hield. Aan het einde van het stuk is niks van deze ‘grote geheimen’ opgelost. “Als er niet over gepraat wordt, is het ook niet gebeurd” (Alice Miller). De frustraties stapelen zich op in de personages omdat ze over hun pijn niet willen, kunnen of mogen praten. Alleen mevrouw Constable begint in haar rouwproces naar het einde toe aan dit ‘verbod’ te ontsnappen.

Bowles, Mc Cullers, Plath

De ‘momenten van de grote bekentenissen’ die in andere stukken een totale ommekeer van de dramatische structuur veroorzaken, worden hier weggeveegd in ‘onverschilligheid’. Die weigering om de theatrale wetten van de dramatische structuur te volgen, brengt dit stuk heel dicht bij een realiteit die diep-diep in ons verborgen zit: Jane Bowles doet geen beroep op ons volwassen intellect, maar op primitieve affectieve lagen uit onze verdrongen kinderpsyche. Daarom raakt In het Tuinhuis zo diep: daarom sticht het verwarring.

Men heeft Gerardjan Rijnders – weer eens – verweten dat hij van Bowles’ stuk een ‘liefdeloze enscenering’ heeft gemaakt. De filmische concepten die hij erin hanteert – het beweeglijke kader van de scène dat kleiner en groter kan worden in alle richtingen en ons dwingt close-ups en details te bekijken; de piano’s en travellings die via dat beweeglijke kader gemaakt kunnen worden; de personages die letterlijk uit het beeld kunnen wegwandelen, enz. – én het harde blauw/gele Hopperiaanse licht waarmee hij de scènes overgiet, scheppen een afstand die echter volledig gerechtvaardigd is: vormelijk door het afwijzen van het melodrama in de structuur van het stuk zelf en inhoudelijk omdat dit stuk gaat over mensen die telkens beweren dat iemand van hen houdt, zonder dat daar één reëel teken van merkbaar is. Wat is ‘ware liefde’ als die nooit getoond wordt? Dit stuk en zijn enscenering gaan over liefdeloosheid, over dat enorme verlangen die liefdeloosheid te doorbreken, over personages die zo op dit enige verlangen gefixeerd zijn dat ze verder niet in staat zijn warmte te geven of van het leven te genieten. De wereld van Jane Bowles is er één van eenzaamheid en pijn; hij herinnert aan die van twee andere schrijvende vrouwen, Carson Mc Cullers en Sylvia Plath, met dat verschil dat Jane Bowles haar eigen – zonder meer als autobiografisch te duiden – verhalen met een ongemene luchtigheid en humor kan relativeren.

Gerardjan Rijnders blijft nog één seizoen bij Globe en dan gaat hij weg. Wat er daarna ook met Globe gebeurt, deze groep heeft een reeks merkwaardige en eigenzinnige produkties uitgebracht die op de Nederlandse en de Vlaamse theaterrealiteit een gezonde, verwarring stichtende invloed uitoefen(d)en, zowel een schandaal produktie als Troilus en Cressida als een meer geprezen Drie Zusters of een onbegrepen North Atlantic (zie Etcetera 4). Men zal er achteraf aan refereren. Als aan een steunpunt.

In het Tuinhuis hoort thuis in deze reeks. Het is, wat Rijnders zelf betreft, een verderdrijven van zijn realisme-onderzoek zoals hij dat in Drie Zusters aanpakte, bevrucht met de ‘Amerikaanse’ ervaring van North Atlantic. Wat deze produktie echter bovenal belangrijk maakt is de zeer intense worteling ervan in onze tijd en in zijn gevoeligheden, in de psychoanalyse van nu, in het vrouwelijk bewustzijn van nu, in de vormenevolutie van nu…

De voorstelling ‘zit juist’. Op snee. Haar scherpte én hardheid kerven in verhullingen en taboes en leggen bloot – in open wonden – wat daaronder zit en al zolang naar boven wou.

Marianne Van Kerkhoven

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#7

15.07.1984

14.10.1984

Marianne Van Kerkhoven

Marianne Van Kerkhoven (1946-2013) was een Vlaamse dramaturge en theatercriticus. Ze was ondermeer actief als huisdramaturg bij het Kaaitheater en publiceerde tal van artikelen over podiumkunsten. Een aantal van haar teksten werd verzameld in Van het kijken en van het schrijven (2001).